Zwin en Kievittepolder

Gebiedsnummer
123
GebiedsnaamZwin en Kievittepolder
Status
Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Sluis, Vlissingen
Provincie
Zeeland
Sitecode HR
NL3009018
Sitecode VR
NL3009018
Totale oppervlakte in hectare
121
Oppervlakte HR in hectare
121
Oppervlakte VR in hectare
116

Kenschets

Het Zwin is een dynamisch sluftergebied in de monding van de Westerschelde. Ongeveer een kwart van het gebied ligt in Nederland, het grootste gedeelte in België. Het Nederlandse deel omvat een reeks van dynamische duinen, het mondingsgebied van slikken en zandplaten en een achterliggend, zandig schor met zoutvegetatie en een rijk ontwikkelde vloedmerkvegetatie. De kustzone staat bekend om de grote hoeveelheden fossiele haaientanden die hier aanspoelen. Binnendijks liggen enkele gevarieerde natuurterreintjes met populaties van de Kamsalamander en de Boomkikker. De aanwijzing onder de Vogelrichtlijn heeft het Zwin te danken aan de Kleine zilverreiger. Dit was de eerste plek in ons land waar zich geregeld een naar verhouding groot aantal van deze fraaie, zuidelijke soort ophield.

Landschap

Het Zwin is ontstaan vanaf de vijfde eeuw gedurende een reeks van overstromingen aan dit deel van de kust. Aan het begin van de 12de eeuw was dit gebied van slikvlakten en zandplaten, met daartussen de Zwingeul, uitgegroeid tot een indrukwekkende, kilometers brede zeearm, via welke grote schepen af en aanvoeren naar de rijke handelsstad Brugge. De rol als havenstad was Brugge echter niet lang gegund. Vanaf 1150 begon het mondingsgebied geleidelijk te verzanden, waardoor de vaargeul onbruikbaar werd. Plaatsen als Damme en Sluis functioneerden nog enige tijd als havenstad, maar ook hier ging deze functie verloren door verzanding van de vaargeul. In de Tachtigjarige Oorlog lag het Zwin ter hoogte van de grens tussen de strijdende Spanjaarden en Hollanders.

Na de beëindiging van de vijandigheden in 1648 werden grote delen van de kustzone ingepolderd, een proces dat doorging tot aan de aanleg van de Internationale Dijk in 1872 (de huidige grens van het sluftergebied). Op de slikplaten in de riviermonding ontstond omstreeks 1900 een duinenrij, die onderbroken bleef door de Zwingeul. Achter de duinen ontwikkelde zich een schorvegetatie. Het zo gevormde slufterlandschap vindt in ons land alleen in de slufter op Texel een evenknie. Het beheer van het Nederlandse deel van het Zwin is sinds 1939 in handen van het Zeeuws Landschap. Het Belgische deel wordt beheerd door een particuliere natuurbeschermingsorganisatie.

Een probleem met sluftersystemen is dat ze door de overstroming vanuit zee langzaam verzanden en ophogen: de vloed brengt meer zand naar binnen dan er bij eb wordt afgevoerd. Hierdoor hoogt het gebied op, verzoet het lang zaam en verdwijnt op termijn de schorvegetatie. In een verdrag tussen Nederland en België is bepaald dat de Zwingeul open moet blijven, wat de reden is deze met regelmaat uit te graven. Het uitgegraven zand werd op het schor gegooid, die hierdoor hoger kwam te liggen en daardoor inboette aan kwaliteit. Recentelijk is de geul door Rijkswaterstaat opnieuw uitgegraven, waarbij het zand op het strand is gedeponeerd. Het Zwin is hierdoor geworden tot een soort kom, waarin tijdens vloed veel zand bezinkt. Op dit moment wordt bezien hoe het probleem van verzanding kan worden tegengegaan. Als mogelijke oplossingen wordt gedacht aan het afgraven van het schor en aan het ontpolderen van de zuidelijk gelegen Willem-Leopoldpolder.

Binnendijks omvat het Natura 2000-gebied een drietal gevarieerde natuurterreintjes, die in het verleden tot de Zwinvlakte behoorden. Aan de zuidkant ligt de Zwinweide, een onderdeel van de Willem-Leopoldpolder, waarin een restant van de oude Zwingeul te vinden is. In het noordoosten van het Natura 2000-gebied ligt allereerst een uitlopertje van de Oudelandse Polder (bij het Zomerdorp Het Zwin), die net als de Zwinweide is ingedijkt. Ten noorden hiervan bevindt zich de Kievittepolder, een deelgebied dat - door verzanding - op natuurlijke wijze afgesloten raakte van de zeeïnvloed. De eerste twee binnendijkse terreinen vertonen een afwisseling van lage, natte delen waar zout water opkwelt, en hogere, zoete delen met zandige kopjes. In de Kievittepolder is van zoutinvloed geen sprake meer.

Natuurwaarden

Het Zwin is een van de weinige zandige schorren in het Zeeuwse en Zuid-Hollandse estuarium. Het schor lijkt daarom meer op de plaatkwelders van de Waddeneilanden dan op de overwegend kleiige schorren van Zeeland. De lage schorgedeelten langs kreken en in kommen zijn begroeid met Engels slijkgras (Spartina anglica, H1320) en Zeekraal (Salicornia, H1310). Het onbeweide schor bestaat verder uit een zonering van kommen met onder meer Lamsoor (Limonium vulgare), lagere oeverwallen die gedomineerd worden door Gewone zoutmelde (Atriplex portulacoides) en hoge oeverwallen met Strandkweek (Elytrigia atherica). Het betreft allemaal begroeiingen van het habitattype Atlantische schorren (H1330). Op de zandige overgang naar de duinen komt een pioniervegetatie voor van het Zeevetmuurverbond (Saginion maritimae), die gerekend wordt tot het eerder genoemde habitattype 1310. Langs de randen komen vloedmerkbegroeiingen voor. Deze worden zowel aangetroffen tussen de jonge duintjes als aan de rand van het gebied bij de dijk. Diverse van de hier aanwezige vloedmerkplanten zijn in ons land zeldzaam, zoals Zeevenkel (Crithmum maritimum), Gele hoornpapaver (Glaucium flavum), Zeekool (Crambe maritima), Zeebiet (Beta maritima), Kustmelde (Atriplex glabriuscula) en Gelobde melde (Atriplex laciniata). Een deel van deze soorten heeft een zuidelijk verspreidingsgebied, wat verklaart dat ze juist in het Zwin algemener zijn dan elders in ons land. Binnendijks komen in de Zwinweide en de Oudelandse Polder eveneens begroeiingen met zoutplanten voor van de habitattypen 1310 en 1330. Deze weten zich hier te handhaven langs kreekrestanten en in laagten, dankzij de kwel van zout water onder de dijk door. Verrassend is dat ook in deze binnendijkse zilte graslanden veel Lamsoor voorkomt, wat duidt op een hoog zoutgehalte. Andere kenmerkende soorten zijn Gewoon kweldergras (Puccinellia maritima), Zilte rus (Juncus gerardii) en Schorrenzoutgras (Triglochin maritima). De hogere delen van beide terreinen bestaan uit gehooide of begraasde, soortenrijke graslanden met kenmerken van Dotterbloemhooiland (Calthion palustris), Kamgrasweide (Cynosurion cristatus) en Glanshaverhooiland (Arrhenatherion elatioris). Bijzondere soorten hier zijn Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata) en Bevertjes of Trilgras (Briza media). In de Kievittepolder komen in zoetere, vochtige graslanden onder andere Rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa) en Dwergbies (Isolepis setacea) voor. Op zandige kopjes in deze terreinen wordt duingrasland aangetroffen van het Festuco-Galietum trifolietosum, een vorm van habitattype 2130, met veel kleine klavertjes, waaronder de zeldzame Ruwe klaver (Trifolium scabrum), Gestreepte klaver (Trifolium striatum) en Ondergrondse klaver (Trifolium subterraneum) en bijzondere paardenbloemen als Oranjegele paardenbloem (Taraxacum obliquum) en Zandpaardenbloem (Taraxacum laevigatum). Lokaal komen brakke rietruigten met Heemst (Althaea officinalis) in het binnendijkse gebied voor, een voorbeeld van habitattype 6430. De Kievittepolder herbergt ook enkele duinstruwelen met Duindoorn (Hippophae rhamnoides; H2160), waarvan diverse broedvogels dankbaar gebruik weten te maken. De binnendijkse terreinen zijn van belang voor amfibieën en voor weidevogels. Dankzij de aanleg en het onderhoud van drinkputten gedijt hier een grote populatie van de Boomkikker, in het kielzog gevolgd door de Kamsalamander. De soorten komen voor in de Kievittepolder, vanwaar ze, via de Zwinweide, in contact staan met populaties bij Retranchement. In dit, in de Tachtigjarige Oorlog gestichte, vestingstadje leven deze amfibieën eveneens in drinkputten die hier in het verleden zijn aangelegd. De schorren van het Zwin zijn belangrijk als broedgebied voor vogels. Er is een grote kokmeeuwenkolonie gevestigd waartussen af en toe zwartkopmeeuwen een plekje vinden, en er broeden tureluurs, kluten en scholeksters. Vanaf de zeedijk is de Kleine zilverreiger bijna dagelijks waar te nemen tijdens zijn zoektocht naar voedsel in de na vloed achter gebleven plassen. Niet alleen de Kleine zilverreiger vertegenwoordigt de Zuid-Europese vogelbevolking in het Zwin, ook de genoemde Zwartkopmeeuw behoort tot deze groep, terwijl in struwelen en ruige graslanden de laatste jaren ook de zuidelijke Cetti's zanger en Graszanger zijn gehoord. Aan de Belgische zijde werd in 1952 een educatief vogelpark geopend door Graaf Leon Lippens, dat momenteel nog steeds vele bezoekers trekt en van waaruit het Belgische deel van het Natuurgebied kan worden bekeken.

Literatuur

Van Langendonck 1933; Mörzer Bruijns et al. 1953; Jacobusse 1990; van Dort & Leusink 1998; Janssen 2000; Weeda 2002; Jacobusse & Decleer 2003.

Het Zwin, op de grens van Nederland en België, is een grote slufter, die met zijn spectaculaire landschapsvormen een sterke aantrekkingskracht heeft op recreanten. Op de voorgrond massaal bloeiend Jacobskruiskruid (Jacobaea vulgaris).
De Gele hoornpapaver (Glaucium flavum) is een van de vloedmerksoorten met een zuidelijk verspreidingsgebied die in het Zwin worden aangetroffen.