Bargerveen

Gebiedsnummer
33
GebiedsnaamBargerveen
Status
Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Emmen
Provincie
Drenthe
Sitecode HR
NL2000002
Sitecode VR
NL2000002
Totale oppervlakte in hectare
2083
Oppervlakte HR in hectare
2083
Oppervlakte VR in hectare
2083

Kenschets

Het Bargerveen in het zuidoosten van Drenthe is een van de waardevolste hoogveengebieden van ons land. Het vormt het laatste restant van het ooit zeer uitgestrekte Boertangerveen en herbergt een aantal zeldzame planten en dieren, waaronder grote populaties van Adder, Gladde slang en Heikikker. Als een van de weinige veengebieden in ons land bevat het nog enkele kleine gedeelten met vrijwel onaangetast hoogveen.

Hoogveenvorming
Door de vernatting hebben zich in het Bargerveen in veel compartimenten weer drijftillen en slenkbegroeiingen gevormd, die worden gedomineerd door Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum), Veenpluis (Eriophorum angustifolium) en, in een later stadium, Fraai veenmos (Sphagnum fallax).

Landschap

In de Noordwest-Europese laagvlakte omvatte het Boertangermoeras een van de grootste aaneengesloten hoogvenen. Het ongeveer 230.000 ha grote gebied bestond uit een westelijke tak ten oosten van de Hondsrug (de Oostermoerse Venen) en een oostelijke tak in het Nederlands-Duitse grensgebied (het Boertangerveen). Het Bargerveen ligt aan de zuidrand van dit voormalige hoogveengebied. Doordat deze hoek iets hoger ligt dan het centrale deel van het voormalige Boertangerveen, begon de veengroei hier pas relatief laat (vanaf circa 4500 voor Chr.), toen het waterpeil in het hele veengebied steeg. Het oorspronkelijke hoogveen bestond uit een complexe structuur van vele grote veenlichamen, die van elkaar gescheiden werden door lager gelegen contactzones. In het centrum van de veenlichamen bevonden zich op tientallen plaatsen hoogveenmeren (meerstallen). De grootste meerstal had in het Boertangerveen een oppervlak van 20 km2. Vanuit de randzone van het hoogveengebied werd het water afgevoerd door veenbeekjes en grotere veenbeken als Hunze, Reest en Schoonebeekerdiep. Het Boertangerveen is vanaf de Middeleeuwen geleidelijk afgegraven. Van de randzone en de kleine veenbeken is nu niets meer over. In het Bargerveen is de vervening pas relatief laat begonnen, aan het eind van de 19de eeuw, maar ze ging wel lang door (tot in 1992). Ondanks de turfwinning is in het noordelijke deel een van de laatste meerstallen in ons land bewaard gebleven. Door de geringe grootte (diameter circa 45 m) is deze waterplas in de loop der tijd geheel verland.

Het huidige Bargerveen omvat ruwweg drie deelgebieden. Het Meerstalblok in het noorden bestaat uit vergraven en ontwaterd hoogveen met daarin kleine kernen onvergraven, levend hoogveen. Het centrale deel, het Amsterdamsche Veld, is tot op het restveen afgegraven. Het zuidelijk gelegen Schoonebekerveld kent een afwisselend landschap met deels vergraven hoogveen en bovenveengraslanden op ontwaterd, maar weinig vergraven veen. De restanten van de bovenveencultuur zijn verspreid in het gebied aanwezig in de vorm van graslanden met slagenverkaveling, ondiepe boekweitgreppels en enkele oude huisjes.

In het Bargerveen zijn door Staatsbosbeheer al vanaf de jaren 1970 allerlei maatregelen getroffen die zijn gericht op hoogveenherstel. Om water vast te houden zijn dammen aangelegd en 'lekken' in de zandige ondergrond gedicht. Een wezenlijke maatregel was het in 1997 dichten van de verlengde Noordersloot, een tot vijf meter diepe leiding welke in de jaren 1960 dwars door de uitloper van de Hondsrug was gegraven. Recent is aan de noordzijde met Europese subsidie een stelsel van leemdijken en waterbekkens gerealiseerd. In combinatie met nog in te stellen buffergebieden lijkt aan die zijde een optimale waterhuishouding te zijn bereikt. Aan de zuidzijde wordt een vergelijkbare aanpak nagestreefd, om een goede buffering tussen natuur en landbouw te bereiken. Ondanks alle maatregelen blijkt het lastig om de complexe hydrologische situatie in een levend hoogveensysteem te re genereren. Zo is de kenmerkende sponswerking van de bovenste veenlagen in het restveen vermoedelijk onherstelbaar aangetast. Het effect van al deze ingrepen is nogal wisselend en mede afhankelijk van de uitgangssituatie.

Klapekster
De Klapekster is een opvallende soort die in ons land tegenwoordig alleen als doortrekker en wintergast te boek staat, onder meer in hoogveengebieden als het Bargerveen. Als broedvogel is deze zangvogel uit de familie van klauwieren sinds 2002 uit Nederland verdwenen.

Natuurwaarden

De hoogveenvegetatie in het Meerstalblok is relatief goed bewaard gebleven. In de centrale meerstal in dit gebied ligt een van de best ontwikkelde restanten levend hoogveen in ons land (H7110). De vegetatie wordt hier gekenmerkt door diverse veenmossoorten, waaronder Hoogveenveenmos (Sphagnum magellanicum), Wrattig veenmos (Sphagnum papillosum), Vijfrijig veenmos (Sphagnum pulchrum) en Rood veenmos (Sphagnum rubellum), en verder door Beenbreek (Narthecium ossifragum), Rode bosbes (Vaccinium vitisidaea), Kraaihei (Empetrum nigrum), Lavendelhei (Andromeda polifolia), Kleine veenbes (Vaccinium oxycoccus), Tengere heideorchis (Dactylorhiza maculata subsp. elodes) en de enige resterende populatie in ons land van Lange zonnedauw (Drosera longifolia) en haar bastaard met Ronde zonnedauw (Drosera x obovata). In 1966 werden hier de uiterst zeldzame soorten Bruin veenmos (Sphagnum fuscum) en Veengaffeltandmos (Dicranum bergeri) aangetroffen, waarvan de laatste sindsdien nooit meer is waargenomen. In dit kerngebied komen nog enkele andere, kleinere, voormalige meerstallen voor met goed ontwikkelde hoogveenbulten. Enkele voormalige meerstallen zijn door vernatting weer geïnundeerd. Deze waterplassen met een spaarzame begroeiing zijn in veel gevallen herkenbaar aan de dominantie van Snavelzegge (Carex rostrata), die in dit deel van het Bargerveen vrijwel beperkt is tot voormalige meerstallen. Een groot deel van het herstellend hoogveen (40) wordt nu nog in beslag genomen door natte heide (Ericetum tetralicis). Plaatselijk gaat het om fraai ontwikkelde vormen met een hoge abundantie van soorten als Veenbies (Trichophorum cespitosum subsp. germanicum), Beenbreek, Kussentjesveenmos (Sphagnum compactum), Week veenmos (Sphagnum molle), Zacht veenmos (Sphagnum tenellum), Veendubbeltjesmos (Odontoschisma sphagni) en diverse korstmossen van het geslacht Cladonia. Grote delen van het Amsterdamsche Veld en het Schoonebekerveld zijn volledig verveend. Door verhoging van de waterpeilen zijn grote plassen ontstaan, die een ideale slaapplaats vormen voor ganzen en eenden, maar waar de hoogveenvorming stagneert. Wel komen hier uitgestrekte velden met Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum) voor. De grootste delen bestaan hier uit droge heide (H4030) met hier en daar wat natte heide (H4010). De heide wordt opengehouden door een kudde Schoonebeeker heideschapen. De overgangen van de drogere gronden op de uitloper van de Hondsrug naar de lagere, onder water staande delen hebben goede potenties voor hoogveenontwikkeling. In het zuidelijke gebied liggen diverse bovenveengraslanden, jaarlijks gemaaide cultuurlandjes, die op onvergraven hoogveen zijn ontstaan na beëindiging van de boekweitcultuur. De graslanden vertonen verwantschap met heischrale graslanden (Nardo-Galion saxatilis) en vallen vooral op door het talrijke voorkomen van Welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia). Op overgangen naar begroeiingen van het Carici curtae-Agrostietum caninae komen Heidekartelblad (Pedicularis sylvatica) en Addertong (Ophioglossum vulgatum) voor. Een deel van de bovenveengraslanden is door recente waterstandverhogingen verloren gegaan. Waar het Nardo-Galion goed is ontwikkeld, worden deze graslanden beschouwd als vormen van het prioritaire habitattype 6230. De bovenveengraslanden herbergen een zeer grote populatie van de Aardbeivlinder (Pyrgus malvae), waarvan de rupsen zich voeden met Tormentil (Potentilla erecta). De insectenfauna in het Bargerveen wordt verder gekenmerkt door diverse zeldzame hoogveensoorten. Bij de libellen is een populatie van de Noordse glazenmaker (Aeshna subarctica) van belang. Deze soort komt van nature voor in oligotrofe tot mesotrofe veengebieden, zoals in de randzone van weinig beïnvloede hoogveengebieden (laggzone). De bedreigde Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum) heeft in het Meerstalblok de grootste populatie in ons land. Ook onder een minder bekende insectengroep als zweefvliegen zijn de aantallen soorten niet hoog, maar gaat het wel om zeldzame specialisten. De elders in het land zeldzame, fraai zwartgeel gestreepte Seri comyia lappona komt hier algemeen voor, evenals de boreale soort Eristalis anthophorina en de recent nieuw voor de wetenschap beschreven Sphaerophoria potentillae. De larven van Sericomyia lappona leven in drijvende veenmospakketten. De larven van Snavelzeggeplatvoetje (Platycheirus perpallidus) voeden zich met een bladluissoort die leeft op Snavelzegge. Voor de volwassen zweefvliegen is Beenbreek in dit gebied een belangrijke bron voor stuifmeel en daarmee vervullen de zweefvliegen en passent een rol bij de bestuiving van deze plant. Onder de loopkevers valt niet alleen het voorkomen van diverse zeldzame hoogveensoorten op, waaronder de Goudrandloopkever (Carabus nitens) en de Turfloopkever (Agonum ericeti), maar ook de talrijkheid van diverse grote, wat minder zeldzame soorten. Mede dankzij dit aanbod van grote insecten is het gebied momenteel het belangrijkste broedgebied in Nederland voor de Grauwe klauwier. In topjaren broedden er meer dan honderd paren, recentelijk enige tientallen. Het Bargerveen is ook voor vele andere broedvogelsoorten van heide- en veengebieden van groot belang, zoals Geoorde fuut, Porseleinhoen, Nachtzwaluw, Blauwborst, Paapje en Roodborsttapuit. Door het vernatten van het gebied broeden hier ook watervogels als Bergeend, Zomertaling, Slobeend en Waterral. Er is een grote kolonie kokmeeuwen gevestigd en er broeden kleine aantallen Zwarte stern, Visdief en Zwartkopmeeuw. Het Bargerveen is een van de weinige plaatsen op het vasteland waar in recente jaren wel eens een Velduil of een Blauwe kiekendief heeft genesteld. In de winter is het een belangrijk gebied voor de Toendrarietgans en ook zijn er dan taigarietganzen te vinden. Klapekster en wederom de Blauwe kiekendief maken het winterbeeld compleet.

Literatuur

Casparie 1972; Bos 1975; Streefkerk & Oosterlee 1984; Jansen & Oosterveld 1987; Streefkerk & Casparie 1987; Ganzevles 1992; van Leeuwen 1992; Jansen et al. 1994; van Leeuwen 1996; van Walsum et al. 1998ab; Helmig et al. 2000.