Binnenveld

Gebiedsnummer
65
GebiedsnaamBinnenveld
Status
Habitatrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Ede, Rhenen, Veenendaal
Provincie
Gelderland, Utrecht
Voortouwnemer
provincie Utrecht
Sitecode HR
NL2003006
Totale oppervlakte in hectare
111
Oppervlakte HR in hectare
111

Kenschets

Het Natura 2000-gebied Binnenveld omvat drie complexen aan weerszijden van de Grift in de zuidelijke Gelderse Vallei. Hiervan ligt het complex Bennekomse Meent/Bennekomse Hooilanden aan de Gelderse kant, de Hellen en de Achterbergse Hooilanden aan de Utrechtse kant. De Bennekomse Meent en de Hellen zijn sinds tientallen jaren natuurreservaat. De Bennekomse Hooilanden (ook wel kortweg aangeduid als De Hooilanden) en de Achterbergse Hooilanden zijn natuurherstelgebied en moeten voor een deel nog worden verworven als onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur. De Bennekomse Meent behoort tot de gebieden met de grootste aaneengesloten oppervlakte aan goed ontwikkeld Blauwgrasland in Nederland. De Hellen is een van de weinige gebieden met beekdaltrilveen in ons land.

De Bennekomse Meent is een vlak gebied maar bezit wel veel microreliëf. Mede hierdoor is het reservaat, dat een van de grootste blauwgraslanden van ons land herbergt, soortenrijk.

Landschap

Het Binnenveld ligt in een gletsjerbekken tussen twee stuwwalcomplexen: aan de oostzijde de Veluwe en aan de westzijde de Utrechtse Heuvelrug. Dit bekken is opgevuld met een zandpakket dat op keileem of klei rust en plaatselijk wordt doorsneden door veen- of kleilagen. In het Holoceen heeft zich aan de oppervlakte een veenpakket gevormd, dat deels door veraarding of vergraving is verdwenen. In het veengebied liggen zandopduikingen en stroomruggen. Nabij de Grift zijn kleilaagjes in het veen afgezet. Het geheel heeft het karakter van een beekdal, met kenmerken van een middenloop (kwel in de dalflanken) en een benedenloop (inundatie vanuit de monding van de Grift in de Rijn).

Tot het midden van de vorige eeuw vormde het Binnenveld een van de meest uitgestrekte en soortenrijke blauwgraslandgebieden van Nederland. Bovendien kwam over aanzienlijke oppervlakten trilveen voor. Na de Tweede Wereldoorlog is het grootste deel van het Binnenveld ontgonnen en ontwaterd. Slechts enkele zeer natte terreinen zijn aan dit lot ontsnapt. De vroegere rijkdom aan zeldzame blauwgrasland- en moerasplanten in het Binnenveld hing samen met de complexe waterhuishouding. De lage ligging tussen twee stuwwalmassieven veroorzaakt kwel stromen, waardoor basenrijk water in het gebied uittreedt. Deze regionale kwel bereikt de wortelzone voornamelijk op plaatsen waar zij niet door ondiep liggende kleilagen wordt tegengehouden, dus in zandopduikingen en stroomruggen. Daarnaast treedt lokale kwel van basenarmer water op. Ten slotte vond 's winters overstroming door Griftwater plaats. De grote variatie in bodemtoestand en waterhuishouding kwam tot uiting in het optreden van plantensoorten die elders in Nederland zelden in Blauwgrasland groeien, in het bijzonder de orchideeën Harlekijn (Anacamptis morio) en Grote muggenorchis (Gymnadenia conopsea). Beide zijn, evenals Parnassia (Parnassia palustris), al meer dan een halve eeuw niet meer in het Binnenveld waargenomen.

De ontginning van het grootste deel van het gebied leidde tot een ingrijpende verstoring van het 'hydrologisch mozaïek' met regionale kwel, lokale kwel en inundatie vanuit de Grift. Met de lokale kwel komen meststoffen mee vanuit naburige landbouwpercelen. Zowel lokale als regionale kwel worden voor een aanzienlijk deel weggevangen door een stelsel van sloten dat afwatert op de Grift, die door zijn lage peil zelf ook drainerend werkt. Om deze drainage te verminderen is in 1996 een extra stuw in de Grift geplaatst.

De oudere reservaten in het Binnenveld - Bennekomse Meent en de Hellen (bestaande uit de Blauwe Hel en De Hel) - liggen op plaatsen waar de invloed van regionale kwel relatief groot is gebleven. Het laatstgenoemde deelgebied wordt echter aan drie kanten ingeklemd door fabrieksterreinen, sportvelden en andere bebouwing van de groeikern Veenendaal. In de Bennekomse Meent werd in het verleden Griftwater ingelaten om verdroging tegen te gaan. Door zijn last aan meststoffen veroorzaakte dit verruiging van de vegetatie. Momenteel wordt water in dit reservaat vastgehouden door het opzetten van de slootpeilen ten opzichte van de omringende landbouwgronden. Hierdoor staat het maaiveld 's winters plasdras, waarna de waterstanden in de lente dalen naar 20 tot 40 centimeter onder het maaiveld.

Natuurwaarden

De kern van het reservaat Bennekomse Meent bestaat uit zo'n 10 hectaren goed ontwikkeld Blauwgrasland (Cirsiodissecti-Molinietum; H6410) met veel Spaanse ruiter (Cirsium dissectum), Blauwe knoop (Succisa pratensis), Kleine valeriaan ( Valeriana dioica) en Blonde zegge (Carex hostiana), en plaatselijk Vlozegge (Carex pulicaris), Bevertjes (Briza media) en Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe). Laatstgenoemde behoorde vroeger tot de vaste bestanddelen van Blauwgrasland, maar tegenwoordig is zij in dit vegetatietype zeer zeldzaam. Als herinnering aan het vroegere orchideeënrijke Blauwgrasland van het Binnenveld zijn nog Vleeskleurige orchis (Dactylorhiza incarnata) en Brede orchis (Dactylorhiza majalis subsp. majalis) aanwezig. Door de aanwezigheid van zandopduikingen en veenputjes vertoont de Bennekomse Meent een vrij sterk microreliëf. Hierdoor kunnen soorten van heischraal grasland, zoals Hondsviooltje (Viola canina), Fijn schapengras (Festuca filiformis) en Tandjesgras (Danthonia decumbens), zij aan zij groeien met moerasplanten als Riet (Phragmites australis) en Gewone waternavel (Hydrocotyle vulgaris). Op een van de zandruggen trekt Margriet (Leucanthemum vulgare) de aandacht. In veenputjes komt een relatief basenrijk type kleinezeggenmoeras voor met Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata), Moeraskartelblad (Pedicularis palustris), Wateraardbei (Comarum palustre), Snavelzegge (Carex rostrata), Draadzegge (Carex lasiocarpa) en Moeraslathyrus (Lathyrus palustris), terwijl in ondiep water ook Stijve moerasweegbree (Baldellia ranunculoides subsp. ranunculoides) zich laat zien. Ook zijn hier baseminnende moerasmossen als Reuzenpuntmos (Calliergon giganteum), Veenknikmos (Bryum pseudotriquetrum), Goudsikkelmos (Drepanocladus polygamus), Groot vedermos (Fissidens adianthoides), Moerasdikkopmos (Brachythecium mildeanum) en Groen schorpioenmos (Scorpidium cossonii) aanwezig, waarvan de twee eerstgenoemde tevens in de Hellen zijn aangetroffen. De Bennekomse Meent biedt broedgelegenheid aan minder algemene moerasvogels als Porseleinhoen en Watersnip. Het is een belangrijk onderdeel van het Wageningse Binnenveld, waar steeds schaarser wordende weidevogels als Grutto en Tureluur en diverse eendensoorten, waaronder de in het binnenland schaarse Bergeend, nog zijn te vinden. In de wintermaanden pleisteren er geregeld kleine zwanen. In de sloten komt de Kleine modderkruiper voor. Onder de insecten zijn Moerassprinkhaan (Stetophyma grossum) en Zompsprinkhaan (Chorthippus montanus) te noemen, beide soorten van natte hooilanden. Jammer genoeg bleek het reservaat te klein om de Moerasparelmoervlinder (Euphydryas aurinia), die Blauwe knoop als voedselplant heeft, voor verdwijning te behoeden. Door versnippering van zijn leefgebied is deze vlinder sinds een kwart eeuw uit Nederland verdwenen. In de Bennekomse Hooilanden, die zuidwaarts bij de Bennekomse Meent aansluiten, heeft vanaf 2001 natuurherstel plaatsgevonden. Hierbij werden percelen van de voedselrijke bovenlaag ontdaan. Verrassend genoeg kwam op het afgeplagde terrein vrij veel Veenmelkviooltje (Viola persicifolia var. persicifolia) tevoorschijn, een plant die vooral lijkt te gedijen in grasland dat 's winters wordt overstroomd en dat in sommige zomers vrij sterk uitdroogt. Samen met haar verschenen schraallandplanten als Blauwe zegge (Carex panicea), Tormentil (Potentilla erecta) en Ruw walstro (Galium uliginosum), maar ook tal van akkeronkruiden en andere pioniers van voedselrijk milieu. Bovendien vond massaal kieming van wilgen plaats. Wellicht kan zich uit deze pionierbegroeiing door maaibeheer een Dotterbloemhooiland (Calthion palustris) ontwikkelen, waarbij struikgroei mogelijk door nabeweiding kan worden onderdrukt. Het complex Blauwe Hel en De Hel herbergt nog steeds trilveen (H7140), wat voor een Nederlands beekdal uitzonderlijk te noemen is. Hier komen onder meer Moeraslathyrus, Waterdrieblad, Moeraskartelblad, Ruw walstro, Ronde zegge (Carex diandra), Draadzegge en Vleeskleurige orchis voor. Voor vogels is het een van oudsher vermaard broedgebied, met opmerkelijke soorten als Bruine kiekendief, Blauwborst, Rietzanger en Baardman. Het is een goed gebied voor de Waterral en in het verleden werden herhaaldelijk de zeer zeldzame Klein en Kleinst waterhoen gehoord. In de Achterbergse Hooilanden komen langs slootkanten nog planten van nat grasland voor, onder meer Ruw walstro, Kruipend zenegroen (Ajuga reptans), Echte koekoeksbloem (Silene floscuculi) en Poelruit (Thalictrum flavum). Zij geven aan dat herstel van Dotterbloemhooiland in principe mogelijk is. Door intensief agrarisch gebruik komt echter momenteel geen bloemrijk grasland voor. Voor het gehele Binnenveld geldt dat de herstelkansen voor soortenrijke levensgemeenschappen groot zijn, mits een grote aaneensluitende oppervlakte wordt verworven en de ontwatering sterk wordt verminderd. Het komt er vooral op aan de basenrijke kwel weer in het maaiveld toe te laten.

Literatuur

Bier et al. 1992; Geerts & Oomes 2000; van Swaay 2000; Weeda 2001; Bax et al. 2004; van der Hoek 2005; Sanders & Bax 2005; van Dort et al. 2009.

De Moerassprinkhaan (Stetophyma grossum) is pas enkele jaren geleden in de Bennekomse Meent voor het eerst waargenomen.