Ulvenhoutse Bos

Gebiedsnummer
129
GebiedsnaamUlvenhoutse Bos
Status
Habitatrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Breda
Provincie
Noord-Brabant
Voortouwnemer
provincie Noord-Brabant
Sitecode HR
NL2003047
Totale oppervlakte in hectare
112
Oppervlakte HR in hectare
112

Kenschets

Het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos is een klein bosgebied ten zuidoosten van Breda. Het is een van de weinige Brabantse natuurgebieden met een goed ontwikkelde beekbegeleidende bosvegetatie.

Landschap

Het Ulvenhoutse Bos, ook wel Voorbos genoemd, ligt aan de oostkant van het brede Dal van Breda, dat aan het begin van de ijstijden is uitgesleten door rivieren die vanuit België in noordoostelijke richting stroomden. In een latere periode ging het fungeren als stroomgebied van het bovenstroomse deel van de Mark. Het dal vlakte geleidelijk af door afzettingen van klei, veen en inwaaiende dek zanden. De Mark ligt aan de oostkant van het dal en wordt gevoed door verschillende, oostwest stromende zijbeken die in de Kempen ontspringen. Direct ten zuiden van Breda liggen de zijbeekjes de Broekloop en de Bavelse Leij, met daarlangs het Ulvenhoutse Bos.

Het Ulvenhoutse Bos is een oude bosgroeiplaats, waar waarschijnlijk al sinds de Middeleeuwen bos heeft gestaan. Na de Middeleeuwen was het bos, samen met het Mastbos, het Liesbos en de zuidoostelijkere Chaamse Bossen, eigendom van de Heren van Breda. Begin 1400 kwamen deze bossen in handen van de Graven van Oranje-Nassau, wat blijkt uit namen als Sint-Annabos en Prinsenbos. Eind 19de eeuw werden de meeste van de bossen rondom Breda eigendom van de Staat en later overgedragen aan Staatsbosbeheer.

Het bos ligt in een voormalige overstromingsvlakte van de genoemde beken. In de ondergrond van het Ulvenhoutse Bos bevinden zich slecht doorlatende, kalkrijke leemlagen, die voor een schijngrondwaterspiegel en hoge waterstanden zorgen. Het Ulvenhoutse Bos werd vroeger gebruikt als hakhoutbos en voor de teelt van opgaand eikenhout. Om het natte bos beter te kunnen exploiteren zijn in het verleden greppels gegraven en werden de te hakken bomen op de tussenliggende hogere delen (rabatten) geplaatst. De greppels en hier doorheen lopende waterwegen worden op diverse plekken gevoed door kwelwater. Het bos heeft nogal te lijden onder verdroging, waardoor de populaties van veel zeldzame soorten geleidelijk in omvang afnemen en worden teruggedrongen tot de nattere delen van het bos.

Natuurwaarden

Het grootste deel van het bos bestaat uit droog Beuken- Zomereikenbos (Fago-Quercetum; H9120) en verdroogd Eiken-Haagbeukenbos (Stellario-Carpinetum; H9160) met in de ondergroei onder meer Adelaarsvaren (Pterilium aquilinum), Lelietjevandalen (Convallaria majalis), Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum), Dalkruid (Maianthemum bifolium) en Witte klaverzuring (Oxalis acetosella). De Zomereik (Quercus robur) is op sommige locaties uitgegroeid tot indrukwekkende, meer dan 20 meter hoge bomen. In de nattere delen van het bos, vooral langs de waterlopen, vinden we alluviale bossen van het Vogelkers-Essenbos (Pruno-Fraxinetum; H91E0). Kenmerkend is een hier samen met onder meer Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus), Moerasstreepzaad (Crepis paludosa) en Gele dovenetel (Lamiastrum galeobdolon) op een oeverwalletje langs de beek dat mede is ontstaan doordat de waterloop in het verleden met de hand geschoond werd. boomlaag van Es (Fraxinus excelsior) en Gewone esdoorn (Acer pseud oplatanus), een struiklaag van Gewone vogelkers (Prunus padus) en Hazelaar (Corylus avellana) en een zeer soortenrijke ondergroei met onder meer Bosanemoon (Anemone nemorosa), Slanke sleutelbloem (Primula elatior), Pinksterbloem (Cardamine pratensis), Muskuskruid (Adoxa moschatellina), Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus), Moerasstreepzaad (Crepis paludosa) en de - in dit deel van het land - uiterst zeldzame Eenbes (Paris quadrifolia). Als grote bijzonderheid in ons land wordt hier de Witte rapunzel (Phyteuma spicatum subsp. spicatum) gevonden. Het betreft hier de grootste populatie van deze soort in Nederland. Twee andere bijzonderheden van dit beekbegeleidend bostype zijn het uiterst zeldzame Knikkend nagelkruid (Geum rivale) en Groot varentjesmos (Plagiochila asplenioides). Op iets hogere delen wordt fragmentair Eiken-Haagbeukenbos aangetroffen, met onder meer Grote muur (Stellaria holostea) en Ruige veldbies (Luzula pilosa). In de bosranden groeit veel Hengel (Melampyrum pratense) en langs de brede bospaden zijn fraai ontwikkelde bramenmantels aanwezig, met onder meer Vlakke rog brummel (Rubus planus) en Baroniekambraam (Rubus baronicus). Het oude bos heeft een voor Brabantse begrippen zeer rijke vogelbevolking, waarin vooral de broedvogels van oude loofbossen als Kleine bonte specht, Fluiter, Boomklever en Appelvink goed zijn vertegenwoordigd. Zwarte spechten zijn talrijk en zorgen voor het onderkomen van andere holenbroeders als Holenduif, Bosuil en Gekraagde roodstaart. Ook broeden hier de nodige roofvogels, waaronder Havik en Buizerd. De greppels en waterlopen die onder invloed staan van kwelwater, herbergen een begroeiing met Gewone dotterbloem (Caltha palustris subsp. palustris), Waterviolier (Hottonia palustris), Holpijp (Equisetum fluviatile) en Grote boterbloem (Ranunculus lingua). Ze vormen tevens een belangrijk biotoop voor populaties van amfibieën, reptielen en vissen; van de laatste groep leeft hier het zeldzame Bermpje.

Literatuur

Everts et al. 1992; van Melick & Nieuwkoop 1994; den Ouden & Broekmeyer 1998; van Haperen et al. 1999.

Witte rapunzel (Phyteuma spicatum subsp. spicatum) groeit in het Ulvenhoutse Bos in beekbegeleidend bos. De plant groeit