Oostelijke Vechtplassen

Gebiedsnummer
95
GebiedsnaamOostelijke Vechtplassen
Status
Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Breukelen, De Bilt, Hilversum, Loenen, Maarssen, Weest, Wijdemeren
Provincie
Noord-Holland, Utrecht
Sitecode HR
NL2003036
Sitecode VR
NL9802060
Totale oppervlakte in hectare
6475
Oppervlakte HR in hectare
4401
Oppervlakte VR in hectare
6475

Kenschets

De Oostelijke Vechtplassen bestaan uit een reeks van laagveengebieden op de grens van Noord-Holland en Utrecht, tussen de Vecht en de Utrechtse Heuvelrug. Het veen in het gebied is op veel plaatsen vergraven, waardoor een afwisseling van land en water is ontstaan met grote plassen, sloten, rietlanden en andere moerassen, graslanden en bossen. Van Europees belang zijn de begroeiingen van open water, restanten trilveen, de grote oppervlakte aan moerasbos, populaties van de Noordse woelmuis, grote aantallen foeragerende vleermuizen en diverse water- en moerasvogels. Samen met de Wieden en Weerribben behoort het gebied tot de belangrijkste laagveenmoerassen van ons land.

Landschap

De Oostelijke Vechtplassen liggen in het lage deel van Nederland waar na de ijstijden veen is gevormd. Het veen groeide in historische tijden tot op de flanken van de stuwwal. In het grootste deel van het gebied lag voedselarm veenmosveen, dat een tot vier meter dik pakket vormde. In de richting van de stuwwal werd het veen dunner en was sprake van matig voedselrijk zeggeveen, als gevolg van invloed van grondwater. Dicht bij de Vecht was het veen vermengd met dunne laagjes klei. Onder invloed van oppervlaktewater ontstond hier relatief voedselrijk bosveen. De afgraving van het veen begon al in de Romeinse tijd, maar vond vanaf circa 1000 na Chr. op grote schaal plaats. De ontginning van het gebied verliep via lange sloten. Deze liepen door tot aan een kade, die het einde van een ontginningseenheid markeerde en in veel gevallen samenviel met een gemeentegrens. Ten westen van Nieuw-Loosdrecht ligt De Ster, een frappante, stervormige ontginning vanaf de rondlopende kade naar de oorsprong van de Drecht in het centrum. Door de ontwatering is het restveen in het hele gebied ingeklonken en deels geöxideerd, waardoor de bodem in de loop der eeuwen enkele meters is gedaald.

Het Natura 2000-gebied bestaat uit een reeks van plassen en moerassen. Het noordelijke deel omvat onder meer de Ankeveense Plassen, het zuiden van het Horstermeer en het Kortenhoefse Plassengebied, waaronder Het Hol. Het middenstuk, ten zuiden van de Kromme Rade (de grens tussen Noord-Holland en Utrecht), bestaat uit onder meer de Loenderveense Plas, de Loosdrechtse Plassen en Breukeleveense Plas en de terreinen Vuntus, De Ster en Weerslootgebied bij Loosdrecht. Het zuidelijke deel, ten zuiden van het Tienhovense Kanaal, maakt deel uit van het zogeheten Noorderpark en omvat onder meer de Bethunepolder, de Tienhovense Plassen, de Westbroekse Zodden en de Molenpolder. Het merendeel van de grote plassen en enkele polders zijn alleen onder de Vogelrichtlijn aangemeld.

Kenmerkend voor de westelijke helft van het gebied - waar het veen het diepst was - zijn grote plassen en droogmakerijen (Horstermeerpolder, Bethunepolder).

De veenplassen zijn ontstaan door vervening en vervolgens erosie van te smalle legakkers. Voor een klein deel (Spiegelplas, Wijde Blik) betreft het diepe zandwinplassen. De Horstermeerpolder is het restant van een meer dat ontstond na een doorbraak van de Vecht. Het meer is, net als de Bethunepolder, in de 19de eeuw volledig drooggepompt en ligt nu enkele meters lager dan de omgeving. In de oostelijke helft van het gebied, dat geleidelijk oploopt in de richting van de Utrechtse Heuvelrug en het Gooi, resteert een afwisseling van legakkers en petgaten in diverse stadia van verlanding, een netwerk van waterwegen dat alleen met kleine bootjes is te verkennen. Het dekzand ligt hier ondiep onder het veen en komt plaatselijk met opduikingen aan de oppervlakte. Het Natura 2000-gebied wordt aan de west- en oostzijde begrensd door een reeks van grote landgoederen, die in de 17de en 18de eeuw door Amsterdamse patriciërs zijn aangelegd op respectievelijk de oeverwallen van de Vecht en de zandgronden van het Gooi.

In de tweede helft van de 20ste eeuw werd het gebied sterk beïnvloed door de grootschalige ruilverkavelingen, die tot doel hadden de landbouw te intensiveren. Dit leidde tot verdere ontwatering en bemesting. Door wegzijging van water naar de lager liggende, merendeels agrarische omgeving trad verdroging van de natuurgebieden op. Verdroging van de veengronden leidt tot afbraak van organische stof en daarmee tot interne eutrofiëring. Ook treedt verzuring op, omdat als gevolg van wegzijging van grondwater naar de diep gelegen droogmakerijen de waterhuishouding sterker wordt beïnvloed door regenwater. Om de verdroging tegen te gaan is vanaf de jaren 1960 voedselrijk Vechtwater ingelaten, wat eveneens tot een hoger aanbod van voedingsstoffen heeft geleid. Dit soort problemen speelt in vrijwel alle laagveenmoerassen in ons land. De waterkwaliteit in veel laagveengebieden is de laatste twintig jaar een stuk verbeterd, doordat de fosfaatbelasting van oppervlaktewater en grondwater is afgenomen en op veel plaatsen de fosfaten uit het oppervlaktewater worden gezuiverd. Een probleem blijft evenwel de last uit het verleden, in de vorm van grote hoeveelheden moeilijk bezinkbaar slib die het water vertroebelen.

In de Vechtplassen zijn slechts op enkele plaatsen de oorspronkelijke, voedselarme condities in stand gebleven, vooral aan de oostkant van het gebied, zoals in Het Hol, de Tienhovense Plassen en de Westbroekse Zodden, waar kwelwater vanaf de Utrechtse Heuvelrug toestroomt. Het Hol heeft een extra goede waterkwaliteit doordat het relatief geïsoleerd ligt ten opzichte van het inlaatpunt van voedselrijk water. Door waterwinning in het Gooi en wegzijging naar de Horstermeerpolder is de kweldruk echter ook hier verminderd, zodat deze uiterst waardevolle natuurreservaten eveneens met verdroging, eutrofiëring en verzuring te kampen hebben. In de laag gelegen Bethunepolder is de toestroom van water juist zo sterk, dat in het verleden veel pogingen om de polder geschikt te maken voor de landbouw of veeteelt zijn mislukt. De polder wordt sinds 1958 gebruikt voor de winning van drinkwater, waarmee een groot deel van het kwelwater uit het gebied wordt gevoerd. In de Landinrichting Noorderpark zijn plannen gemaakt om, met behoud van drinkwaterwinning, het kwelwater te gebruiken voor de ontwikkeling van rietlanden en moerashooilanden. In de eveneens laag gelegen Horstermeerpolder wordt een soortgelijk plan uitgevoerd. Bovendien wordt een deel van het toestromende water, dat van goede kwaliteit is, gebruikt om verdroging in de Kortenhoefse Plassen te bestrijden. Sommige andere reservaten binnen het Natura 2000-gebied, zoals de Molenpolder, hebben een eigen waterhuishouding gekregen, waardoor de kwaliteit verbeterd is.

Een andere belangrijke ontwikkeling in de laatste vijftig jaar is het geleidelijk dichtgroeien van riet- en hooilanden met struweel en bos. Deze successie treedt eveneens in andere laagveenmoerassen op en is een gevolg van het economisch niet meer rendabel zijn van de rietteelt. Nergens in de grote laagveengebieden is het aandeel bos echter inmiddels zo hoog als in de Oostelijke Vechtplassen.

Natuurwaarden

De vegetatie van het Natura 2000-gebied is gevarieerd dankzij de afwisseling van land en water (met allerlei verlandingsstadia), en de verschillen in veendikte, waterkwaliteit en beheer. De hoogste natuurwaarden zijn te vinden in gebieden met goede waterkwaliteit. In de jaren 1940 was de waterkwaliteit zo goed, dat de Loosdrechtse Plassen en de Breukeleveense Plas vrijwel geheel begroeid waren met kranswieren (H3140). De Loosdrechtse Plassen werden in die tijd gevoed met kwelwater uit de Bethunepolder. Een dergelijke vegetatie van helder, onvervuild water wordt nu nog slechts lokaal in het gebied aangetroffen, in kwelsloten en nieuw gegraven petgaten. Over een grotere oppervlakte zijn kranswieren aanwezig in de westelijke Ankeveense Plassen, daar samen met Groot nimfkruid (Najas marina). Algemener is habitattype 3150, dat bestaat uit een watervegetatie van matig voedselrijke, ondiepe petgaten en plassen met ondergedoken en drijvende planten als fonteinkruiden, Groot blaasjeskruid (Utricularia vulgaris), Kikkerbeet (Hydrocharis morsusranae) en Krabbenscheer (Stratiotes aloides). In diepere plassen wordt een vegetatie aangetroffen met veel waterplanten met drijfbladeren, zoals Gele plomp (Nuphar lutea), Witte waterlelie (Nymphaea alba) en Watergentiaan (Nymphoides peltata). Alleen waar grote fonteinkruiden aanwezig zijn, zoals Glanzig fonteinkruid (Potamogeton lucens) of Gekroesd fonteinkruid (Potamogeton crispus), worden deze laatste begroeiingen tot habitattype 3150 gerekend. In de Tienhovense Plassen kwam op zandbodems met weinig veen in het verleden een watervegetatie voor met soorten als Fijne waterranonkel (Ranunculus aquatilis), Gewoon sterrenkroos (Callitriche platycarpa), Naaldwaterbies (Eleocharis acicularis) en de Annex IIsoort Drijvende waterweegbree (Luronium natans). Een dergelijke begroeiing wordt tegenwoordig niet meer in de Nederlandse laagveengebieden aangetroffen. Alleen Naaldwaterbies is nog uit Het Hol en de Tienhovense Plassen bekend. Evenals de Kleinste egelskop (Sparganium natans), die her en der voorkomt, is dit veeleer een soort van heidevennen. Het belang van de goede waterkwaliteit van Het Hol en de Westbroekse Zodden wordt onderstreept door de aanwezigheid van een populatie van de Gestreepte waterroofkever (Graphoderus bilineatus). Deze weet hier al vele jaren stand te houden. Van een andere soort van de Habitatrichtlijn, de Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhina pectoralis), komt een relatief kleine populatie voor, vooral in het petgatengebied rondom Oud-Loosdrecht. Typische laagveenlibellen als Bruine korenbout (Libellula fulva), Vroege glazenmaker (Aeshna isosceles), Glassnijder (Brachytron pratense) en Groene glazenmaker (Aeshna viridis) worden in het Vechtplassengebied veelvuldig gesignaleerd. Onder de vissen zijn Bittervoorn, Kleine modderkruiper en Rivierdonderpad opvallende soorten, en van de beschermde slakken komen Platte schijfhoren (Anisus vorticulus) en Zeggekorfslak in het gebied voor. De Platte schijfhoren (Anisus vorticulus) is van diverse plekken bekend. Deze zoetwaterslak heeft een voorrkeur voor enigszins voedselrijke sloten met een hoge bedekking van waterplanten. Binnen de verlandingsvegetatie worden trilvenen (habitattype 7140) beschouwd als de parels van het laagveenmoeras, dit vanwege hun hoge soortenrijkdom aan vaatplanten en mossen. Trilvenen zijn in de Oostelijke Vechtplassen in de tweede helft van de 20ste eeuw sterk in omvang en kwaliteit afgenomen als gevolg van successie, verslechterde waterkwaliteit, verdroging en verzuring. De resterende voorbeelden in Het Hol, het Weerslootgebied, de Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven en de Westbroekse Zodden behoren echter nog steeds tot de meest waardevolle begroeiingen van het Natura 2000-gebied. Hier worden zeldzame soorten aangetroffen als Groenknolorchis (Liparis loeselii), Veenmosorchis (Hammarbya paludosa), Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata), Ronde zegge (Carex diandra), Draadzegge (Carex lasiocarpa), Klein blaasjeskruid (Utricularia minor) en Paddenrus (Juncus subnodulosus). Het uiterst zeldzame Slank wollegras (Eriophorum gracile) is hier recent verdwenen. Ook onder de slaapmossen komen vele zeldzaamheden voor, waaronder nog enkele plukjes Rood schorpioenmos (Scorpidium scorpioides). Als we kijken naar kleinere organismen, blijken de trilvenen van de Vechtplassen een hoge rijkdom aan Sieralgen (Desmidiaceae) te bevatten, met tal van soorten die in ons land vrijwel alleen hier of in Noordwest-Overijssel voorkomen. Peilverhoging in de natuurontwikkelingsgebieden van de Bethunepolder en de Horstermeerpolder beperkt de wegzijging uit de nabijgelegen moerasgebieden en biedt daarmee perspectieven voor herstel van de soortenrijke verlandingsvegetatie. Op kleinere schaal wordt vooralsnog getracht door middel van plaggen en licht draineren van het regenwater de bestaande trilvenen zo goed mogelijk te behouden. Ook probeert men jonge verlandingsstadia te herstellen vanuit nieuw gegraven petgaten op plaatsen waar nog een relatief goede waterkwaliteit aanwezig is. In het zuidelijke deel van de Vechtplassen komt ook de met trilvenen geassocieerde Galigaangemeenschap (Cladietum marisci) nog veel voor. Dit habitattype (H7210) kan echter veel langer dan trilveen standhouden in een verzurend of verdrogend rietland en ook langs de oevers van plassen. In de meeste terreinen zijn petgaten verland tot begroeiingen van zuurdere omstandigheden, zoals Veenmosrietland (eveneens H7140). Door een maaibeheer kunnen deze begroeiingen jarenlang behouden blijven, maar geleidelijk zullen ze verder verzuren en overgaan in het habitattype Moerasheide (H4010, momenteel zeer zeldzaam in het gebied) of, indien ze droger worden, in schrale graslanden. Ook op legakkers die gemaaid worden en op plaatsen waar dekzand aan de oppervlakte komt, is de bodem droger en zuurder en worden schrale graslanden aangetroffen, waaronder Blauwgrasland (Cirsio dissectiMolinietum; H6410). De beste resterende voorbeelden van Blauwgrasland komen voor in de Oostelijke Binnenpolder bij Tienhoven, Het Hol en - net buiten de grenzen van het Natura 2000-gebied - in de Gagelpolder. Waar rietlanden met lage frequentie gemaaid worden, kunnen zich bloemrijke, natte ruigten ontwikkelen van habitattype 6430. Dergelijke begroeiingen zijn van groot belang voor vlinders en andere insecten. Ook dit type heeft te lijden gehad onder de verslechtering van de waterkwaliteit, maar goede voorbeelden zijn nog steeds aan te treffen in de Kortenhoefse Plassen. Rietlanden, ruigten en natte graslanden zijn tevens van belang voor de Noordse woelmuis en de eveneens bedreigde Waterspitsmuis. Bij recente inventarisaties in het Utrechtse deel van het Vechtplassengebied zijn de hoogste aantallen van de Noordse woelmuis aangetroffen in de Westbroekse Zodden en de Tienhovense Plassen. De soort is tevens uit het Noord-Hollandse deel van het gebied bekend. Bij geen beheer ontwikkelt het rietland zich tot moerasstruweel en moerasbos. De moerasbossen worden gedomineerd door Zwarte els (Alnus glutinosa) of Zachte berk (Betula pubescens). Zowel het elzenbroekbos (Alnion glutinosae) als het berkenbroekbos (Betulion pubescentis) zijn Europees gezien zeldzame bostypen. Waar beide moerasbostypen samen voorkomen, kan het gehele complex als habitattype Veenbossen (H91D0) beschouwd worden, maar strikt genomen is alleen het berkenbroekbos in laagveenmoerassen onder te brengen bij dit prioritaire type. De bossen zijn niet erg soortenrijk, maar zijn toch van belang vanwege hun ongestoorde spontane ontwikkeling en de grote aaneengesloten oppervlakten die ze innemen. Goede voorbeelden zijn onder meer aanwezig in de Kortenhoefse Plassen, de Suikerpot, de Molenpolder en het oostelijke deel van de Loosdrechtse Plassen. Zeldzame soorten moeten vooral in de mossen gezocht worden. Zo komt het Violet veenmos (Sphagnum russowii) in het Vechtplassengebied tamelijk algemeen in het berkenbroek voor. In de Ankeveense Plassen vormt een veenmosrijk elzenbroekbos de enige locatie van Broekbosveenmos (Sphagnum centrale) in ons land. De rietlanden in het gebied zijn van groot belang voor moerasvogels. Geregeld broeden hier zeldzame rietvogels als Woudaap en Roerdomp en er bevindt zich een van de laatste grotere populaties van de Grote karekiet van circa 40 paren. Belangwekkend zijn de kolonies van Zwarte stern en Purperreiger. Beide soorten broedden in recente jaren met zo'n 50 paren op rustige plaatsen in het uitgestrekte plassengebied. De Purperreiger kent twee kolonies, één bij de Waterleidingplas en één bij de Breukeleveense Plas. Daarnaast zijn enkele broedparen in de Ankeveense Plassen aanwezig. Vanaf de jaren 1990 broedt in steile taluds her en der de IJsvogel, met in goede jaren wel zo'n tien paren. In de wintermaanden verblijven flinke aantallen ganzen en eenden op de plassen. Doorgaans komen ze slapen op de grotere open wateren om overdag (ganzen) of 's nachts (eenden) het omringend polderland af te grazen. Ook viseters als het Nonnetje en de Visarend maken 's winters of in de trektijd gebruik van de plassen.

Literatuur

Meijer & de Wit 1955; Creutzberg et al. 1969; Bakker et al. 1976; van den Berg & de Smidt 1985; Braat 1993; Schaminée 1994; Braat 1996; Barendregt et al. 1997; den Ouden & Broekmeyer 1997; de Groot 1999; van Gelderen 2000; Coesèl & van Tooren 2002; Bouwman 2002; Wasscher & de Groot 2002; Boonman 2003; Gmelig Meyling & Boesveld 2008.

De tot 45 cm grote Rietvoorn of Ruisvoorn is in Nederland wijd verbreid, maar wel heel gevoelig voor waterverontreiniging. Het best gedijt de soort in stilstaand water, zoals in laagveenplassen, maar ze wordt ook wel in kleine rivieren aangetroffen.
In weerwil van zijn naam is het volwassen mannetje van de Bruine korenbout (Libellula fulva; rechts) niet bruin. De vrouwtjes (links) doen de naam meer eer aan. Nadat de soort in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw zeldzaam was geworden, neemt ze thans weer in aantal toe. Daarbij beweegt ze meer en meer buiten de laagveengebieden.
In weerwil van zijn naam is het volwassen mannetje van de Bruine korenbout (Libellula fulva; rechts) niet bruin. De vrouwtjes (links) doen de naam meer eer aan. Nadat de soort in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw zeldzaam was geworden, neemt ze thans weer in aantal toe. Daarbij beweegt ze meer en meer buiten de laagveengebieden.
De Ringslang is gemakkelijk te herkennen aan de gele vlekken aan weerzijden van de hals. Voor hun voedsel zijn ringslangen afhankelijk van amfibieën, vooral kikkers, waardoor ze met regelmaat in open water, zoals veenmoerassen, worden gezien. Dan blijkt deze slang een heel goede zwemmer te zijn.