Manteling van Walcheren

Gebiedsnummer
117
GebiedsnaamManteling van Walcheren
Status
Habitatrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Veere
Provincie
Zeeland
Sitecode HR
NL1000020
Totale oppervlakte in hectare
735
Oppervlakte HR in hectare
735

Kenschets

De Manteling van Walcheren is een kalkarm duingebied aan de noordwestrand van Walcheren. Doordat de kust zich hier al gedurende enkele eeuwen terugtrekt, zijn de primaire duinen zeer smal en reiken de oudere duinen tot vlak bij de kustlijn. Het gebied kenmerkt zich door de aanwezigheid van een aantal oude buitenplaatsen. Behalve duingraslanden en vochtige duinvalleien zijn het vooral bossen en duinstruwelen die het aanzien van het landschap bepalen.

Landschap

Het strandwallen land schap dat in de Romeinse Tijd de noordkust van Walcheren vormde, werd vanaf de Vroege Middeleeuwen opgeruimd door de zee. In de negende eeuw trad opnieuw duinvorming op in het gebied dat we nu als De Manteling kennen. Deze duinvorming liep door tot in de Late Middeleeuwen, waarmee het huidige landschap niet veel ouder is dan 600 jaar. De duinen langs de noordwestkust zijn vanaf de Middeleeuwen onderhevig geweest aan erosie door het zeewater en in de loop van de tijd is de kustlijn hier vele honderden meters landinwaarts verplaatst. Daardoor komt het binnenduinlandschap hier tot vlak aan het strand. Het oostelijke deel van de Manteling van Walcheren (het gebied dat bekend staat als Oranjezon) is nog jonger. Omstreeks 1600 had dit duingebied nog het karakter van een groen strand. Vanaf het eind van de 17de eeuw tot in de 20ste eeuw heeft zich hier een breed duingebied ontwikkeld. Vooral in de laatste decennia groeien de duinen ten noorden van Vrouwenpolder sterk.

Vanaf de 17de eeuw zijn in het duingebied van Walcheren tal van buitenhuizen gebouwd door rijke kooplieden uit onder andere Middelburg, vooral in de binnenduinrand. Veel van de bossen in De Manteling zijn aangeplant rond deze buitenhuizen. Een deel van deze buitenplaatsen houdt verband met elzenhakhout, dat in de 15de eeuw is aangeplant. Tot in de 20ste eeuw bleven grote delen van het duin buiten de landgoederengordel stuiven. Waar het duin moest worden vastgelegd, maakte men bij voorkeur gebruik van Helm (Ammophila arenaria) of takken, die in de duinen zelf werden gestoken of gekapt. De kenmerkende eikenbossen van De Manteling zijn in de laatste decennia van de 18de eeuw aangelegd om de daarachter gelegen buitenplaatsen van een 'manteling' te voorzien. Hun hakhoutfunctie verloren ze vanaf het einde van de 19de eeuw, maar nog in 1941 werd geadverteerd met hakhout uit Oranjezon. Nadat de verstuiving aan banden was gelegd, zijn de duinen dichtgegroeid, zodat duingraslanden en duinstruwelen nu het karakter van het gebied bepalen: ruim de helft van het gebied wordt ingenomen door struweel en bos.

Gebrek aan dynamiek, verdroging en verzuring vormen de grootste bedreigingen voor het gebied, waaraan misschien ook de negatieve invloed van recreanten moet worden toegevoegd, die vooral in het zomerseizoen het gebied overspoelen. De drinkwaterwinning Oranjezon, die deels verantwoordelijk was voor de verdroging van het gebied, is recent gestopt met haar werkzaamheden. De grondwaterstanden blijven echter aanzienlijk lager dan vóór het begin van de waterwinning (in 1892) als gevolg van kustafslag en lage peilen in het aangrenzende polderland.

Natuurwaarden

Doordat in De Manteling jonge duinen vrijwel ontbreken, zijn het vooral de planten van het kalkarme duin die in de droge duingraslanden de dienst uitmaken. De belangrijkste waarde van De Manteling wordt echter gevormd door de soortenrijke struwelen en bossen. De diversiteit aan Duindoornstruwelen (H2160) in het gebied is hoog. In en direct achter de zeereep komen Duindoorn-Vlierstruwelen voor, die het pionierstadium van de duinstruwelen vertegenwoordigen. De oudere struwelen in de kalkrijkste delen van het duingebied herbergen een grotere rijkdom aan struikvormers, zoals Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna), Hondsroos (Rosa canina) en Wilde liguster (Ligustrum vulgare). Een opvallende soort in deze struwelen is de Koebraam (Rubus ulmifolius), die in Nederland de kern van haar verspreiding heeft in het Deltagebied. Op Walcheren is de Koebraam zeer algemeen in de duinstruwelen. Een andere kenmerkende en zeldzame braam in deze struwelen is de Slanke haagbraam (Rubus elegantispinosus). Meer landinwaarts zijn berken en Amerikaanse vogelkers (Prunus spinosa) de belangrijkste struweelvormers. Ook hier maken bramen deel uit van de struwelen, maar hier treedt vooral de algemeen in de duinen voorkomende Gedraaide koepelbraam (Rubus vigorosus) op. Een bijzonder fenomeen van De Manteling is het eikenstruweel, dat de buitenplaatsen aan de duinzijde begrenst. Dit struweel is aan de zeezijde slechts enkele tientallen centimeters hoog en aan de landzijde wordt het geleidelijk aan hoger. Behalve Zomereik (Quercus robur) maken Wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum) en Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia) deel uit van dit struweel, dat ondanks zijn geringe hoogte wordt gerekend tot het habitattype Duinbossen (H2180). In de kruidlaag vallen Valse salie (Teucrium scorodonia) en Mannetjesereprijs (Veronica officinalis) op. Waarschijnlijk wordt de dwerggroei van de eiken, die hier in het verleden zijn geplant, veroorzaakt door de extreme klimaatsomstandigheden zo vlak bij de zee (wind en zout). De landgoedbossen hebben een heel eigen karakter. Het betreft statige, opgaande bossen van onder meer Es (Fraxinus excelsior) met een weelderige ondergroei van bijvoorbeeld Robertskruid (Geranium robertianum), Gewoon nagelkruid (Geum urbanum), Dagkoekoeksbloem (Silene dioica) en Bosaardbei (Fragaria vesca). Boskortsteel (Brachypodium sylvaticum), Bosanemoon (Anemone nemorosa) en Slanke sleutelbloem (Primula elatior) gelden als oudbossoorten. In het gebied komen diverse stinzenplanten voor, waaronder Bostulp (Tulipa sylvestris), Wilde hyacint (Hyacinthoides nonscripta), Vroege sterhyacint (Scilla bifolia), Wilde narcis (Narcissus pseudonarcissus) en Witte narcis (Narcissus poeticus). Een bijzonderheid van de duinbossen en duinstruwelen van De Manteling is de Nauwe korfslak (Vertigo angustior). Deze soort heeft een voorkeur voor de wat vochtigere terreingedeelten. Het Zeeuwse Landschap heeft in 1994 en 2001 ongeveer 14 hectare natte duinvallei in Oranjezon hersteld. Deze maatregelen zijn niet zonder succes gebleven. Verspreid in de drie valleien die in 1994 onder handen zijn genomen, zijn inmiddels volop duinvalleisoorten te vinden, zoals Geelhartje (Linum catharticum), Stijve ogentroost (Euphrasia stricta), Parnassia (Parnassia palustris), Kleverige ogentroost (Parentucellia viscosa), Bitterling (Blackstonia perfoliata) en Moeraswespenorchis (Epipactis palustris). Het betreft allemaal soorten die al decennialang niet in het gebied gezien waren. In het westelijk deel van Oranjezon is in 2001 een zeven hectare grote vallei, het Doorndal, hersteld. Daar zijn nu volop Geelhartje, Dwergzegge (Carex oederi subsp. oederi), Krielparnassia (Sagina nodosa), Strandduizendguldenkruid (Centaurium littorale) en Drienervige zegge (Carex trinervis) te vinden. Ook Rugstreeppad en Blauwvleugelsprinkhaan (Oedipoda caerulescens) hebben hier duidelijk van de herstelmaatregelen geprofiteerd. Westelijker, in het gebied van de Eendenkooi en het noordelijk daarvan gelegen binnenduingebied, komen zwak zure duinvalleien voor met veenmossen (Sphagnum), Koningsvaren (Osmunda regalis) en Gerand haarmos (Polytrichum longisetum). Het Natura 2000-gebied is als broedgebied van groot belang voor zangvogels als Nachtegaal, Grasmus en Kneu. Van schaarsere soorten, zoals Sprinkhaanzanger, Goudvink, Boompieper, Ransuil, Zwarte mees en Goudhaantje, broedt vaak meer dan de helft tot de gehele populatie van Walcheren in het duingebied. In de oude eendenkooi vestigde zich in 2003 een kolonie aalscholvers, die inmiddels tot tientallen paren is gegroeid. Waar de duinwaterpartijen voldoende van omvang zijn, broeden Dodaars en Kuifeend. Verder is het gebied in de trektijd, door haar ligging tegen de zeereep, belangrijk als foerageergebied voor lijsters, vinken en andere zangvogels.

Literatuur

Walhout & Twisk 1998; van Dort & den Ouden 1998; van Haperen et al. 1999; van Haperen 2002; Gmelig Meyling & de Bruyne 2006; Haveman & van Haperen 2008.

Onder invloed van de zeewind worden de eikenbossen in de zeereep van de Manteling van Walcheren niet meer dan manshoog, een onverwacht voorbeeld van een natuurlijke bosgrens.
De sierlijke Egelantier (Rosa rubiginosa) is behalve aan haar appeltjesgeur ook goed te herkennen aan de flesvormige bottels.