Norgerholt

Gebiedsnummer
22
GebiedsnaamNorgerholt
Status
Habitatrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Noordenveld
Provincie
Drenthe
Voortouwnemer
provincie Drenthe
Sitecode HR
NL2003034
Totale oppervlakte in hectare
26
Oppervlakte HR in hectare
26

Kenschets

Het Norgerholt is een bosrelict in het noorden van Drenthe, waarin plaatselijk majestueuze Hulstbomen domineren. Dit Eiken-Hulstbos behoort tot de betere voorbeelden in ons land van het habitattype Beukeneikenbossen met hulst.

Landschap

Het Norgerholt ligt op de zandrug tussen de Slokkert, een bovenloop van het Groote Diep, en het Oostervoortse Diep, die zich beide hebben ingesleten in het Drents Plateau. De bodem van het Norgerholt bestaat uit lemig zand, met plaatselijk een ondergrond van keileem, een getuige van de invloed die de noordelijke gletsjers hier eertijds hadden. De bodem is voor het grootste deel ongestoord, een unieke omstandigheid in een land waar vrijwel alles op de schop is geweest. De eerste vermelding van het Norgerholt stamt uit 1595, en maakt duidelijk dat er toen al een bos aanwezig was. Met zekerheid kan gezegd worden dat sinds 1650 regelmatig hout verkocht is uit het bos en dat vanaf 1684 bomen geplant zijn. In 1962 kocht de Vereniging Natuurmonumenten het bos van de boermarke vanwege de hoge ouderdom, de botanische rijkdom en de aanwezigheid van zeldzame bramensoorten, en sinds die tijd is een beheer gevoerd van niets doen. Slechts de exotische boomsoorten, in het bijzonder Amerikaanse eik (Quercus rubra) en Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), zijn in de jaren zestig van de vorige eeuw verwijderd. Het bos is mede hierdoor structuurrijk met veel liggende en staande dode bomen.

Het bos wordt door verharde en onverharde wegen doorsneden, en vanwege de geïsoleerde ligging is er veel invloed vanuit het omringende landbouwgebied. Natuurmonumenten heeft de laatste jaren echter veel landbouwgronden rondom het Norgerholt aangekocht, waardoor dit negatieve effect waarschijnlijk zal verminderen. Andere bedreigingen worden gevormd door huttenbouwerij en de stort van tuinafval.

Gedurende de laatste jaren is het bosgebied iets natter geworden door betere hydrologische isolatie. Vooral in de winter blijft in komvormige laagten langdurig water staan, waardoor er meer dynamiek in het bos is en de ruimte voor processen als natuurlijke bosverjonging toeneemt.

In het Norgerholt reikt de Hulst (Ilex aquifolium) op veel plaatsen tot in de boomlaag. Hulst is een groenblijvende struik of loofboom die de laatste jaren in ons land aan een opmars bezig is. Deze uitbreiding houdt verband met het meer gesloten (donkerder) worden van de droge bossen als gevolg van het stoppen van het hakhoutbeheer op veel plaatsen sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw.

Natuurwaarden

Een belangrijk deel van het Norgerholt bestaat uit eikenbos met Zomereik (Quercus robur), waarin Hulst (Ilex aquifolium) een tweede boomlaag vormt. Het betreft een vorm van het habitattype 9120 waarin de Beuk (Fagus sylvatica) vrijwel geheel ontbreekt. Onder een dicht hulstdak zijn in de kruidlaag weinig soorten te vinden, maar waar Hulst een minder dicht kronendak vormt, kunnen diverse soorten de bosbodem bedekken. Dit is ook het geval langs de paden. Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum) - plaatselijk dichte haarden vormend - Lelietjevandalen (Convallaria majalis), Bosanemoon (Anemone nemorosa), Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum), Bosgierstgras (Milium effusum), Ruige veldbies (Luzula pilosa) en Dalkruid (Maianthemum bifolium) wijzen op de ouderdom van de groei plaats. Datzelfde geldt voor de botanische bijzonderheid van het Norgerholt, Bosmuur (Stellaria nemorum), waarvan twee ondersoorten zijn aangetroffen. De ondersoort die wel als Norger bosmuur (Stellaria nemorum subsp. montana) onderscheiden wordt, werd hier in 1924 ontdekt. Het Norgerholt is de enige locatie waar deze ondersoort in ons land wordt aangetroffen. De dichtstbijzijnde groeiplaatsen liggen in de Ardennen en het noorden van SleeswijkHolstein. Het is onduidelijk hoe deze ondersoort hier is terechtgekomen. In het bos zijn diverse bijzondere bramensoorten aangetroffen, die aan het bos een 'regionale kleur' geven. Voorbeelden zijn de Witte grondbraam (Rubus arrhenii), de Sierlijke woudbraam (Rubus pedemontanus) en de Mummelschuil braam (Rubus contritidens). De eerste twee zijn wijdverspreide soorten van oude bossen, de derde is een regionale soort van het oude cultuurlandschap. In Nederland is de Witte grondbraam vooral aangetroffen in Drenthe, maar komt daarnaast ook in de Gelderse Vallei voor. De Sierlijke woudbraam, met zijn karakteristieke drietallige bladeren met lange, opgezette spitsen, is behalve in Drenthe ook gevonden in Twente, de Achterhoek en in Zuid-Limburg. Vooral aan de randen van het bos kunnen de bramen imposante mantels vormen, waarin dan Hulst en Hazelaar (Corylus avellana) veelal de hoge struiklaag vormen en waarin Wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum) door de bramen en struiken slingert. Op de bramen in het Norgerholt is vroeger eenmaal de Tweekleurige bramenluis (Macrosiphium funestum) gevonden, een soort die buiten het Norgerholt nog niet in ons land is aangetroffen. Aan broedvogels vinden we in het Norgerholt diverse kenmerkende soorten van oud loofbos, waaronder Zwarte specht, Kleine bonte specht, Fluiter, Glanskop en Boomklever.

Literatuur

Hille Ris Lambers 1950; Broekmeyer et al. 1995; den Ouden 1998; Bijlsma et al. 1996; Stortelder et al. 2006.