Zouweboezem

Gebiedsnummer
105
GebiedsnaamZouweboezem
Status
Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Zederik
Provincie
Utrecht
Sitecode HR
NL3004006
Sitecode VR
NL9802065
Totale oppervlakte in hectare
257
Oppervlakte HR in hectare
257
Oppervlakte VR in hectare
133

Kenschets

De Zouweboezem is een in de 14de eeuw gegraven boezem, die diende als opvang van het overtollige water uit de omliggende polders. Het gebied bestaat uit open water, riet- en zeggenmoerassen, wilgengrienden en elzenbroekbos.

De Zouweboezem is het kleinste 'belangrijke vogelgebied' van Nederland, met als voornaamste broedvogel de Purperreiger. Voor de Habitatrichtlijn is de boezem van belang vanwege de grote populatie Grote modderkruiper (waarop de purperreigers foerageren). Het deel van de Polder Achthoven dat binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied ligt, bevat een aanzienlijke oppervlakte Blauwgrasland, een ernstig bedreigd habitattype in het veenweidegebied.

Landschap

De Zouweboezem vormt in het Groene Hart de grens tussen de grootschalige polders van de Alblasserwaard en de kleinschaligere polders van Vijfherenlanden. Het gebied is smal, langgerekt en strekt zich van noord naar zuid uit tussen de plaatsjes Ameide (aan de Lek) en Meerkerk (aan het Merwedekanaal). De boezem bestaat uit twee vaarten, de Oude en de Nieuwe Zederik, met tussengelegen oeverlanden en slootcomplexen.

In de Vroege Middeleeuwen, vóór de bedijkingen, zorgden allerlei natuurlijke stroompjes en kreken voor de afwatering van dit komgrondengebied tussen Lek en Linge. In deze streek liepen onder meer de riviertjes Zederik (ongeveer op de plaats van het huidige Merwedekanaal) en het Lexmondwater (deels op de plek van de huidige Oude Zederik). Vanaf de 11de eeuw worden dijken gebouwd om wateroverlast te verminderen. De veenstroompjes vormden de toegangswegen voor het ontginnen van de tussengelegen polders. De Linge was in die tijd de hoofdafvoer van het water uit de hele omgeving. Stroomafwaarts traden geregeld overstromingen op, wat de reden was voor de aanleg van de Bazeldijk en Zouwedijk, aan de westkant van Vijfherenlanden, en de Diefdijk aan de oostkant. De sloten in het gebied waterden vanaf die tijd via weteringen af op de Zouwe, Zederik en Linge, die als boezems fungeerden. Hier werd overtollig water enige tijd vastgehouden alvorens te worden geloosd op de grotere rivieren.

In sommige perioden werd het water grotendeels via de Linge naar de Merwede afgevoerd (via een dam bij Arkel), in andere perioden gebeurde dit voornamelijk via de Zouwe naar de Lek (via een dam bij Sluis). In die tijd zorgde de Zouwe voor de afwatering van het overtollige water uit alle polders van het noordelijke en westelijke deel van Vijfherenlanden. Door de aanleg van het Pannerdensch Kanaal kreeg het stroomgebied van de Lek in de 18de eeuw weer met hoge waterstanden en overstromingen te kampen. In 1764 wordt besloten een nieuwe bergingsboezem aan te leggen in het westelijke deel van Polder Achthoven. De Nieuwe Zederik werd gegraven en bij Sluis werd een uitwateringssluis aangelegd. De boezem werd omzoomd met molens om het water weg te malen.

Als de Zouweboezem haar aanblik uit die tijd had behouden, zou het nu net zo'n toeristische attractie zijn geweest als de boezems bij Kinderdijk. In de 19de eeuw werden in de omgeving enkele brede kanalen gegraven, waarmee de functie van de boezem overbodig werd. Het Merwedekanaal verzorgt sindsdien de afwatering van geheel Vijfherenlanden op de Linge. Alleen de polders Achthoven en Lakerveld wateren tegenwoordig nog af op de Zouweboezem, van waar het water via een openstaande schutsluis naar het Merwedekanaal kan stromen. De boezem wordt ook gebruikt om in droge perioden water aan te voeren naar de polders.

Natuurwaarden

Ondanks zijn geringe omvang springt de Zouweboezem erg in het oog: ze ligt een paar meter boven de (ingeklonken) omgeving en heeft, in tegenstelling tot de weidse graslanden van de polders, een dichte begroeiing van Riet (Phragmites australis), zeggen, struweel en wilgenbos. Dergelijke uitgestrekte rietmoerassen komen alleen voor bij nagenoeg natuurlijk fluctuerende waterpeilen. Ze zijn in ons land, door omkering of verstarring van peilen, een zeldzaam verschijnsel geworden. Onder de waterplanten en moerasplanten bevinden zich typische laagveensoorten, zoals Grote boterbloem (Ranunculus lingua), Krabbenscheer (Stratiotes aloides) en Groot blaasjeskruid (Utricularia vulgaris). Op kleine schaal is hier sprake van habitattype 3150 (Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden). De belangrijkste natuurwaarden van het moerasgebied moeten echter gezocht worden in de fauna. De Grote modderkruiper heeft hier een van de grootste populaties in ons land. Onder ander in de 'nieuwe boezem', die in 1994 is afgegraven ten behoeve van moerasontwikkeling, zijn enorme dichtheden aan deze vissoort aangetroffen. De Zouweboezem vormt dan ook een kerngebied in het verspreidingsgebied langs de benedenrivieren. Er zijn aanwijzingen dat de modderkruipers in de paaiperiode vanuit de omliggende poldergebieden naar de Zouweboezem migreren. De populatie van de Zouweboezem vormt een metapopulatie met dieren uit de Polders Achthoven, Bolgarijen en het Beesdsche en Lage Veld. Naast de Grote modderkruiper zijn uit de Zouweboezem slechts weinig andere vissoorten bekend, en dan alleen in lage dichtheden. Hieronder bevindt zich het familielid Kleine modderkruiper. In de omringende polders komt de Bittervoorn voor. Het boegbeeld van de Zouweboezem is de grote kolonie van de Purperreiger. Sinds enkele jaren is het verreweg de grootste kolonie in ons land en daarmee van geheel Noordwest-Europa. Zo werden in 2006 meer dan 170 nesten geteld, ruim een kwart van de Nederlandse populatie. Het succes is mede te danken aan het optimaal beheer van het omringende polderland als foerageergebied voor de Purperreiger, gericht op de belangrijkste prooi van de soort, de Grote modderkruiper. Ook voor andere moerasvogels is de Zouweboezem belangrijk. Zo bevindt zich hier een kolonie zwarte sterns en broeden in het overjarig riet veel snorren. Daarnaast leven hier Blauwborst, Roerdomp en Rietzanger. In jaren met een hoge waterstand aan het begin van de zomer weerklinkt in de nachtelijke uren geregeld de zweepslag van het Porseleinhoen. Het omvangrijke moerasgebied met ondiepe waterpartijen is voor winter- en trekvogels van belang, waarbij vooral het talrijk optreden van de Krakeend in het oog springt. In de wintermaanden zijn Blauwe kiekendief en Waterpieper aanwezig. Polder Achthoven is van belang vanwege Blauwgrasland (Cirsio dissecti-Molinietum). Dit habitattype 6410 staat in heel Nederland sterk onder druk, waarbij de situatie in het veenweidegebied nog ernstiger is dan in beekdalen. Polder Achthoven is een van de weinige locaties in Laag Nederland waar mogelijkheden bestaan om dit habitattype uit te breiden. Het type komt hier voor op veenbodem, waarvan de klei is afgegraven. Kenmerkende soorten zijn Spaanse ruiter (Cirsium dissectum), Kleine valeriaan (Valeriana dioica) en - een enkel polletje - Blonde zegge (Carex hostiana). Opvallend is het ontbreken van Pijpenstrootje (Molinia caerulea) in de begroeiing. Op een geplagd stukje grasland is recent weer het Veenmelkviooltje (Viola persicifolia var. persicifolia) aangetroffen, dit na een afwezigheid van tientallen jaren. Veel van de oude glorie als weidevogelgebied is helaas verloren gegaan. Van de kritische soorten hebben alleen Tureluur en Grutto zich weten te handhaven.

Literatuur

De Gelder 1978; Kerkhof 1998; van der Winden et al. 2002.

Boezems Kinderdijk

De kleinschalige afwisseling van open water (met veel drijfbladplanten), rietlanden en struwelen verleent aan de Zouweboezem een landschappelijke intimiteit.
De kolonie purperreigers in de Zouweboezem is met meer dan 170 nesten verreweg de grootste in geheel Noordwest-Europa.
De ondiepe, stilstaande wateren van de Zouweboezem, die bovendien rijkelijk zijn begroeid en waarvan de bodem veelal met een modderlaag is bedekt, vormen een optimaal leefgebied voor de Grote modderkruiper.