Duinen Vlieland

Gebiedsnummer
3
GebiedsnaamDuinen Vlieland
Status
Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Vlieland
Provincie
Fryslân
Voortouwnemer
provincie Fryslân
Sitecode HR
NL2003061
Sitecode VR
NL3009009
Totale oppervlakte in hectare
1484
Oppervlakte HR in hectare
1484
Oppervlakte VR in hectare
1311

Kenschets

Vlieland is weliswaar een van de kleinere eilanden in ons deel van de Waddenzee, maar het heeft wel een relatief gaaf duingebied, mede omdat slechts een klein deel van het eiland is ingepolderd. De droge duinen zijn relatief kalkarm, wat zich uit in korstmosrijke duingraslanden en fraaie heidebegroeiingen. Van bijzonder belang zijn de Kroonspolders, een reeks van bedijkte valleien met goed ontwikkelde valleivegetatie, en de Vliehors, een uitgestrekte strandvlakte met pionierduinen, jonge kwelders en valleitjes met Groenknolorchis (Liparis loeselii).

Landschap

Het landschap van Vlieland kent een bewogen geschiedenis. In de afgelopen vier eeuwen heeft de zee haar macht op dit eiland sterk doen gelden en is aan alle zijden land verloren gegaan. Het sterkst was dit het geval aan de zuidwestzijde, daar waar tegenwoordig de Vliehors is gelegen. Tot in de 17de eeuw stak de westpunt van Vlieland ver buiten de vloeiende kustlijn uit, als gevolg van een sterke zandtoevoer door het Eierlandse Gat. Deze zandtoevoer stopte waarschijnlijk doordat in Holland diverse zeegaten - uitmondingen van kleine riviertjes en stroompjes - door de mens werden gedicht. De verminderde zandtoevoer had voor Vlieland dramatische gevolgen. De afbraak van het westelijke deel van Vlieland betekende dat het dorp West-Vlieland al in het begin van de 18de eeuw door een dijk beschermd moest worden, maar op 26 februari 1714 stortte de kerk van het dorp onder invloed van de zee in. Het dorp werd in 1736 verlaten en wat restte was een kale zandplaat, de huidige Vliehors. De laatste jaren groeit de Vliehors weer aan.

Ook het midden en het noordoosten van het eiland hebben te kampen gehad met afslag en dijkdoorbraken. Hierdoor is het eiland smaller geworden, aan welk proces een einde is gekomen door de aanleg van strandhoofden. Aan de wadzijde werd de afslag een halt toegeroepen door de aanleg van een stenen glooiing op de overgang van duinen en wad. Ter hoogte van het Posthuis is een aangroeiende kwelder ontstaan.

Door overexploitatie van het duingebied was Vlieland in het begin van de 19de eeuw een kaal, sterk stuivend duingebied. Omstreeks 1870 is Rijkswaterstaat begonnen met de inperking van de verstuivingen, zodat rond 1900 de duinvalleien weer grotendeels begroeid waren en in 1910 ook de droge duinen. In het eerste decennium van de 20ste eeuw is Rijkswaterstaat begonnen met de aanplant van bossen, werk dat later is voortgezet door Staatsbosbeheer. Het merendeel van het aangeplante bos bestaat uit naaldhout (vooral Oostenrijkse den, Pinus nigra var. nigra), dat is geplant in de periode 1910-1940. Vooral rond het dorp is veel bos aangelegd. Op de grens van het duingebied en de Vliehors zijn tussen 1866 en 1935 met behulp van stuifdijken achterduinse strandvlakten ontstaan, die een tijd als landbouwgebied zijn geëxploreerd. In deze 'polders', die de naam dragen van de architect Kroon, bleek landbouw echter niet rendabel. De zogenaamde Vijfde Kroonspolder heeft altijd in open verbinding met de Waddenzee gestaan. De Derde en de Vierde Kroonspolder hebben sinds 1996 weer een open verbinding met de zee.

Natuurwaarden

Het meest opvallende aspect van de Duinen van Vlieland is ongetwijfeld de grote oppervlakte aan goed ontwik kelde Kraaiheibegroeiingen. Vlieland is dan ook aangewezen als een van de belangrijkste gebieden van ons land voor het habitattype Duinheiden met kraaihei (H2140). Vanaf de Vallei van Malgum, in de nabijheid van het Posthuis, tot aan de Fortweg ten oosten van het dorp Oost-Vlieland is Kraaihei (Empetrum nigrum) een min of meer vast bestanddeel van droge noordhellingen en kalkarme, vochtige duinvalleien. De vegetatie op de noordhellingen is behalve door Kraaihei gekenmerkt door Gewone eikvaren (Polypodium vulgare), Gewone rolklaver (Lotus corniculatus), Helm (Ammophila arenaria), Struikhei (Calluna vulgaris), Zandzegge (Carex arenaria) en enkele mossoorten. In vochtige duinvalleien, waarvan de Kooiplek een uitmuntend voorbeeld is, wordt Kraaihei vergezeld door onder meer Gewone dophei (Erica tetralix), Grote veenbes (Oxycoccus macro carp os), Waternavel (Hydrocotyle vulgaris), Brunel (Prunella vulgaris) en de zich sterk uitbreidende Rode bosbes (Vaccinium vitisidaea). Zowel in de droge duinheide als in de vochtige valleien wordt geregeld Drienervige zegge (Carex trinervis) aangetroffen, een weinig opvallende soort met een klein areaal, waarvoor Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid draagt. De zuidhellingen van de droge duinen dragen een grazige begroeiing, die deel uitmaakt van het habitattype Grijze duinen (H2130). Op de meeste plaatsen betreft het de Duin-Buntgrasassociatie (Violo-Corynephoretum), een plantengemeenschap waarin mossen en lichenen veelal het aspect bepalen. Te noemen zijn Kraakloof (Cetraria aculeata), Ruig haarmos (Polytrichum piliferum), Gewoon klauwtjesmos (Hypnum cupressiforme), Elandgeweimos (Cladonia foliacea), Sierlijk rendiermos (Cladina ciliata) en de nieuwkomer Grijs kronkelsteeltje (Campylopus introflexus). De laatste kan zich invasief gedragen en grote oppervlakten in beslag nemen, maar op het gesloten mosdek kunnen zich dan weer diverse lichenen vestigen. Instuiven van zand wordt door deze neofyt trouwens slecht verdragen. Van de vaatplanten zijn Buntgras (Corynephorus canescens), Fijn schapengras (Festuca filiformis) en Zandzegge de algemeenste. Een andere grasachtige die vaak in deze gemeenschap wordt aangetroffen, is Vroege haver (Aira praecox). In jonge stadia van de Duin-Buntgrasgemeenschap kunnen zich diverse licheensoorten vestigen die elders epifytisch groeien. Het meest komen Gewoon schorsmos (Hypogymnia physodes) en Eikenmos (Evernia prunastri) voor. Dit verschijnsel wordt zienderogen zeldzamer, waarschijnlijk als gevolg van stabilisatie en verzuring, maar kan vooral op de westelijkste punt van het Vlielandse duingebied toch nog vrij regelmatig worden waargenomen. Twee uiterst zeldzame lichenen die doorgaans epifytisch groeien, Bruin paardehaarmos (Bryoria fuscescens) en Saucijsbaardmos (Usnea articulata), komen juist in oude vormen van de Buntgrasgemeenschap voor. Op Vlieland is de eerste recent ook aangetroffen nabij Lange Paal. Daar waar in het verleden begrazing een grote rol heeft gespeeld, is de vegetatie meer gesloten, en wordt ze tot de Duin-Struisgrasassociatie (Festucogalietum veri) gerekend. De vegetatie wordt hier gedomineerd door Fijn schapengras, terwijl in de moslaag Gewoon klauwtjesmos en Gewoon gaffeltandmos (Dicranum scoparium) veelal een overwegende rol spelen. De meest bijzondere soort die op Vlieland zijn zwaartepunt in de Duin-Struisgrasassociatie heeft, en die in Nederland vrijwel alleen tussen Texel en Castricum is aangetroffen, is Gevlekt zonneroosje (Tuberaria guttata). Deze soort kon vroeger gevonden worden in het gehele duingebied van Vlieland, maar nu komt ze nog slechts voor tussen het Kooiplekslid en Lange Paal. Opvallend in de duingraslanden op Vlieland is de ten opzichte van veel andere duingebieden beperkte mate waarin vergrassing en verstruweling zijn opgetreden. Deels zal dit samenhangen met het begrazingsbeheer dat op grote oppervlakten wordt gevoerd, en mogelijk hebben ook de konijnen op dit eiland wat minder te lijden gehad van virusziekten. Aan de andere kant is ook op Vlieland de Tapuit sterk in aantal achteruitgegaan. Van deze vogelsoort resteert nog slechts een tiental territoria. De zeereep is op het grootste deel van het eiland zeer smal. Een uitzondering vormen de duincomplexen op de Vliehors, waar actieve duinvorming plaatsvindt en waar de hele reeks van onbegroeide primaire strandduintjes, Biestarwegrasduintjes en Helmduinen te vinden is. Deze Embryonale duinen (H2120) en Witte duinen (H2110) zijn arm aan plantensoorten, maar herbergen op de Vliehors wel een aantal bijzondere paddenstoelen, waaronder de Duinstinkzwam (Phallus hadriani). Op Vlieland bevinden zich binnen het oudere duingebied meeuwenkolonies en een lepelaarkolonie. Op andere eilanden liggen dergelijke kolonies doorgaans in het Natura 2000-gebied Waddenzee. Jaarlijks broeden duizenden paren Zilvermeeuw en Kleine mantelmeeuw en honderden paren Stormmeeuw verspreid over het hele duingebied. Opvallend schaars is de Kokmeeuw met slechts enkele tientallen paartjes. Na de vestiging in de jaren 1980 is het aantal lepelaars gestegen tot meer dan 200 paar. Soms broeden ze in de Kroonspolders, maar in recente jaren vooral in het duin rond de Oude Eendenkooi. Andere water- en wadvogels die in grote aantallen in het duin broeden, zijn Eidereend, Bergeend en Wulp. Kiekendieven speuren het gehele duingebied af, tijdens hun zoektocht naar voedsel. De Blauwe kiekendief is schaars geworden, maar de Bruine kiekendief is nog algemeen. De Velduil is op Vlieland helaas vrijwel verdwenen. De meeuwen hebben in het duin een merkwaardig effect op de plantengroei, doordat met de uitwerpselen zowel stikstof als kalk in de vorm van schelpenrestanten in de bodem terechtkomen. Op de plaatsen die de vogels als uitkijkpost gebruiken, meestal hogere duinkopjes, wordt de vegetatie door genoemde factoren en tred omgevormd tot een begroeiing die nog het meeste lijkt op een onkruidenbegroeiing van een akker, met soorten als Paarse dovenetel (Lamium purpureum) en Herderstasje (Capsella bursapastoris). Op de hellingen in de meeuwenkolonies en aan de randen hiervan wordt in de droge duingraslanden als bijzonderheid Kaal biggenkruid (Hypochaeris glabra) aangetroffen. In de Meeuwenduinen en rond het militaire kamp zijn hogere Duindoornstruwelen (H2160) aan te treffen, met naast de naamgevende soort ook Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), Wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum), Smalle stekelvaren (Dryopteris carthusiana), Mannetjesvaren (Dryopteris filixmas), Knikkend wilgenroosje (Chamaerion angustifolium) en diverse soorten bramen, waaronder de bijzondere Beerkambraam (Rubus thallasarctos). Deze laatste is slechts bekend van Texel, Vlieland en Terschelling. De vogelbevolking van deze struwelen is rijk aan zangers als Braamsluiper, Grasmus en Nachtegaal. Hoge struwelen met Duindoorn (Hippophae rhamnoides) zijn trouwens maar weinig aan te treffen op het eiland. De meeste struwelen bestaan uit wilgen. Waar Kruipwilg (Salix repens) in valleien domineert, is sprake van habitattype 2170. Vooral ten noorden van de Oude Eendenkooi en in de Vallei van het Veen neemt het habitattype grote oppervlakten in. De bossen op Vlieland zijn rijk aan bosvogels, met Havik, Sperwer, Buizerd en Boomvalk aan de top van de voedselketen. Opvallend zijn de grote aantallen Houtsnip, maar ook de Grote bonte specht is talrijk. Verder zijn onder andere Fluiter, Goudhaan, Grauwe en Bonte vliegenvanger, Zwarte mees, Kleine barmsijs en Appelvink aanwezig. De Kroonspolders en de hieraan grenzende stuifpoldertjes omvatten de grootste oppervlakte aan vochtige valleien (H2190) van Vlieland, hoewel ook tussen bijvoorbeeld de Lange Paal en de Nieuwe Kooi, rond de Oude Eendekooi en de Vallei van het Veen natte duinvalleien aanwezig zijn. In de Kroonspolders is mooi de successie van natte duinvalleien te bestuderen, doordat de verschillende polders na elkaar zijn aangelegd. In de Eerste Kroonspolder, die geheel van de zee is afgesloten, domineert (naast open water) een soortenrijke moerasgemeenschap van basenrijke standplaatsen, die hier, doordat ze gemaaid wordt, het aanzien heeft van een grasland. Het betreft de Knopbiesgemeenschap (Junco baltici-Schoenetum nigricantis), waarin tal van zeldzaamheden optreden, zoals Vleeskleurige orchis (Dactylorhiza incarnata), Moeraswespenorchis (Epipactis palustris), Grote muggenorchis (Gymnadenia conopsea), Knopbies (Schoenus nigricans), Parnassia (Parnassia palustris), Sierlijke vetmuur (Sagina nodosa), Armbloemige waterbies (Eleocharis quinqueflora) en Groenknolorchis. De grootste populatie van deze laatste soort op Vlieland bevindt zich trouwens ten westen van het voormalige cavalerieschietkamp, in een jonge duinvallei op de Vliehors. In de Eerste Kroonspolder zijn duidelijk tekenen van verzuring aanwezig in de vorm van Moerasstruisgras (Agrostis canina) en Veenpluis (Eriophorum angustifolium). De berm van de verharde weg die aan deze vallei grenst, is opvallend soortenrijk en vertoont nog de meeste overeenkomst met de heischrale graslanden van het Nardo-Galion saxatilis, met soorten als Tandjesgras (Danthonia decumbens), Gewone vleugeltjesbloem (Polygala vulgaris) en voor degene die de moeite neemt om door de knieën te gaan en goed te zoeken ook Gelobde maanvaren (Botrychium lunaria). Ook in de Tweede Kroonspolder zijn Knopbiesbegroeiingen aan te treffen, maar hier zijn ook nog kwelderbegroeiingen aanwezig (H1330). De laatste nemen in de overige Kroonspolders een nog veel grotere oppervlakte in, sinds deze recent weer in verbinding zijn gebracht met de zee. Het zijn vooral begroeiingen van de lage kwelder die de boventoon voeren, met soorten als Gewoon kweldergras (Puccinellia maritima), Lamsoor (Limonium vulgare), Zeeaster (Aster tripolium), Zeebies (Bolboschoenus maritimus) en Zilte rus (Juncus gerardii). Op de laagste delen groeien vooral Kortarige zeekraal (Salicornia europaea), Klein schorrenkruid (Suaeda maritima), Fioringras (Agrostis stolonifera) en Melkkruid (Glaux maritima). Dergelijke begroeiingen nemen ook sterk toe aan de oostzijde van de Vliehors. Blijkbaar wordt deze zandplaat steeds hoger, waardoor de jarenlang onbegroeide delen nu een kweldervegetatie dragen. De Vijfde Kroonspolder wijkt van de overige polders af, doordat ze in open verbinding staat met de Vliehors. Tegen de duinvoet hebben zich hier fraaie begroeiingen ontwikkeld met Rood zwenkgras (Festuca rubra), Kwelderzegge (Carex extensa), Zeeweegbree (Plantago maritima), Schorrezoutgras (Triglochin maritima), Rode ogentroost (Odontites vernus subsp. serotinus) en Fraai duizendguldenkruid (Centaurium pulchellum). Plaatselijk hebben zich hierin Armbloemige waterbies en Knopbies gevestigd, een eerste aanzet tot de ontwikkeling van de Knopbiesgemeenschap. In de Kroonspolders en andere moerassige laagten zijn veel moerasvogels te vinden. Talrijk zijn Rietzanger en Sprinkhaanzanger met daarnaast een keur aan schaarse soorten als Waterral, Porseleinhoen, Blauwborst en Baardman. Ook de zeldzame Roerdomp en Snor zijn hier aanwezig. De Koekoek kan hier menige waardvogel vinden en is dan ook rijkelijk aanwezig. In 1994 vestigden zich aalscholvers op de Dode Dijk in de Tweede Kroonspolder. Deze kolonie is intussen sterk gegroeid en herbergde in 2005 meer dan 1.300 nesten. Dit is verreweg de grootste kolonie van deze soort op de Waddeneilanden. De Kroonspolders hebben tevens een belangrijke rol als hoogwatervluchtplaats voor op het wad foeragerende wadvogels. Vooral Kluut, Rosse grutto, Wulp, Regenwulp en Bonte strandloper overtijen in groten getale.

Literatuur

de Vries 1946a, 1946b; Spaans & Swennen 1968; Westhoff & van Oosten 1991; Grootjans et al. 1995; de Roos en Westhoff 1996; de Roos & Janssen 2000; de Boer 2002; van Gennip & Knotters 2002; Haveman & Hornman 2004.

De Kroonspolders op Vlieland geven de naam aan een reeks achterduinse strandvlakten die ooit zijn bedijkt met het oog op de uitbreiding van het areaal aan landbouwgrond. De functie hebben ze slechts kort bekleed en momenteel behoren ze tot de beste voorbeelden van kalkrijke duinvalleien in ons land.
De grote kolonies van de Lepelaar maken Nederland uniek in Noordwest-Europa. De soort broedt in moerassen, duinen en op kwelders. De populatie is de laatste twee decennia aanzienlijk uitgebreid; zo zijn inmiddels alle Waddeneilanden gekoloniseerd. In het binnenland is de soort echter op enkele plekken als broedvogel verdwenen.
Addertong (Ophioglossum vulgatum) wordt in de duinen het meest aangetroffen in een Duinrietgemeenschap, die is beschreven als een naar beide soorten genoemde rompgemeenschap van de klasse Parvocaricetea. In de Eerste Kroonspolder groeit de soort tevens in een vegetatie die sterk verwant is aan de Associatie van Harlekijn en Ratelaar (Rhinantho-Orchietum morionis), maar waarin de zeldzame Harlekijn (Anacamptis morio) vooralsnog ontbreekt.