Noordhollands Duinreservaat

Gebiedsnummer
87
GebiedsnaamNoordhollands Duinreservaat
Status
Habitatrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Bergen (NH), Beverwijk, Castricum, Heemskerk, Velsen
Provincie
Noord-Holland
Voortouwnemer
provincie Noord-Holland
Sitecode HR
NL9801080
Totale oppervlakte in hectare
5242
Oppervlakte HR in hectare
5242

Kenschets

Het Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat omvat het duingebied vanaf het Noordzeekanaal bij Wijk aan Zee tot aan de noordgrens van de gemeente Bergen. Samen met de Schoorlse Duinen staan deze duinen ook wel bekend als Noord-Kennemerland. Het Noordhollands Duinreservaat bestaat grofweg uit drie landschapstypen, die gezamenlijk een grote variatie aan habitattypen herbergen. In de directe omgeving van de dorpen Egmond, Wijk aan Zee en Bergen bevinden zich enkele van de beste voorbeelden van het zeedorpenlandschap. Het duingebied tussen Wijk aan Zee en Egmond is een typisch voorbeeld van een kalkrijk duinlandschap. Tussen Egmond en Bergen ligt ten slotte de beroemde kalkgrens van de Hollandse duinen, het overgangsgebied van het kalkrijke naar het kalkarme duindistrict.

Landschap

Het Natura 2000-gebied omvat het gehele Noordhollands Duinreservaat, dat sinds 1920 beheerd wordt door het Provinciale Waterleidingbedrijf Noord-Holland (PWN), alsmede de gemeentelijke duinen bij Wijk aan Zee en Egmond. Een groot gedeelte ten noorden van Egmond, de Wimmenummerduinen, zijn pas in 1992 door de provincie gekocht (van de familie Six), waarna het gebied bij PWN in beheer kwam. Het kalkrijke duingebied heeft een kenmerkende zonering vanaf de kust naar het binnenduin, zoals gedetailleerd beschreven door de duinecoloog Doing. Achter de helmduinen in de zeereep (Alandschap volgens Doing; A staat voor Ammophila) ligt een lange, smalle zone, het Dauwbraamlandschap (Rlandschap; R = Rubus), dat in het Noordhollands Duinreservaat in haar optimale vorm aanwezig is. Dit is een reliëfrijk, kalkrijk, open en relatief dynamisch gebied van paraboolduinen met valleien, waarin de vegetatie telkens opnieuw licht wordt overstoven vanuit de zeereep. Het meer ontkalkte middenduin is opgebouwd uit kamduinen, aaneengesloten reeksen van paraboolduinen, en bestaat voor een belangrijk deel uit struweel en aangeplant bos. Anders dan in de zuidelijke duingebieden wordt deze zone tussen Egmond en Beverwijk door Doing eveneens tot het Dauwbraamlandschap gerekend (en niet tot het Duindoorn- of Hlandschap; H = Hippophae), als gevolg van de kalkrijkdom van het zand en de lokale historie. Hier lag aan het begin van lijke zeestroming elkaar. De zuidelijke stroming voert meer en beter verweerbare schelpen aan dan de noordelijke stroming, wat tot afzetting van kalkrijker zand leidt. Dit zand komt oorspronkelijk van de stroomgebieden van de Rijn en Maas. Het noordelijke zand komt van de zeebodem en is veel langer geleden door gletsjers aangevoerd. Het is witter en mineraalarmer, en betreft feitelijk verweerd bergkristal. Het gebied is door Doing gekarteerd als een mozaïek van R- en Klandschap, met in het uiterste noorden stukken geheel ontkalkt duin van het Buntgraslandschap (Clandschap; C = Corynephorus).

Het Noordhollands Duinreservaat is gespaard gebleven van bebouwing en ontginning dankzij de aankoop van het gebied ten behoeve van waterwinning door de Provincie Noord-Holland, maar dat wil niet zeggen dat het gebied ongeschonden is gebleven. Van de 2.000 ha natte duinvalleien in het verleden is, mede als gevolg van de waterwinning, slechts een kleine 200 ha behouden gebleven. Mede door ontwatering is van de oorspronkelijk duinbeken en rellen aan de binnenduinrand weinig meer over en resteert soms alleen een oude naam (De Rellen). Net als in andere kustgebieden hebben verstarring van het duin, atmosferische depositie en het uitbreken van epidemieën onder de konijnenpopulatie geleid tot sterke vergrassing en verstruweling. De laatste twee decennia is de waterwinning behoorlijk teruggedrongen door efficiëntere en verminderde winning. Hierdoor stijgen de grondwaterstanden, wat kansen biedt voor herstel van de vochtige duinvalleien. Door middel van natuurontwikkeling zijn infiltratieplassen en duinvalleien opnieuw ingericht, afgeplagd of grootschalig uitgegraven met als doel de jonge successiestadia van natte duinvalleien opnieuw tot ontwikkeling te brengen. Door het stimuleren van verstuiving en het invoeren van begrazing wordt geprobeerd de soortenrijkdom van de droge graslanden te herstellen. In de binnenduinrand worden projecten uitgevoerd om de geleidelijke overgangen van het duingebied naar het achterliggende polderland te herstellen.

Natuurwaarden

Dankzij de afwisseling in landschapstypen en de vele gradiënten bevat het Noordhollands Duingebied een grote verscheidenheid aan begroeiingen. In de zeereep bepaalt Helm (Ammophila arenaria) de vegetatie, met hier en daar minder algemene soorten als Blauwe zeedistel (Eryngium maritimum), Zeewinde (Convolvulus soldanella) en Zeewolfsmelk (Euphorbia paralias). Het kustbeheer bestaat tegenwoordig voornamelijk uit het aanbrengen van zand in de vooroever, waarna het via water en wind op het strand en in de duinen terechtkomt. Hierdoor is de zeereep dynamischer dan enkele decennia geleden, toen deze door aanplant van Helm en het verplaatsen van zand met bulldozers strak onderhouden werd. De zeereep vertoont meer reliëf, er zijn open plekken met stuivend zand en de Helmvegetatie is zeer vitaal. Op het strand leidt de zandsuppletie lokaal tot Biestarwegrasduintjes, die langs de Hollandse vastelandskust veel minder algemeen zijn dan bijvoorbeeld op de Waddeneilanden. In het Dauwbraamlandschap wordt een van de soortenrijkste duingraslanden van ons land aangetroffen: de Duin-Paardebloemassociatie (Taraxaco-Galietum veri). Het betreft hier een tot Nederland beperkte vorm van het prioritaire habitattype 2130. Deze begroeiing komt voor op kalkrijke, (door konijnen) begraasde plekken. Bijzondere soorten zijn onder meer Duinviooltje (Viola rupestris), Kleine pimpernel (Sanguisorba minor), Zandpaardenbloem (Taraxacum laevigatum), Driedistel (Carlina vulgaris), Scherpe fijnstraal (Erigeron acris), Echt bitterkruid (Picris hieracioides), Walstrobremraap (Orobanche caryophyllacea) en Bosaardbei (Fragaria vesca). Dit duingrasland heeft net als andere graslanden zwaar te lijden gehad van het instorten van de konijnenpopulatie, waardoor het sterk verruigd is en deels vervangen door struweel. Ook kenmerkende diersoorten van het duingrasland staan hierdoor onder druk. De Duinparelmoervlinder (Argynnis niobe) en de wat minder zeldzame Kleine parelmoervlinder (Issoria lathonia) weten zich nog te handhaven. Beide parelmoervlinders hebben viooltjes als waardplant, en leven voor een belangrijk deel in kortgrazige, bloemrijke, schrale graslanden. De Kommavlinder (Hesperia comma) is een kenmerkende soort van het ontkalkte duingrasland met veel Fijn schapengras (Festuca filiformis) en Buntgras (Corynephorus canescens). Deze vlinder gaat in ons land sterk achteruit, maar heeft in de binnenduinen tussen Castricum en Bergen nog relatief grote populaties. Ook vogelsoorten die afhankelijk zijn van insecten van het open duin, hebben het moeilijk door de vergrassing en verstruweling. Van oorsprong komen er in het Natura 2000-gebied behoorlijke populaties voor van Paapje, Tapuit, Wulp en Bergeend. Met name Paapje en Tapuit zijn sterk afgenomen. Naast vergrassing en verstruweling hebben deze grondbroeders het vermoedelijk ook zwaar te verduren door de toename van het aantal vossen. Roodborsttapuiten daarentegen weten zich goed te handhaven: jaarlijks broeden tientallen paartjes in het duingebied. Door begrazing met Schotse hooglanders en paarden wordt getracht de duingraslanden zo goed mogelijk in stand te houden of te herstellen. Door deze begrazing wordt ook het Konijn een handje geholpen: de stand lijkt zich enigszins te herstellen. Ook het Duin-Paardenbloemgrasland weet hierdoor weer enigszins uit het dal te kruipen. Verheugend is bovendien dat sinds kort de Grauwe klauwier en de Nachtzwaluw weer in dit duingebied broeden. Het zeedorpenlandschap bestaat uit een onregelmatig patroon van verwaarloosde akkers, Duinrietruigte, struwelen, grasland en open, stuivend duin. Ook hier worden bijzonder soortenrijke en tot ons land beperkte duingraslanden aangetroffen. Het gaat daarbij om de Associatie van Wondklaver en Nachtsilene (Anthyllido-Silenetum nutantis), een vrij weelderige zoomvegetatie van noordhellingen, en om de Kegelsileneassociatie (Sileno-Tortuletum ruraliformis), een open begroeiing van zuidhellingen en vlakke delen. Typische soorten van deze graslanden zijn onder meer Kleine ratelaar (Rhinanthus minor), Oorsilene (Silene otites), Kegelsilene (Silene conica), Zwenkdravik (Anisantha tectorum), Blauwe bremraap (Orobanche purpurea), Walstrobremraap, Duinaveruit (Artemisia campestris subsp. maritima) en - vooral op noordhellingen - Wondklaver (Anthyllis vulneraria), Nachtsilene (Silene nutans), Echt bitterkruid, Bitterkruidbremraap (Orobanche picridis), Pluimstaartmos (Rhytidiadelphus triquetrus) en het zeldzame Hondskruid (Anacamptis pyramidalis). Het zeedorpenlandschap beslaat rondom Egmond de grootste oppervlakte in ons land, maar ook bij Wijk aan Zee is dit landschap zeer goed ontwikkeld. Achter de zeereep en verder landinwaarts bestaat het kalkrijke duin van Noord-Kennemerland voor een belangrijk deel uit Duindoornstruwelen. Deze kunnen hier zeer soortenrijk zijn wat betreft de houtige gewassen. Ten noorden van de kalkgrens ontbreken dergelijke hoge en soortenrijke Duindoornstruwelen. Het struikgewas is zeer rijk aan nachtegalen. Jaarlijks komen duizenden mannetjes de nachtelijke rust in april en mei opluisteren met een niet aflatend koor van luide slagen en uithalen. In het uiterste noorden van het Natura 2000-gebied komen vegetatietypen voor die in de rest van het gebied ontbreken. Heel kenmerkend voor het overgangsgebied van kalkrijke naar kalkarme duinen zijn de begroeiingen van habitattype 2130, die worden gedomineerd door Duinroos (Rosa pimpinellifolia). Deze komen hier over een grote oppervlakte voor in het midden- en binnenduin. Ook komen begroeiingen van kalkarme standplaatsen voor, zoals vegetatie met Kraaihei (Empetrum nigrum; H2150) en korstmosrijke duingraslanden met Buntgras (Corynephorus canescens; H2130). Zoals gezegd zijn goed ontwikkelde duinvalleien een zeldzaamheid geworden in het Natura 2000-gebied: de meeste valleien zijn verdroogd of ontgonnen. De Annex IIsoort Nauwe korfslak (Vertigo angustior) heeft hier waarschijnlijk sterk onder geleden: een recente inventarisatie maakt aannemelijk dat de soort op veel plaatsen in het Natura 2000-gebied is verdwenen. Grote populaties van dit minuscule slakje leven nog in een vallei in de Wimmenummer duinen en in natte loofbossen in het binnenduin ten zuiden van Castricum. Een positieve uitzondering binnen de valleien vormt het Reggers Sandervlak, een vallei die in het buitenduin ligt aan de voet van een hoog duin, de Wester- berg. Ze is daarmee verzekerd van een jaarlijkse toevoer van kalkrijk grondwater. Hier wordt nog goed ontwikkelde duinvalleivegetatie aangetroffen van het Knopbiesverbond (Caricion davallianae), met een groot aantal bedreigde plantensoorten, zoals Slanke duingentiaan (Gentianella amarella), Knopbies (Schoenus nigricans), Parnassia (Parnassia palustris), Moeraswespenorchis (Epipactis palustris) en Bonte paardenstaart (Equisetum variegatum). Door de herstelmaatregelen keren tegenwoordig ook in allerlei andere valleien vochtminnende soorten terug. Zowel de oorspronkelijke duinmeertjes als de vele voor infiltratie aangelegde kanalen zijn het domein van wateren moerasvogels. Dodaars, Kuifeend, Blauwborst en Rietzanger broeden hier en de Aalscholver heeft in het gebied een kleine kolonie. In recente jaren wordt ook de Roerdomp geregeld waargenomen. Rond het ijsbaantje van Castricum heeft enige tijd een klein populatie van de Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis) vertoefd. De duinvalleien van het kalkgrensgebied worden gekenmerkt door een soortenrijk laag kruipwilgstruweel met Klein en Rond wintergroen (Pyrola minor en Pyrola rotundifolia) en diverse zeldzame mos- en korstmossoorten. Het betreft een vorm van habitattype 2170, dat onder meer voorkomt in de Pyrolavlakte en de Verbrande Pan. In heischraal duingrasland (H2130), op het scharnierpunt van droog grasland naar vochtige duinvallei, wordt in de Verbrande Pan het Rozenkransje (Antennaria dioica) aangetroffen. Deze tweehuizige plantensoort is in ons land de laatste jaren enorm achteruitgegaan en staat op de rand van uitsterven. Van de vochtige schraallanden aan de binnenduinrand is in ons land weinig meer over. Ten noorden van Bakkum wordt door middel van natuurontwikkeling getracht dit bijzondere milieu te herstellen op voormalige landbouwgrond. Een van de meest spectaculaire resultaten hier is de terugkeer van de Harlekijn (Anacamptis morio). De binnenduinrand bestaat grotendeels uit bos, dat een groot aaneengesloten gebied inneemt en ongeveer een kwart van het Natura 2000-gebied beslaat. Ruim de helft hiervan is loofbos (H2180), met als voornaamste boomsoorten Zomereik (Quercus robur) en Ruwe berk (Betula pendula). Iets minder dan de helft van het bos bestaat uit naaldbos, dat niet tot een EUhabitattype wordt gerekend. De eikenbossen behoren tot het Zomereikverbond (Quercion roboris), de berkenbossen tot het Verbond van Els en Vogelkers (Alno-Padion). Van nature komen er weinig bossen voor in de Noord-Hollandse duinen en vrijwel alle bos is dan ook in 19de en (begin) 20ste eeuw geplant. Een mooi voorbeeld vormt het bosreservaat Roodaam bij Castricum, een van de oudste bossen in het gehele kalkrijke duingebied. Dit voormalige eikenhakhoutbos stamt voor een deel uit de eerste helft van de 19de eeuw. Sinds ongeveer 1880 werd het omgezet in zogenaamd spaartelgenbos, opgaand bos dat opgroeide uit hakhout door overstaanders te sparen. Natuurlijke, oude bossen komen plaatselijk voor in beschutte valleien, in de vorm van berken- en eikenbosjes. Hoewel het geen grote oppervlakte beslaat, zijn dergelijke natuurlijke duinbossen door hun zeldzaamheid, soortenrijkdom en de gevarieerde structuur van grote betekenis. Fraaie voorbeelden van oude bossen worden aangetroffen in het Uilenvangersplak en de Verbrande Pan in het kalkgrensgebied, en in het Berkenbos en de Berenweide nabij Heemskerk. De duinbossen hebben een rijke vogelstand en vormen (samen met die van de Schoorlse Duinen) voor bosvogels als Bosuil, Zwarte specht, Glanskop, Matkop en Boomklever de noordgrens van het areaal in West-Nederland. Andere geregelde broedvogels zijn Havik, Sperwer, Houtsnip, Fluiter, Appelvink, Goudvink en Kleine barmsijs en de naaldhoutspecialisten Goudhaan, Kuifmees en Zwarte mees. Het Duinberkenbos (associatie Crataego-Betuletum pubescentis) herbergt zeldzame plantensoorten als Vogelnestje (Neottia nidusavis; in de duinen alleen bekend van Bergen) en Stofzaad (Monotropa hypopitys). Vroeger werd hier tevens Koraalwortel (Corallorhiza trifida) aangetroffen, maar dit orchideetje is sinds 1942 in ons land uitgestorven. De laatste vindplaats betrof de duinen van Bergen.

Literatuur

Bijhouwer 1926; Hoffmann & Westhoff 1951; Doing 1966, 1988, 1993; ten Haaf & Jonker 1981; Kruijsen et al. 1992; Kruijsen et al. 1992; Weeda 1992; Slings 1995; Neckheim 2006; Nanne 2007; Oostermeijer & Lainé 2007.

Van het Rozenkransje (Antennaria dioica) resteren nog slechts zes populaties in ons land, waarvan er maar twee bestaan uit zowel mannelijke als vrouwelijke planten. In de heischrale graslanden van de Verbrande Pan bij Bergen bevindt zich de grootste en meest levensvatbare van deze populaties. Hier zijn recent nog zo’n 6.000 exemplaren van de soort geteld.
De Zeewinde (Convolvulus soldanella) is een atlantischmediterrane soort die in ons land een duidelijk optimum heeft in het ElymoAmmophiletum, dé associatie van de zeereep.
Zeedorpenlandschap bij Wijk aan Zee met goed ontwikkeld Anthyllido-Silenetum. Deze 'kalkgraslanden van de duinen' behoren tot de soortenrijkste plantengemeenschappen van ons land. Op de foto zijn onder meer Hondskruid (Anacamptis pyramidalis), Nachtsilene (Silene nutans), Smalle weegbree (Plantago lanceolata), Kleine ratelaar (Rhinanthus minor) en Echt bitterkruid (Picris hieracioides) met zijn parasiet Bitterkruidbremraap (Oronabche picridis) herkenbaar.