Wierdense Veld

Gebiedsnummer
43
GebiedsnaamWierdense Veld
Status
Habitatrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Hellendoorn, Wierden
Provincie
Overijssel
Voortouwnemer
provincie Overijssel
Sitecode HR
NL9801018
Totale oppervlakte in hectare
419
Oppervlakte HR in hectare
419

Kenschets

Met zijn afwisseling van heide en hoogveen is het Wierdense Veld een voorbeeld van een herstellend hoogveengebied, gelegen in een komvormige laagte en ingesloten in het dekzandlandschap. Het gebied ligt in West-Twente, tussen Nijverdal en Wierden, en maakte vroeger deel uit van een groot hoogveenlandschap dat zich uitstrekte tot aan de Engbertsdijksvenen. De overgangen van hoogveen naar droge en natte heide zijn rijk aan bijzondere planten en dieren.

Landschap

Het grote hoogveenmoeras waarvan het Wierdense Veld een restant vormt, lag ingeklemd tussen de Sallandse Heuvelrug en de lage stuwwallen van Wierden en Hoge Hexel. Binnen het huidige natuurgebied zijn, als gevolg van dekzandruggen en het vergraven van veen, betrekkelijk grote verschillen in reliëf aanwezig. De dekzandruggen hebben een breedte van 50 tot 300 meter en steken soms wel twee meter boven de lagere delen uit. Deze ruggen maken het gebied goed toegankelijk. De aard en dikte van het veenpakket verschillen sterk, doordat de vervening in het verleden op onregelmatige wijze heeft plaatsgevonden. Op de meeste plaatsen is de veenlaag echter relatief dun (40-80 cm). Tot in de jaren 1960 is in het Wierdense Veld op kleinschalige wijze turf gewonnen, waarvan de boerenputjes nog getuigen. Tegenwoordig ligt het gebied te midden van intensief beheerde landbouwpercelen. Dit heeft geleid tot verdroging en een verhoogde toevoer aan meststoffen in dit van oorsprong natte en voedselarme natuurgebied.

Natuurwaarden

De dekzandruggen worden ingenomen door droge heide (H4030). Deze is op veel plaatsen in meer of mindere mate vergrast met Pijpenstrootje (Molinia caerulea). Waar de heide vitaal is, domineert Struikhei (Calluna vulgaris) en komt Gewone dophei (Erica tetralix) in lage dichtheden voor. Op enkele ruggen wordt Borstelgras (Nardus stricta) in de heide aangetroffen. Juist op deze plekken zijn twee bedreigde paddenstoelsoorten gevonden, de Heideknotszwam (Clavaria argilacea) en de Grijze vorkplaat (Cantharellula umbonata). Wat de fauna betreft is de droge heide onder meer van belang voor Heivlinder (Hipparchia semele), Groentje (Callophrys rubi), Roodborsttapuit (55 broedparen in 2008), Nachtzwaluw en Gladde slang. Tot in de jaren 1990 werd hier het Korhoen nog waargenomen. Het gebied is dan ook een van de potentiële satellietgebieden voor herstel van deze soort vanuit haar laatste refugium, de Sallandse Heuvelrug. Op de lagere delen komt natte heide (H4010) voor, op dunne veengronden die zover afgetakeld zijn dat herstel tot levend hoogveen een kwestie van lange adem zal zijn. Dankzij vernattingmaatregelen is de vergrassing van de heide echter wel teruggedrongen. Plaatselijk zijn Veenpluis (Eriophorum angustifolium) en Eenarig wollegras (Eriophorum vaginatum) abundant. De overgang van natte heide naar hoogveenvegetatie herbergt grote aantallen van het Heideblauwtje (Plebeius argus), waarvan de rupsen de heidesoorten als waardplanten gebruiken. Boven deze open velden klinkt in het voorjaar en het begin van de zomer de melancholische stem van de Wulp. In de laagste delen van het Wierdense Veld komen natte heiden en hoogveenbegroeiingen gezamenlijk voor. Deze delen worden gerekend tot het habitattype Herstellende hoogvenen (H7120). De slenken worden gekenmerkt door Witte en Bruine Snavelbies (Rhynchospora alba, Rhynchospora fusca), Veenbies (Trichophorum cespitosum subsp. germani cum), Kleine zonnedauw (Drosera intermedia), Week veenmos (Sphagnum molle), Zacht veenmos (Sphagnum tenellum) en Kussentjesveenmos (Sphagnum compactum). Op de bulten groeien onder meer Lavendelhei (Andromeda polifolia), Kleine veenbes (Vaccinium oxycoccus), Eenarig wollegras, Hoogveenveenmos (Sphagnum magellanicum) en Wrattig veenmos (Sphagnum papillosum). In een deel van de Prinsendijk is in 1985 een foliescherm geplaatst dat voor een hoger en stabieler waterpeil heeft gezorgd. Hierdoor breiden de veenmosbulten aan de zuidoostzijde van de dijk zich gestaag uit. In voormalige veenputten heeft zich weer een veenmosdek van Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum) ontwikkeld. De veenputten met open water en andere plassengebieden vormen het biotoop voor Dodaars, Wintertaling, Slobeend, Watersnip, Waterral en Porseleinhoen. Aan de Hortmeerweg staat een schaapskooi en liggen enkele plasjes waar in het voorjaar vaak grutto's en regenwulpen overnachten. De libellenfauna van het Wierdense Veld is zeer goed ontwikkeld. Karakteristieke soorten van het hoogveen zijn onder andere de Noordse glazenmaker (Aeshna subarctica), Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis), Venwitsnuitlibel (Leucorrhinia dubia), Noordse witsnuitlibel (Leucorrhinia rubicunda) en Tengere pantserjuffer (Lestes virens). Andere kenmerkende diersoorten zijn de Moerassprinkhaan (Stethophyma grossum), die wijd verspreid is in het Wierdense Veld, en de eveneens algemene Heikikker.

Literatuur

Ebbers & Visschers 1983; van Tweel-Groot 1998; Hazelhorst 2000; Hazelhorst & Huizinga 2000; Tomassen et al. 2005.

Veenmosgrauwkop (Tephrocybe palustris) is een parasitaire paddenstoel van hoog- en laagvenen. De soort leeft op veenmossen die als gevolg daarvan verkleuren en geleidelijk afsterven.