Bunder- en Elslooërbos

Gebiedsnummer
153
GebiedsnaamBunder- en Elslooërbos
Status
Habitatrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Meerssen, Stein
Provincie
Limburg
Voortouwnemer
provincie Limburg
Sitecode HR
NL2003012
Totale oppervlakte in hectare
190
Oppervlakte HR in hectare
190

Kenschets

Het Natura 2000-gebied Bunder- en Elslooërbos omvat een reeks bossen op de steile, oostelijke helling van het Maasdal tussen Elsloo en Bunde, te weten het Hoge en Lage Bos bij Elsloo, het Geulderbos bij Geulle en het Armenbos en Bunderbos bij Bunde. De noordelijke bossen bevatten talloze kalkrijke bronnen en beken en gelden als de mooiste bronbossen in ons land.

Landschap

De plateaugronden van Zuid-Limburg zijn oude stroomvlakten van de Maas die hier grind en zand heeft afgezet en daarmee het huidige hoogterras vormde. Door geologische processen is dit gebied geleidelijk hoger komen te liggen, waarbij de Maas zich dieper inschuurde. Hierbij vormde de rivier een middenterras, waarvan de resten bij Meerssen zichtbaar zijn. Nog later ontstond een nog nauwer dal dat door zand- en grindlagen opgehoogd werd. Zo werd het laagterras gevormd, waarop Bunde en Geulle zijn gebouwd. Rondom deze dorpen gaat het laagterras aan de oostkant direct over in het hoogterras, waarbij hoogteverschillen bestaan van ongeveer 80 meter. Op deze steile helling ligt het Natura 2000-gebied Bunder- en Elslooërbos.

De ondergrond van de helling van het oostelijke Maasdal bestaat uit kalksteen die voornamelijk is afgezet in het Krijt, ruim zeventig miljoen jaar geleden. Daar overheen liggen Pleistocene grindpakketten die door de Maas zijn aangevoerd. Bovenop het plateau is het grind bedekt met pakketten leem (löss). Tussen de kalksteen en het grind bevinden zich zand- en kleilagen uit het Oligoceen (25-38 miljoen jaar geleden). Op deze lagen stagneert het grondwater, waarna het lateraal afstroomt naar het Maasdal. Waar deze lagen in de helling dagzomen, ontspringen diverse beken: de bronnetjes in het Natura 2000-gebied. Tussen Geulle en Moorveld zijn aardlagen ten opzichte van elkaar verschoven, waardoor de Geullebreuk is gevormd. Ten noorden van deze breuk zijn de lagen verzakt en liggen de bronnen ongeveer 25 meter lager in de helling. Het grondwater stroomt hier door Miocene en kalkrijke Oligocene afzettingen, terwijl aan de zuidkant alleen kalkarme Oligiocene lagen aanwezig zijn. Hierdoor zijn de bronnen en beken ten noorden van de breuk kalkrijk. In het dal komen rivierkleiafzettingen voor met aan de randen een mengsel met afgespoeld leem, grind en zand. In de Middeleeuwen waren de oostelijke Maasdalhelling en de hogere plateaus begroeid met bos. In de 12de en 13de eeuw werden grote stukken bos gekapt en ontstonden nederzettingen, waaronder Elsloo ('loo' duidt op een open plek in het bos). In de Late Middeleeuwen was al veel bos gekapt. In het Maasdal lagen vochtige hooi- en weilanden, terwijl de drogere terreinen op het plateau met schapen begraasd werden. Op de steile helling bleven de bossen bewaard: ze werden geëxploiteerd als hakhout. In de 20ste eeuw werd het gebied aan alle kanten verder aangetast. Intensief agrarisch grondgebruik leidde tot het verdwijnen van de schrale graslanden op de plateaus en de natte graslanden in het dal. Het hellingbos kwam onder druk te staan door de gestaag uitbreidende bebouwing. De drainage in het hele gebied is sterk veranderd door de aanleg van het spoorlijntraject Sittard-Maastricht in 1865. Later is het gebied verder versnipperd door de aanleg van het Julianakanaal en de autoweg Maastricht-Eindhoven. Vanaf 1952 zijn delen van het bos door Staatsbosbeheer aangekocht om te worden beschermd tegen verdere aantasting.

Natuurwaarden

De soortensamenstelling van de hellingbossen laat een duidelijke gradiënt zien. Vrij hoog in de helling komen bostypen voor van lemige, voedselrijke bodem met kalkrijke ondergrond. Deze bossen worden gerekend tot de subassociatie allietosum van het Stellario-Carpinetum (verbond Carpinion betuli; H9160). De ondergroei van dit bos is in het voorjaar wit gekleurd door Bosanemoon (Anemone nemorosa) en plaatselijk door de kenmerkende Daslook (Allium ursinum). De bronbossen in het middendeel van de helling behoren tot het verbond Alno-Padion van het habitattype Vochtige alluviale bossen (H91E0). Een eerste vorm van dit habitattype op de helling is het in Nederland zeldzame GoudveilEssenbos (associatie Carici remotae-Fraxinetum), dat hier optimaal ontwikkeld voorkomt. De bronnen bevatten kalkrijk en zuurstofrijk water, vooral ten noorden van de Geullebreuk. Kenmerkende plantensoorten voor de bronnen en beken zijn Gewone dotterbloem (Caltha palustris subsp. palustris), Verspreidbladig goudveil (Chrysosplenium alternifolium), Bittere veldkers (Cardamine amara), Reuzenpaardestaart (Equisetum telmateia), Hangende zegge (Carex pendula) en Slanke zegge (Carex strigosa). De dominerende boomsoort is de Es (Fraxinus excelsior). In het noordelijkste deel van het gebied (het Lage Bos) liggen de meest kalkrijke bronnen. Hier wordt een bronbeekvegetatie aangetroffen van het verbond Cratoneurion. Deze bronbeken worden beschouwd als het habitattype Kalktufbronnen (H7220). Er vindt afzetting plaats van kalk (tufsteen), waarmee dit voor Nederland een van de weinige voorbeelden van dit - tot Zuid-Limburg beperkte - habitattype is. Als kenmerkende soorten worden de mossen Geveerd diknerfmos (Palustriella commutata), Gewoon diknerfmos (Cratoneuron filicinum) en Beekdikkopmos (Brachythecium rivulare) aangetroffen. Deze soortencombinatie komt in ons land alleen bij deze bronnetjes voor. In de bossen langs de bronnen en beken houdt zich de Vuursalamander op. Deze bedreigde soort vormt in het Natura 2000-gebied drie deelpopulaties, waarvan de grootste in het Bunderbos voorkomt. Met zo'n zeventig exemplaren betreft dit tevens de grootste populatie in ons land. Het romdom de beek gelegen bos in de hellingvoet behoort tot de associatie Pruno-Fraxinetum en heeft een zeer soortenrijke en kleurrijke voorjaarsbloei met onder andere veel Eenbes (Paris quadrifolia), Gevlekte aronskelk (Arum maculatum), Slanke sleutelbloem (Primula elatior), Bosmuur (Stellaria nemorum) en de zeldzame Gele anemoon (Anemone ranunculoides). Beneden in het dal staat op plekken met stagnerend water elzenbroekbos (Alnion glutinosae), dat eveneens tot het habitattype Vochtige alluviale bossen wordt gerekend. Het bosgebied heeft een rijke broedvogelbevolking. Vooral vogels van oudere bossen als Kleine bonte specht, Fluiter, Vuurgoudhaan, Grauwe vliegenvanger en Boomklever zijn algemeen. In het noordelijke deel met zijn talrijke bronnen en waterloopjes broeden verschillende ijsvogels en grote gele kwikstaarten en in de vochtige bossen zijn Wielewaal en Matkop thuis. De graslanden langs de oevers van de Maas zijn op de meeste plaatsen intensief in agrarisch gebruik. Aan de voet van het Lage Bosch resteren echter nog enige soortenrijke graslanden. Deze terreinen worden al sinds begin jaren 1960 eenmaal per jaar gemaaid. De vegetatie omvat onder meer Dotterbloemhooilanden (verbond Calthion), Glanshaverhooilanden (verbond Arrhenatherion) en natte ruigten (verbond Filipendulion), met ook hier de Reuzenpaardestaart. Eén van deze hooilanden was tot nog maar enkele jaren geleden bijzonder soortenrijk, met veel Herfsttijloos (Colchicum autumnale), maar het is niet gelukt deze kwaliteiten te behouden.

Literatuur

Waage 1925; Diemont 1953; Evers 1983; Gorissen 1983; Gorissen & Evers 1983; Gorissen et al. 1983; Evers & Westhoff 1987; Bossenbroek et al. 1996; Evers & Weeda 1998; van Gennip et al. 2007.

Op sommige plekken in het Bunder- en Elslooërbos groeit Daslook (Allium ursinum) zo massaal, dat de planten al op grote afstand zijn te herkennen aan de indringende uiengeur. De soort groeit bij voorkeur op vochthoudende, lemige bodems, het meest op betrekkelijk steile hellingen met een hoge luchtvochtigheid, zoals in grubben en in de nabijheid van beekjes en bronnen.
Stijve naaldvaren (Polystichum aculeatum) en Tongvaren (Asplenium scolopendrium) komen in het Bunder- en Elslooërbos alleen voor op steile hellingen met een hoge luchtvochtigheid. Dit milieu doet sterk denken aan dat van grubben, waarvoor een eigen subassociatie binnen het Eiken-Haagbeukenbos (StellarioCarpinetum polystichetosum) is beschreven.
Het Bunder- en Elslooërbos is een van de drie gebieden in ons land waar de opvallend zwartgeel gekleurde Vuursalamander voorkomt. De soort is vooral 's nachts actief, wanneer ze zich voedt met regenwormen en naaktslakken.