Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

Gebiedsnummer
36
GebiedsnaamUiterwaarden Zwarte Water en Vecht
Status
Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Zwartewaterland, Zwolle
Provincie
Overijssel
Voortouwnemer
provincie Overijssel
Sitecode HR
NL1000005
Sitecode VR
NL9902003
Totale oppervlakte in hectare
1464
Oppervlakte HR in hectare
1080
Oppervlakte VR in hectare
1394

Kenschets

De uiterwaarden ten noorden van Zwolle, waar de Overijsselse Vecht samenstroomt met het Zwarte Water, danken hun bekendheid vooral aan de uitgestrekte Kievitsbloemgraslanden. Het betreft verreweg de omvangrijkste groeiplaats van de Wilde kievitsbloem (Fritillaria meleagris) in ons land en een van de bolwerken van deze soort in Europa. Daarnaast vormen de uiterwaarden een belangrijk rust- en foerageergebied voor weidevogels en voor soorten als Kleine zwaan en Kolgans. In natte, ruige graslanden broeden Porseleinhoen en Kwartelkoning.

Landschap

De vorm van het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is die van een wichelroede waarbij de vork naar het zuiden wijst. Tussen de beide armen van deze vork ligt de stad Zwolle. Ten noorden van de plek waar de Overijsselse Vecht in het Zwarte Water uitmondt, ligt Hasselt. Verder benedenstrooms bevinden zich Zwartsluis en Genemuiden, respectievelijk aan de rechter- en de linkeroever van het Zwarte Water. Langs de rechteroever van de Overijsselse Vecht en in het stroomafwaartse deel van het Zwarte Water omvat het Natura 2000-gebied diverse natuurreservaten van Staatsbosbeheer, waaronder het Genneger Buitenland, het Holter Buitenland en het Veldiger Buitenland. Ten zuiden van de samenvloeiing van Zwarte Water en Vecht liggen terreinen van Landschap Overijssel, zoals Buitenlanden Langenholte, met een deelgebied bij de Agnietenplas, en Maatgraven. De winterdijken in het gebied vormen landinwaarts de begrenzing van het Natura 2000-gebied.

Door de grillige waterstanden ten gevolge van westerstormen zijn de uiterwaarden in dit benedenstroomse gebied nooit intensief in cultuur gebracht. Omdat ze niet zijn geëgaliseerd, zijn de buitendijkse graslanden nog steeds rijk aan reliëf. Het verkavelingpatroon van de percelen is lang onveranderd gebleven en weerspiegelt min of meer de situatie van omstreeks 1850, toen bijvoorbeeld de Vechtdijk bij Buitenlanden Langenholte werd aangelegd. Het traditionele boerenbeheer bestaat uit laat in het jaar hooien en eventueel nabeweiden, een beheer dat gunstig is voor bloei en zaadzetting van de Wilde kievitsbloem. Al met al biedt het Natura 2000-gebied een kleinschalige afwisseling van verschillende typen graslanden (hooilanden, weidegronden en hooiweiden), struwelen, bosjes die al dan niet gebruikt zijn als hakhout, natte strooiselruigten en kleine moerasjes, natuurlijke doorbraakkolken en gegraven plassen met rietzomen en verlandingsgemeenschappen.

Natuurwaarden

De uiterwaarden langs de Overijsselse Vecht en het Zwarte Water herbergen de belangrijkste graslanden met kievitsbloemen (Fritillario-Alopecuretum pratensis; H6510) in ons land. De Wilde kievitsbloem wordt in ons land vooral aangetroffen op plekken waar zand en klei op veen liggen; in het Rivierengebied is dit de contactzone tussen Pleistoceen en Holoceen. De soort groeit hier in weinig bemeste hooiweiden die geregeld overstromen of waar de grondwaterstand in de winter hoog is. Langs het Zwarte Water treedt overspoeling op door inundatie met rivierwater en door opstuwing van water uit het IJsselmeer bij sterke wind. Dankzij de inundaties in de winter blijft de bodem lang koud en kan de Wilde kievitsbloem als bol gewas tot ontwikkeling komen voordat de grassen uitlopen. Wanneer men in het vroege voorjaar de hooilanden overziet, waar jaarlijks op diverse plekken tot miljoenen exemplaren van de soort in bloei komen, kan men zich nauwelijks voorstellen dat het hier om een zeer zeldzaam en uitermate bedreigd begroeiingstype gaat. Toch is dat het geval: niet alleen in ons land maar ook daarbuiten is de Wilde kievitsbloem sterk achteruitgegaan. Samen met de uiterwaarden langs de Loire in Midden-Frankrijk vormen de uiterwaarden langs het Zwarte Water en de Overijsselse Vecht de enige plek in Europa waar de soort nog massaal voorkomt. De graslanden met kievitsbloemen komen in verschillende varianten voor. Begeleidende soorten zijn onder meer Grote vossenstaart (Alopecurus pratensis), Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis), Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus), Gewoon speenkruid (Ficaria verna subsp. verna), Kale vrouwenmantel (Alchemilla glabra) en de zeldzame paardenbloem Taraxacum hollandicum. Op de laagste delen worden overgangen naar Dotterbloemhooiland (Calthion palustris) aangetroffen, met soorten als Gewone dotterbloem (Caltha palustris subsp. palustris), Scherpe zegge (Carex acuta), Tweerijige zegge (Carex disticha) en Echte koekoeksbloem (Silene floscuculi). Op drogere delen komt de typische variant van het Fritillario-Alopecuretum pratensis voor met een hoog aandeel aan algemene gras- landsoorten. Op nog drogere delen worden overgangen gevormd naar Kamgrasweiden (Cynosurion cristati) met als differentiërende soorten onder meer Duizendblad (Achillea millefolium), Madeliefje (Bellis perennis) en Gewone veldbies (Luzula campestris). Door het reliëf in het gebied komen de verschillende varianten vaak binnen eenzelfde perceel voor. Wel overheersen in het zuidelijke deel van het gebied (Buitenlanden Langenholte) de drogere varianten, terwijl in het noordelijke deel de natte variant beter vertegenwoordigd is. De Zijlkolk bij Huis Den Doorn is een waterplas aan de oostzijde van de Overijsselse Vecht. Het betreft een oude arm van de Vecht, die via een zijl (klein sluisje) in de dijk met het achterland in verbinding stond. De zijl diende voor ontwatering en was tevens een overslagpunt voor allerlei landbouwproducten. Langs de Zijlkolk wordt een oud bosje aangetroffen met Zomereik (Quercus robur), Gladde iep (Ulmus minor) en Es (Fraxinus excelsior), dat wordt beheerd als hakhoutbos met overstaanders. Sommige hakhoutstoven zijn enkele honderden jaren oud. Het betreft een van de weinige (fragmentarische) voorbeelden van hardhoutooibos in ons land (H91F0). De bosgemeenschap is een vorm van het Abelen-Iepenbos (Violo odoratae-Ulmetum, subassociatie allietosum) met een soortenrijke ondergroei en veel bolgewassen, waaronder Slangenlook (Allium scorodoprasum), Gewone vogelmelk (Ornithogalum umbellatum) en Gulden boterbloem. Ook wordt in dit bos de Wilde kievitsbloem aangetroffen. Van de overige begroeiingstypen verdienen de natte strooiselruigten en de verlandingsgemeenschappen aandacht. De natte strooiselruigten (H6430) bevatten soorten als Moerasspirea (Filipendula ulmaria), Poelruit (Thalictrum flavum), Moeraslathyrus (Lathryrus palustris), Gewone smeerwortel (Symphytum officinale), Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum) en Rivierkruiskruid (Senecio sarracenicus). De begroeiingen op kleiige gronden behoren doorgaans tot de associatie Valeriano-Filipenduletum (verbond Filipendulion), die op venige gronden veelal tot het Valeriano-Senecionetum fluviatilis (verbond Epilobion hirsuti). Van de verlandingsgemeenschappen zijn de begroeiingen met Krabbenscheer (Stratiotes aloides) van belang (H3150). Enerzijds omdat deze gemeenschappen in het Rivierengebied nog maar zeer weinig voorkomen, anderzijds omdat ze een natuurlijk broedbiotoop vormen voor de Zwarte stern, die in het gebied met enkele tientallen paren nestelt. De meeste sterntjes broeden weliswaar op uitgelegde rietmatjes en vlotjes, maar de Krabbenscheervegetatie (Stratiotetum) wordt ook nog steeds bezocht. Plaatselijk komt (op dijken) Glanshaverhooiland (H6510) voor, en bij Berkumerkolk, ten noordoosten van Zwolle, bevindt zich een mooi stukje stroomdalgrasland (H6120) met verschillende soorten Vetkruid (Sedum). De oeverlanden van het Zwarte Water zijn een belangrijk broedgebied voor soorten van natte, ruige graslanden als Porseleinhoen en Kwartelkoning. De aantallen van de aan waterriet gebonden Roerdomp en Grote karekiet zijn sterk afgenomen, zodat ze nu nog slechts incidenteel worden aangetroffen. Behalve voor broedvogels is het gebied ook van betekenis als rust- en foerageergebied voor Kleine zwaan, Kolgans en Grutto. Tijdens de trek en in de winter zijn de graslanden die af en toe onderlopen, belangrijk voor eenden en ganzen met naast de genoemde soorten ook redelijke aantallen van Smient, Pijlstaart, Slobeend en Meerkoet. De gemeenschappelijke status van Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied leidt slechts zelden tot conflicten, maar in de Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is het wel zaak goed voor ogen te houden welke doelen op welke plekken worden nagestreefd. Behalve voor de kievitsbloemen zijn de graslanden in de uiterwaarden ook van belang voor broedende weidevogels als Kievit en Grutto. De kievitsbloemen kunnen niet tegen bemesting, terwijl kieviten en grutto's juist niet zonder bemesting kunnen. Kievitsbloemen en kieviten gaan dus niet goed samen. In de afzonderlijke deelgebieden wordt daarom gekozen voor een verschillend beheer. Op de meeste plekken wordt een hooilandbeheer zonder bemesting toegepast, maar op een klein aantal percelen wordt een weidevogelbeheer gevoerd, waarbij de graslandpercelen bemest worden met ruige stalmest in combinatie met voorbeweiding of nabeweiding.

Literatuur

Corporaal et al. 1993; Horsthuis et al. 1994; Landschap Overijssel 1999; Kleuver 1999; de Goeij & Krekels 2000; van Tweel-Groot 2002.

Het Fritillario-Alopecuretum pratensis heeft aan het Zwarte Water ten noorden van Hasselt een van de rijkste voorkomens in ons land. Naast de naamgevende Wilde kievitsbloem (Fritillaria meleagris) is Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus) een van de meest opvallende soorten in deze hooilanden. Evenals de kievitsbloemen zijn deze boterbloemen in staat om vroeg in het voorjaar voedselreserves uit de ondergrondse plantendelen te mobiliseren, zodat ze al tot bloei kunnen komen voordat de grassen de overhand krijgen.
Behalve in hooilanden is de Wilde kievitsbloem (Fritillaria meleagris) ook aan te treffen in kleine bossen langs de rivier, zoals hier bij Genne op de oostoever van het Zwarte Water. De naam Fritillaria mel eagris komt van het Latijnse fritillus, wat dobbel beker betekent (vorm van de bloem) en het Griekse meleagris, wat Parelhoen betekent (vanwege de witte vlekjes op de bloem).
De Kwartelkoning is een ranke rallensoort die broedt in moerassige, kruidenrijke graslanden. Door zijn verborgen levenswijze wordt hij weinig gezien, maar des te vaker gehoord: zijn karakteristieke, raspende roep, als van een duim die langs een kam strijkt, is in stille omgeving over een afstand van meer dan een kilometer hoorbaar.