Duinen Den Helder - Callantsoog

Gebiedsnummer
84
GebiedsnaamDuinen Den Helder - Callantsoog
Status
Habitatrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Den Helder, Schagen
Provincie
Noord-Holland
Voortouwnemer
provincie Noord-Holland
Sitecode HR
NL1000009
Totale oppervlakte in hectare
645
Oppervlakte HR in hectare
645

Kenschets

Het Natura 2000-gebied Duinen Den Helder-Callantsoog bestaat van noord naar zuid uit de brede Grafelijkheidsduinen en Donkere Duinen bij Den Helder, vervolgens een smalle duinstrook tussen Den Helder en Callantsoog, de Noordduinen genaamd, en ten slotte enkele duinterreintjes (nollen) ten oosten van het Callantsoog. Door de nog steeds hoge aantallen konijnen zijn de duingraslanden relatief open, met talloze stuifplekken. Mede hierdoor herbergt het gebied een van de grootste populaties van de Tapuit in ons land. De graslanden zijn bijzonder door verschillende soorten parelmoervlinders. In het gebied, dat intensief door recreanten wordt bezocht, is de laatste jaren flink gewerkt aan het herstel van duinvalleien en de ontwikkeling van de duinzoom.

Landschap

Halverwege de Middeleeuwen (omstreeks 1300) eindigde de aaneengesloten duinenrij van Holland bij Camperduin. Ten noorden hiervan lag een reeks van zandplaten met duinen, waaronder de eilanden Callantsoog en Huisduinen (bij Den Helder). In de luwte van de duinen slibden de achterliggende kwelders en slikplaten steeds verder op en vanaf de 14de eeuw (de periode waarin in West-Friesland de eerste droogmakerijen ontstaan) worden deze zilte gebieden stap voor stap ingepolderd. Dit proces versnelt wanneer Callantsoog en Huisduinen in de 17de eeuw door middel van een stuifdijk worden verbonden. Tussen 1500 en 1800 ontstaan op deze manier achter het huidige Natura 2000-gebied de polders Zijpe, Het Koegras, Anna Paulowna en Wieringerwaard. In een groot deel van het jonge duingebied komen op circa NAPniveau klei- en veenlagen ondiep in de bodem voor. Enkele terreindelen in de polder ten oosten van Callantsoog, te weten het Kooibosch en de nollen Luttickduin, Garnekuulheide en Abberstede, vormen een restant van de zogenaamde oude duinen.

De Grafelijkheidsduinen en Donkere Duinen bestaan van west naar oost uit een zeereep, een sterk geaccidenteerd duinlandschap met valleicomplexen, en vervolgens een bosrijke binnenduinrand. De Grafelijkheidsduinen zijn achtereenvolgens in gebruik geweest als jachtgebied (door de Graaf van Egmond), als militair oefengebied en voor drinkwaterwinning. In een groot, afgerasterd gedeelte vindt nu begrazing met Schotse hooglanders plaats. De Donkere Duinen zijn in het verleden grotendeels ingeplant met dennen. De smalle Noordduinen zijn eveneens rijk aan reliëf en worden gekenmerkt door diverse stuifkuilen en stuifplekken. Doordat het duin hier vanuit de stuifdijk is ontstaan, is de overgang naar de achterliggende polders abrupt. In de Noordduinen ligt het Botgat, een afgesnoerde strandvlakte, die tot voor kort in landbouwkundig gebruik was. Bij Callantsoog liggen de hoogste duintoppen van het gebied, op 28 m boven NAP.

In 1980 werd de grondwaterwinning bij Den Helder stopgezet, en sindsdien zijn de grondwaterstanden in het gebied gestegen. Inmiddels heeft deze stijging zich gestabiliseerd. Het stoppen van de waterwinning is aangegrepen om een aantal valleien uit te graven en af te plaggen, aangezien op dat moment nauwelijks meer vegetatie van vochtige duinvalleien in dit deel van Noord-Holland aanwezig was. De kleien veenlaagjes in de ondergrond bieden een goed perspectief voor het herstel van de vochtminnende begroeiingen. In de duinzoom bij Den Helder is recent meer dan 50 hectare bollenvelden omgevormd tot natuur- en recreatiegebied (natuurontwikkeling Mariëndal). Het gaat om een voormalig kweldergebied met ondiep liggende kleilagen. Hier wordt ingezet op kwelafhankelijke vegetatie, natte schraallanden en de ontwikkeling van een duinbeek, in afwisseling met hogere duinkoppen.

Om de ontwikkeling van de plantengroei een steuntje in de rug te geven is hooi uit het Zwanenwater uitgestrooid. Een stuk zuidelijker in het Natura 2000-gebied resteren enkele oorspronkelijke kopjesduinen (nollen), te midden van bollenvelden. Ze bestaan uit ontkalkt en humusarm zand met schrale graslanden en heide, die worden beweid. Behalve verschillende nollen ligt hier ook het Kooibosch, een vochtige vallei op een voormalige strandvlakte. Dit is van oorsprong een doorbraakkolk, die in het verleden is ingericht als eendenkooi. Om voldoende water van goede kwaliteit te garanderen wordt de waterstand in het Kooibosch door middel van een stuw (met pomp) gereguleerd. Desondanks treedt in droge perioden sterke wegzijging op naar de bollenvelden in de omringende polder. De graslanden van het Kooibosch worden beweid en plaatselijk gemaaid.

Het gehele Natura 2000-gebied heeft aan de strandzijde te kampen met erosie, die mede veroorzaakt wordt door de sterke stroming in de geulen van het zeegat met Texel. De Noordduinen zijn bovendien dermate smal dat ze te boek staan als een zwakke schakel in het kustbeheer. Dit betekent dat het gebied bij de verwachte zeespiegelstijging in de komende 200 jaar niet meer aan de veiligheidsnorm zal voldoen. Het volume van deze duinen wordt nu nog met zandsuppleties in stand gehouden. Grote zandverstuivingen worden in dit deelgebied niet toegestaan. Op plekken waar verdere kustversteviging noodzakelijk is, wordt naar een oplossing in zeewaartse richting gezocht.

Natuurwaarden

Het Natura 2000-gebied wordt in floristisch opzicht tot het Waddendistrict gerekend en wordt gekenmerkt door een relatieve kalkarmoede van de zandbodem. De droge duingraslanden van habitattype 2130 betreffen om die reden voornamelijk begroeiingen uit het Verbond van Gewoon struisgras (Plantagini-Festucion) en het Buntgrasverbond (Corynephorion canescentis). De duingraslanden zijn hier relatief goed ontwikkeld. Vooral in de Noordduinen zijn ze verrassend weinig vergrast. De voornaamste reden hiervoor is kleinschalige, oppervlakkige overstuiving en begrazing door konijnen. De hoge dichtheid aan konijnen vervult een sleutelrol bij het open houden van de graslanden. In de Noordduinen hebben de konijnen weinig last ondervonden van de virusziekten, die in de meeste andere kustduinen de konijnenstand hebben gedecimeerd. In de Grafelijkheidsduinen speelt ook kleinschalige recreatie en begrazing met grote grazers een rol bij het behoud van lichte overstuiving en het tegengaan van verruiging. In de Grafelijkheidsduinen komen voorts droge duingraslanden voor met Duinroos (Rosa pimpinellifolia), Smal fakkelgras (Koeleria macrantha) en diverse korstmossen. Noordhellingen zijn op veel plaatsen begroeid met Gewone eikvaren (Polypodium vulgare), Hondsviooltje (Viola canina) en Duinviooltje (Viola curtisii) vormen in deze graslanden de waardplanten van de Duinparelmoervlinder (Argynnis niobe) en de Kleine parelmoervlinder (Issoria lathonia). Ook de uiterst zeldzame Grote parelmoervlinder (Argynnis aglaja) is de laatste jaren nog waargenomen. Deze soorten, die in ons land vrijwel beperkt zijn tot de duinen, hebben het op veel plaatsen zwaar door vergaande vergrassing. Andere kenmerkende soorten van de open duingraslanden in het gebied zijn Zandhagedis, Kommavlinder (Hesperia comma), Heivlinder (Hipparchia semele) en Bruin blauwtje (Plebeius agestis). Ook voor de Tapuit is het open houden van de duingraslanden van levensbelang. In het Natura 2000-gebied bevindt zich een groot deel van de Nederlandse populatie. Hoewel ook recreanten zorgen voor het open houden van het duin, werken ze in het geval van de Tapuit toch vooral verstorend. De plekken met de hoogste aantallen Tapuit liggen op locaties met weinig of geen recreatie en in delen van het duin waar geen strandopgangen zijn. Andere broedvogels van de duingraslanden zijn onder meer Bergeend, Paapje, Roodborsttapuit en Stormmeeuw. In de brede duinen bij Den Helder worden de graslanden afgewisseld met droge en vochtige heidebegroeiingen waarin Kraaihei (Empetrum nigrum) veelal domineert en voorts Gewone dophei (Erica tetralix), Struikhei (Calluna vulgaris) en Verfbrem (Genista tinctoria) optreden. Evenals de voedselarme, zure graslanden is dit habitattype 2140 kenmerkend voor het Waddendistrict. Het wordt vooral aangetroffen op noordhellingen en in oude valleien, situaties met een vochtig microklimaat. In het noordelijke gebiedsdeel zijn de graslanden meer dichtgegroeid, met struwelen van Kruipwilg (Salix repens) en Abeel (Populus). Duindoorn (Hippophae rhamnoides) is in het hele Natura 2000-gebied betrekkelijk schaars en vormt nergens een bedreiging voor de duingraslanden. In de Grafelijkheidsduinen is het aantal vochtminnende soorten sterk toegenomen door de herstelmaatregelen in de valleien. Een opvallende soort is Galigaan (Cladium mariscus), die echter nergens grote bestanden vormt. In dieper uitgegraven valleien groeien waterplanten als Duizendknoopfonteinkruid (Potamogeton polygonifolius), Zilte waterranonkel (Ranunculus baudotii) en enkele kranswiersoorten. Ook de Rugstreeppad heeft geprofiteerd van het natuurherstel. Broedvogels van het vochtige duinmilieu nemen eveneens toe, waaronder soorten als Dodaars, Rietzanger, Wintertaling, Slobeend, Kleine karekiet, Rietgors en Waterral. Het Kooibosch bevat een lage, soortenrijke valleibegroeiing met veel schraallandsoorten. Hier treffen we onder meer Blauwe zegge (Carex panicea), Brede orchis (Dactylorhiza majalis subsp. majalis), Bevertjes (Briza media), Galigaan, Moeraszoutgras (Triglochin palustris), Vleeskeurige orchis (Dactylorhiza incarnata), Welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia), Veenpluis (Eriophorum angustifolium), Vlozegge (Carex pulicaris) en Goudsikkelmos (Drepanocladus polygamus) aan. De gedeelten waarin Vlozegge domineert zijn te beschouwen als duinblauwgrasland, een begroeiingstype dat plantensociologisch moeilijk is te plaatsen en een (zeldzame) variant van het habitattype Blauwgraslanden (H6410) betreft. Deze lage begroeiing wordt omgeven door bos (H2180), waaronder Eiken-Berkenbos (Betulo-Quercetum roboris) en essenhakhout van het Fraxino-Ulmetum. Dit laatste bevat kenmerkende epifytische soorten als Spatelmos (Homalia trichomanoides) en Recht palmpjesmos (Isothecium alopecuroides). Het eveneens op essen groeiende Glad kringmos (Neckera complanata) is recent niet meer teruggevonden. De ondergroei van deze bosjes is rijk aan kruiden, paddenstoelen en mossen, waaronder typische oudbossoorten. Op twee kopjesduinen van dit nollengebied vinden we duingrasland en duinheide van kalkarme bodem. Het natuurgebied is door zijn ligging in de Kop van Noord-Holland van bijzonder belang voor vele trekvogels, waarbij vooral de bossen een belangrijke rol als rustplaats spelen. Tot de vele stand- en zwerfvogels en wintergasten die buiten de broedtijd gebruik maken van het duingebied behoren Buizerd, Sperwer, Blauwe kiekendief, Smelleken, Witgatje, Groenpootruiter, Bonte kraai, Kramsvogel, Koperwiek, Keep, Sijs en Putter. Ook in de broedtijd zijn de bossen rijk aan vogelsoorten, waaronder Boomvalk, Bonte en Grauwe vliegenvanger, Wielewaal en holenbroeders als Holenduif en Groene specht. In het bos in de Donkere Duinen broedt tevens een kolonie blauwe reigers.

Literatuur

Beyk & van Orden 1961; Doing 1988; Bekius 1995; Wallis de Vries 2004; Witteveen & Bos et al. 2008; Wondergem 2008, 2009.

Het merendeel van de tapuiten in ons land broedt in open delen van de kustduinen, bij voorkeur in verlaten konijnenholen. In het binnenland is de soort gebonden aan grote, open heidegebieden en stuifzanden. De aantallen Tapuit zijn de afgelopen decennia overal in Nederland sterk teruggelopen; in het binnenland is de soort op veel plaatsen zelfs verdwenen.
De Duinparelmoervlinder (Argynnis niobe), is een van drie parelmoervlinders die in Duinen Den Helder-Callantsoog worden angetroffen. De andere zijn de Kleine parelmoervlinder (Issoria lathonia) en de Grote parelmoervlinder (Argynnis aglaja), waarvan de eerste vrij algemeen en de laatste erg zeldzaam is. Voor alle drie geldt dat het zwaartepunt van de Nederlandse verspreiding in de kustduinen ligt.