Groote Wielen

Gebiedsnummer
9
GebiedsnaamGroote Wielen
Status
Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn
Overbelasting stikstof
Nee
Gemeente
Leeuwarden, Tytsjerksteradiel
Provincie
Fryslân
Sitecode HR
NL2003020
Sitecode VR
NL2003020
Totale oppervlakte in hectare
604
Oppervlakte HR in hectare
604
Oppervlakte VR in hectare
604

Kenschets

De Groote Wielen is een tamelijk klein maar afwisselend natuurgebied ten noordoosten van Leeuwarden. Het westelijke deel vormt een belangrijk weidevogelgebied. De natte delen in het centrum herbergen grote aantallen migrerende eenden en ganzen. Rietlanden en natte graslanden zijn het leefgebied voor de Noordse woelmuis. In botanisch opzicht is het oostelijke deel, de overgang van zand naar klei, het meest waardevol, met fraaie begroeiingen in kwelsloten en soortenrijk Dotterbloemhooiland.

Landschap

De Groote Wielen vormt de noordelijke uitloper van het laaggelegen veen en kleiopveengebied in Midden-Friesland. Het gebied ligt tussen de hogere zandgronden in het oosten (de Friese Wouden) en de zeekleigronden in het westen. De grote plassen in het gebied (Groote Wielen, Houtwiel en Sierdswiel) zijn ontstaan als gevolg van overstromingen van de Middelzee, die zich in de Middeleeuwen uitstrekte van Bolsward tot Leeuwarden, en de toestroom van water uit een oostelijker gelegen hoogveengebied. De Ryd, aan de noordkant, is een voormalig veenriviertje. Het noordelijk gelegen riviertje Murk verzorgde in het verleden de ontwatering van het gebied. De huidige Groote Wielen is al eeuwenlang in gebruik als cultuurland. Het westelijke deel (Binnemiede- en Weeshuispolder) bestaat uit agrarisch grasland dat als weidevogelgebied wordt beheerd. Het centrale gebied bestaat uit natte zomerpolders (de Warren, Ryptsjerksterzomerpolder, Regentepetten, Koekoekslân), met aan de zuid- en noordkant grote plassen en vaarten die worden geflankeerd door rietmoerassen. Dit moerasgebied maakt onderdeel uit van de Friese boezem. In het centrale deel liggen twee eendenkooien. In het oosten steekt een zandkop uit, die als winterpolder wordt gebruikt (Ryptsjerksterwinterpolder). Kenmerkend voor het zandgebied zijn de heggen, die een coulisselandschap vormen.

Natuurwaarden

De Groote Wielen vormt een van de weinige gebieden in Friesland waar de Noordse woelmuis standhoudt. De soort leeft hier in de rietkragen langs de grote wateren en de Ryd en op 's winters geïnundeerde weilanden. Waarschijnlijk gaat het om een kleine populatie. Samen met de populatie van het Oudkerkstermeer is dit het meest noordelijke leefgebied van de soort, dat geïsoleerd ligt ten opzichte van andere populaties. Een goede verbinding met de Alde Feanen en het Oudkerkstermeer lijkt noodzakelijk om de overlevingskans van de soort in het gebied te garanderen. In sloten leeft de Bittervoorn en het open water dient als foerageergebied voor de Meervleermuis. Van de laatste komen in de nabije omgeving veel kraamkolonies voor. De dichtheden aan foeragerende dieren in het gebied zijn relatief hoog, mede dankzij de dicht begroeide oevers rondom de plassen. Tot de jaren 1970 leefden nog otters in het gebied.De Binnenmiede- en Weeshuispolder vormen samen een belangrijk weidevogelgebied. Dankzij een mozaïekbeheer, waarbij gefaseerd wordt gemaaid, broeden hier nog veel grutto's, kieviten, scholeksters en tureluurs. Incidenteel wordt de Kemphaan waargenomen. In de zomerpolders leven Porseleinhoen en Watersnip. Tijdens najaar, winter en voorjaar strijken grote aantallen steltlopers (Grutto, Kemphaan), eenden, ganzen en zwanen neer in de natte graslanden, waar ze foerageren, rusten en ruien. Deze vogels slapen 's nachts op de wielen, nadat ze overdag voedsel hebben gezocht op graslanden in de omgeving. De rietmoerassen in de boezem vormen het broedgebied van Roerdomp, Baardman, Snor, Blauwborst en grote aantallen Rietzanger en Kleine karekiet. Plaatselijk komt een verlandingsvegetatie voor met Veenmosrietland (H7140). Op locaties met voldoende toestroom van grondwater wordt in de boezem en in de kwelzone langs het zandgebied Dotterbloemhooiland (Calthion palustris) aangetroffen, met soorten als Gewone dotterbloem (Caltha palustris subsp. palustris), Waterkruiskruid (Jacobaea aquatica), Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata) en - zeer bijzonder voor Friesland - Bosbies (Scirpus sylvaticus). In de Binnenmiedepolder resteerde tot voor kort een stukje Blauwgrasland (H6410), maar hiervan is inmiddels weinig meer over. De sloten en vaarten in het oosten van het gebied hebben een goede waterkwaliteit. Hier, en plaatselijk in de boezem, komen begroeiingen voor met Krabbenscheer (Stratiotes aloides), Waterviolier (Hottonia palustris) en Groot blaasjeskruid (Utricularia vulgaris). Ook is het zeldzame Kleinhoofdig glanswier (Nitella capillaris) aangetroffen.

Literatuur

Wiersma & Punter 1999; Jager & Rintjema 2000; Wymenga et al. 2002; Kuijpers et al. 2006; Soes 2006.

De natte, voedselrijke maar niet bemeste poldergraslanden van de Groote Wielen worden gemaaid en/of beweid. Kenmerkend hier zijn begroeiingen van het Zilverschoonverbond (Lolio-Potentillion anserinae), met soorten als Moeraszoutgras (Triglochin palustris) en Gewone waterbies (Eleocharis palustris). In natte laagten van de zomerpolders (polders die in tegenstelling tot winterpolders alleen 's zomers worden bemalen) is Klein glaskroos (Elatine hydropiper) een van de meest bijzondere soorten.