Springendal & Dal van de Mosbeek

Gebiedsnummer
45
GebiedsnaamSpringendal & Dal van de Mosbeek
Status
Habitatrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Dinkelland, Tubbergen
Provincie
Overijssel
Sitecode HR
NL9801064
Totale oppervlakte in hectare
1225
Oppervlakte HR in hectare
1225

Kenschets

Het gebied Springendal en Dal van de Mosbeek ligt op de stuwwal van Ootmarsum in Noordoost-Twente. Het is belangrijk vanwege de aanwezigheid van kalkmoerassen, beekbegeleidende bossen en het voorkomen van Beekprik en Vliegend hert (Lucanus cervus). Vochtige en droge heiden, heischrale graslanden, Jeneverbesstruwelen, bronnen en beekdalgraslanden completeren het beeld.

Landschap

De stuwwal van Ootmarsum is bepalend voor de grote verscheidenheid in dit Natura 2000-gebied. In de voorlaatste ijstijd reikte een van de ijslobben tot in het huidige Dinkeldal en stuwde afzettingen van verschillende samenstelling op. Op veel plaatsen bevindt zich keileem in de stuwwal, plaatselijk tot dicht aan de oppervlakte. In warmere perioden werden door smeltwater erosiedalen gevormd. Deze zijn later deels opgevuld door met water verzadigde grond, die na ontdooien de laagten ingleed.

In de laatste ijstijd werden op de stuwwal dekzanden afgezet. Het reliëf en de verschillende afzettingen zorgen voor een variatie in goed en slecht doorlatende gronden. Als het inzijgende grondwater op een slecht doorlatende laag stuit, stroomt het zijwaarts af en treedt dan uit als een bron. Een groot deel van de bronnen ligt relatief hoog in de flank van de stuwwal, als gevolg van de na de opstuwing scheef gelegen kleilagen. Deze bronnen vormen de basis voor de levensaderen van dit gebied: de Hazelbekke, Mosbeek en Springendalse Beek. Deze beken ontspringen aan de kop van de erosiedalen, waarbij de bronnen op minder dan twee kilometer van elkaar liggen. Daarnaast ontspringen op de stuwwal verschillende kleinere beken. In de dalen komen beekeerdgronden voor met relatief ondiepe grondwaterstanden. Op de voormalige heidegronden van de stuwwal hebben zich podzolgronden ontwikkeld en zijn enkele escomplexen aanwezig met bruine en zwarte enkeerdgronden. De zandgronden hebben een diepe grondwaterstand.

Sporen van eerste bewoning in het gebied dateren uit 4.000-3.100 voor Chr. Uit die tijd stamt ook de meest zuidelijk gelegen hunebed van Nederland, bij Vasse, evenals een groot aantal grafheuvels. Uit de periode tussen 600 voor Chr. en 200 na Chr. dateren de celtic fields, die een aantal jaren geleden ontdekt zijn, onder andere op de Vasserheide. Na het instorten van de potstalcultuur en de invoering van de markenwet, die een einde aan het gemeenschappelijke bezit van de heidevelden maakte, veranderde aan het einde van de 19de eeuw het typische heidelandschap. Grootgrondbezitters kochten grote delen van de heide op, zetten deze om in grasland en (dennen)- bos en legden landgoederen aan. Deze ontginningen zijn nu nog herkenbaar aan de rechthoekige, rationele patronen. De zogenaamde Cirkels van Jannink, in het noordwesten van het gebied, zijn ontginningen uit de jaren 1930. Met de ontginning van de heide onderging het landschap een metamorfose van een open, boomloos gebied naar een jong, besloten boslandschap. Alleen de Manderheide, Vasserheide en de Paardenslenkte zijn nu nog grotere heidevelden die op de stuwwal resteren. De Mandermaten, in het westen van het gebied, vormen een kleinschalig landschap van (in het verleden bevloeide) graslanden die gescheiden zijn door wallen met (voormalig) eikenhakhout.

Natuurwaarden

Langs de Hazelbekke, Mosbeek en Springendalse beek staan bronbossen (H91E0) met een ondergroei van Bittere veldkers (Cardamine amara), Verspreidbladig goudveil (Chrysosplenium alternifolium), Paarbladig goudveil (Chrysosplenium oppositifolium) en verschillende zeggensoorten. Langs de Hazelbekke kunnen daar Alpenheksenkruid (Circaea alpina) en Schedegeelster (Gagea spathacea) aan worden toegevoegd. Plantensociologisch betreft dit het GoudveilEssenbos (Carici remotae-Fraxinetum) en het ElzenzeggeElzenbroekbos (Carex elongatae-Alnetum). Waar de bronnen niet zijn beschaduwd, komen kenmerkende soorten van weidebronnen voor, zoals Groot bronkruid (Montia fontana), Klimopwaterranonkel (Ranunculus hederaceus) en Beekstaartjesmos (Philonotis fontana). De beekbegeleidende graslanden bestaan uit orchideeënrijke Veldrushooilanden en kleine zeggengemeenschappen. In de Springendalse beek zelf komt de Beekprik voor. Deze gebruikt de zonbelichte grindbanken in het bovenstroomse deel van de beek om te paren en eieren af te zetten. In de Mosbeek is de Kleine modderkruiper aangetroffen. De molens van Frans en Bels langs de Mosbeek zijn al vele jaren een bekende broedplaats voor de Grote gele kwikstaart. In de grootste bronvijver op het Springendal komt Drijvende waterweegbree (Luronium natans) voor, in een begroeiing waarin Gewoon bronmos (Fontinalis antipyretica) domineert. Het brongebied van de Mosbeek neemt een unieke plaats in binnen het Natura 2000netwerk. Hier bevindt zich een stroomhoogveentje met op een kleine oppervlakte een grote variatie aan vegetatietypen. De continue toevoer van basenhoudend water voedt een vegetatie met kenmerken van het Campylio-Caricetum dioicae. Het betreft misschien wel het mooiste voorbeeld van Alkalisch laagveen (H7230) in ons land. Kenmerkende soorten zijn onder meer Vetblad (Pinguicula vulgaris), Vlozegge (Carex pulicaris), Armbloemige waterbies (Eleocharis quinqueflora), Veenorchis (Hammarbya paludosa) en Parnassia (Parnassia palustris). Hoger in de gradiënt bevindt zich een heischrale vegetatie (H6230), met onder andere Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe) en Blauwe knoop (Succisa pratensis), en een soortenrijk natte heide (H4010), met onder meer Beenbreek (Narthecium ossifragum). Naast het brongebied van de Mosbeek bevindt zich in de Reuterij nog een tweede groeiplaats van Vetblad en Parnassia. In een bronweide langs de Hazelbekke komen Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata), Ronde zegge (Carex diandra), Kleine valeriaan ( Valeriana dioica), Brede orchis (Dactylorhiza majalis subsp. majalis) en Moerasvaren (Thelypteris palustris) voor. Deze hooilanden zijn een vorm van habitattype 7140. Grotere gebieden met vochtige heide liggen op de Manderheide, het Vassergrafveld en in het noordelijke deel van Paardenslenkte. Op een voormalige maïsakker (de Strengen) verschenen verschillende soorten van natte en droge heide, waaronder Grote wolfsklauw (Lycopodium clavatum), Stekelbrem (Genista pilosa), Kruipbrem (Genista anglica), Moeraswolfsklauw (Lycopodiella inundata) en Kleine zonnedauw (Drosera intermedia). Ook ontwikkelt zich hier een nieuw Jeneverbesstruweel (H51 30), met zo'n 200 juveniele exemplaren van de Jeneverbes (Juniperus communis). Oudere Jeneverbesstruwelen vinden we op de Braamberg en Tutenberg, de Vasserheide, het Ootmarsumer veld, de Manderheide en in het Springendal. Droge heiden met overgangen naar soortenrijke heischrale graslanden komen voor op de Vasserheide, de Manderheide, de Manderstreu en de Paardenslenkte. In Twente vormen deze droge gebiedsdelen het bolwerk van de Zandhagedis en de Hazelworm. De Cirkels van Jannink ontwikkelen zich naar heischraal grasland en droge heide. In de westelijke uitloper van het Natura 2000-gebied leeft in het kleinschalige houtwallenlandschap van de Mandermaten de enige Twentse populatie van het Vliegend hert. De oude houtwallen vormen het leefgebied voor deze soort. De larven ontwikkelen zich in en om de oude stobben van de Zomereik (Quercus robur), terwijl de adulten zich laven aan sapplekken op eiken. Helaas vallen in de zomermaanden met enige regelmaat verkeersslachtoffers onder de grote kevers, omdat dit deelgebied doorsneden wordt met wegen.De Kamsalamander is bekend van enkele poelen in de Manderstreu. De (voor een deel oude) bossen in het Natura 2000-gebied zijn bijzonder rijk aan spechten, waarbij vooral het talrijke optreden van de Kleine bonte specht opvalt. Andere karakteristieke soorten zijn Wespendief, Havik, Fluiter en Appelvink. Geregeld worden raven opgemerkt, maar of ze hier broeden, is de vraag.

Literatuur

Westhoff 1965; Beringen et al. 1994; Eysink et al. 1999; Kleuver 1999; van Tweel-Groot & Horsthuis 2001.

In de befaamde bronweide van de Hazelbekke bepaalt Brede orchis (Dactylorhiza majalis subsp. majalis) het aspect.
De Zompsprinkhaan (Chorthippus montanus), hier een zingend mannetje, is een typische moerassoort. Zijn dispersievermogen is beperkt, omdat de achtervleugels kort zijn en hij niet kan vliegen. Kernen van het voorkomen van deze kwetsbare soort in Nederland zijn Noordoost-Twente, de Achterhoek en de Wieden.
De populatie van Vetblad (Pinguicula vulgaris) in het Dal van de Mosbeek is, met in sommige jaren duizenden bloeiende exemplaren, de grootste van ons land.