Uiterwaarden Lek

Gebiedsnummer
82
GebiedsnaamUiterwaarden Lek
Status
Habitatrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Lopik, Vijfherenlanden
Provincie
Utrecht
Sitecode HR
NL2003030
Totale oppervlakte in hectare
148
Oppervlakte HR in hectare
148

Kenschets

Het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek bestaat uit een aantal terreinen in het stroomdal van de Lek tussen Vianen en Schoonhoven. Het gaat om de Willige Langerakse Waard en het nabij gelegen schiereiland De Bol op de noordoever van de rivier (provincie Utrecht) en de Koekoeksche Waard en de Kersbergsche- en Achthovensche Uiterwaarden, met daarin het terreintje Luistenbuul, op de zuidoever (provincie Zuid-Holland). De terreinen bevatten deze terreinen de best ontwikkelde stroomdalgraslanden langs de Lek, een prioritair habitattype waarvoor ons land grote internationale verantwoordelijkheid draagt.

Landschap

In vergelijking met de andere benedenstroomse aftakkingen van de Rijn (IJssel en Waal) is het winterbed van de Lek relatief smal. De rivier loopt hier door moeilijk erodeerbare klei- en veengebieden, waardoor zelfs al voor de bedijking nauwelijks sprake was van meanderen. De winterdijken zijn hier bij de eerste aanleg (omstreeks 1200) relatief dicht tegenover elkaar gelegd.

In dit deel van het Rivierengebied, waar de getijden- invloed merkbaar wordt, hebben rivieren bij normale afvoeren de neiging te verzanden. Het water kan bij opkomend getij vrijwel stil staan, waardoor in het zomerbed zand bezinkt, dat - eenmaal afgezet - moeilijk weer in beweging komt. Tijdens piekafvoeren, die voor 1900 frequent in het winterhalfjaar optraden, werd veel van dat beddingmateriaal naar gunstig gelegen uiterwaarden getransporteerd. Omdat de rivier steeds op dezelfde plek lag, werd in het smalle winterbed ieder keer op dezelfde locaties zand afgezet, waardoor de oeverwallen langs de Lek telkens werden opgehoogd. Ze liggen veel hoger ten opzichte van het waterpeil dan langs andere rivieren in ons land. Het hoogste duin, in de Koekoeksche Waard, stond in het recente hoogwaterjaar 1995 niet eens helemaal onder water. Een zandig gedeelte dat zich de laatste eeuw wel heeft verplaatst, is het schiereiland de Bol. Dit ontstond als een zandplaat in een iets breder deel van de rivier, waar het water langzamer stroomt na een flessenhals van winterdijken te zijn gepasseerd. Met behulp van kribben en een strekdam is deze zandplaat in de tweede helft van de 19de eeuw van de zuidoever naar de noordoever gedirigeerd en vervolgens aan de stroomopwaartse zijde met de oever vergroeid.

Na de aanleg van het Pannerdensch Kanaal in 1707 verplaatste een deel van de waterafvoer uit de Waal zich naar de Lek, waardoor deze veel hogere waterstanden te verwerken kreeg. De standen waren in de 18de en 19de eeuw regelmatig meer dan een halve meter hoger dan tijdens de recente 'bijnaramp' in 1995. Ondanks deze telkens terugkerende hachelijke situatie, is de dijk slechts één keer doorgebroken. Toen rond 1880 de Nieuwe Waterweg werd gegraven, versnelde de afvoer en kwamen nog slechts incidenteel hoge waterstanden voor. Door de aanleg van kribben in de 19de eeuw is de Lek zich dieper gaan insnijden, waardoor ook de zomerstanden lager zijn geworden. Een bijkomend gevolg van de aanleg van de Nieuwe Waterweg was een toename van de invloed van het getij. Was deze golfbeweging voorheen bij Schoonhoven nauwelijks merkbaar (50 cm getijverschil), nu nam het getijverschil hier met 70 cm toe en reikte de invloed tot voorbij Vianen.

In de jaren 1950 werden stuwen aangelegd in de Nederrijn bij Hagestein, Amerongen en Driel, waardoor het waterpeil van de Nederrijn en Lek gereguleerd kan worden. De afgelopen jaren zijn de drie stuwen voorzien van vistrappen, om deze tak van de Rijn weer geschikt te maken als trekroute voor zalmen en andere trekvissen. Als gevolg van klimaatsverandering worden voor de toekomst weer hogere winterstanden verwacht in dit riviertraject, wat bij Culemborg en Vianen heeft geleid tot plannen om de rivier meer ruimte te geven. Verder stroomafwaarts ontbreekt hiervoor echter de ruimte. Langs het grootste deel van de Lek worden de dijken dan ook verhoogd.

Natuurwaarden

De hoge, zandige en kalkhoudende uiterwaarden zijn het milieu voor warmteminnende stroomdalplanten die hier het prioritaire habitattype 6120 vormen. Het belang van deze stroomdalgraslanden blijkt uit het kleine verspreidingsgebied van de associatie Medicagini-Avenetum pubescentis (vrijwel beperkt tot ons land) en de sterke achteruitgang in oppervlakte en kwaliteit (soortensamenstelling) in de loop van de 20ste eeuw. Langs de Lek worden nog op een aantal plekken goed ontwikkelde stroomdalgraslanden aangetroffen, maar ze liggen op de meeste plaatsen geïsoleerd tussen intensieve landbouwgronden. Van de genoemde vier terreinen binnen het richtlijngebied herbergt de Koekoeksche Waard het best ontwikkelde en de grootste oppervlakte aan stroomdalgrasland. Opvallend zijn hier de grote populaties van Veldsalie (Salvia pratensis) en Brede ereprijs ( Veronica austriaca subsp. teucrium), terwijl daarnaast onder meer Voorjaarsganzerik (Potentilla verna), Walstrobremraap (Orobanche caryophyllacea), Gewone agrimonie (Agrimonia eupatoria), Moeslook (Allium oleraceum), Bleek schildzaad (Alyssum alyssoides), Bevertjes (Briza media), Ruige weegbree (Plantago media), Grote tijm (Thymus pulegi oides), Goudhaver (Trisetum flavescens) en Boompjesmos (Climacium dendroides) voorkomen. Het stroomdalgrasland wordt door konijnen kort gehouden en aanvullend een- of tweemaal per jaar gehooid. Vroeger werd het in de herfst en winter nabeweid met koeien, maar de laatste tien jaar is dat niet of nauwelijks meer gebeurd. De vegetatie is de laatste jaren geleidelijk vergrast, zodat een bijstelling van het beheer overwogen moet worden. De achteruitgang van de kwaliteiten blijkt ook uit de vervanging van zoomplanten als Dolle kervel (Chaerophyllum temulum) en Stinkende gouwe (Chelidonium majus), die langs de aanwezige meidoornstruwelen groeiden, door haarden Grote brandnetel (Urtica dioica). De Luistenbuul is een reservaat in de Kersbergsche en Achthovensche Uiterwaarden dat in 1968 is ingesteld voor het behoud van de enige groeiplaats van Paardenhoefklaver (Hippocrepis comosa) in ons land. Deze toen al teruglopende populatie bevond zich in een stroomdalgrasland op de zuidhelling van een oude zandwinput. Het reservaatje lag echter zo geïsoleerd tussen zwaar bemeste graslanden, dat Paardenhoefklaver geleidelijk in aantal afnam en in de jaren 1980 is verdwenen. Het kleine stroomdalgrasland is echter nog steeds fraai, maar wordt sinds kort wel sterk bedreigd. In 2007 is het omliggende perceel namelijk gescheurd en omgezet in maïsakker, waardoor het niet meer mogelijk is het stroomdalgrasland na te beweiden. De Luistenbuul herbergt onder meer de grootste populatie Cilindermos (Entodon concinnus) in ons land en opvallend veel Kleine pimpernel (Sanguisorba minor). Op andere plaatsen in deze uiterwaarden wordt goed ontwikkeld Glanshaverhooiland (Arrhenatheretum elatioris; H6510) aangetroffen. Aan de noordkant van de Lek vormt de Willige Langerakse Waard het belangrijkste reservaat met stroomdalgrasland, met ook hier een groot deel van de eerder genoemde plantensoorten, waaronder Cilindermos. Opvallend op de zeer zandige bodem is het hoge aandeel van eenjarige soorten. Op het vlakbij gelegen schiereiland De Bol is, vermoedelijk vooral in de laatste decennia van de 19de eeuw, door water en wind zoveel zand verplaatst dat een klein rivierduin is ontstaan. Hierop bevindt zich een pioniervorm van het stroomdalgrasland (Bromo inermis-Eryngietum) met veel Geoorde zuring (Rumex thyrsiflorus), Kruisdistel (Eryngium campestre), Sikkelklaver (Medicago falcata) en Zacht vetkruid (Sedum sexangulare). Het ooit fraaie stroomdalgrasland op de hogere oeverwal van het schiereiland is door intensief agrarisch gebruik sterk verarmd. De naar de noordoever verplaatste zandplaat heeft een smalle geul afgesloten met langs de randen pioniervegetatie (H3270). De getijdeninvloed uit zich in dit deel van de rivier door de aanwezigheid van smalle rietvelden en ruigten tussen de kribben en op lage delen van de uiterwaarden, met daarin typische soorten van het Zoetwatergetijdengebied, zoals Spindotterbloem (Caltha palustris subsp. araneosa) en de zeer zeldzame Driekantige bies (Schoenoplectus triqueter). De uiterwaarden van de Lek vormen een westelijke voorpost van het verspreidingsgebied van de Kamsalamander in Nederland. De locatie is echter sterk geïsoleerd van het hoofdverspreidingsgebied, waarmee het voortbestaan van deze soort in het gebied gevaar loopt.

Literatuur

Sterk & Sterk-Luteijn 1992; Weeda 1992; Hesselink 1998; Kerkhof 1998; Kerkhof 2002; Schoor & Stouthamer 2003.

Massaal bloeiende Muurpeper (Sedum acre) en Geoorde zuring (Rumex thyrsiflorus) in open stroomdalvegetatie op het schiereiland de Bol in de Lek.
Dijkverzwaring gaat tegenwoordig veelal gepaard met natuurontwikkeling. Binnendijks worden klei en zand gewonnen voor de verhoging en verbreding van de dijk, waarna de afgegraven gronden als natuurgebied worden ingericht.
Van alle bremrapen in het Rivierengebied is de Walstrobremraap (Orobanche caryophyllacea) de minst zeldzame. De soort woekert vooral op Geel Walstro (Galium verum), minder op Glad walstro (Galium mollugo) en slechts bij uitzondering op andere planten.