Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

Gebiedsnummer
131
GebiedsnaamLoonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
Status
Habitatrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Haaren, Heusden, Loon op Zand, Tilburg, Waalwijk
Provincie
Noord-Brabant
Voortouwnemer
provincie Noord-Brabant
Sitecode HR
NL9803030
Totale oppervlakte in hectare
3975
Oppervlakte HR in hectare
3975

Kenschets

De Loonse en Drunense Duinen zijn onderdeel van een dekzandrug ten zuidoosten van Waalwijk met een van de grootste levende stuifzanden in Europa. Aan de zuidzijde gaat dit droge en voedselarme gebied via een fraaie gradient over naar De Brand, een laaggelegen, nat en voedselrijk beekdal met moerasbegroeiingen en bossen. Enkele kilometers verderop liggen De Leemkuilen, een complex van tichelgaten met begroeiingen van zwak gebufferd water. De Brand en De Leemkuilen zijn rijk aan amfibieën, waaronder Kamsalamander en Boomkikker.

Landschap

De dekzanden in dit deel van Noord-Brabant waren tot in de Middeleeuwen grotendeels met bos bedekt. Ontginning leidde tot het ontstaan van uitgestrekte heidevelden waar geplagd, gebrand en (met schapen) beweid werd. Door overexploitatie en windwerking raakten in relatief korte tijd grote oppervlakten van het gebied door stuivend zand bedekt. Hoe snel een dergelijke degeneratie kan plaatsvinden, blijkt uit verschillende bronnen uit de 12de tot 14de eeuw. Een laat twaalfdeeeuwse beschrijving van het huidige duingebied, dat destijds deel uitmaakte van het jachtgebied van de hertogen van Brabant, rept over een aangenaam jachtgebied met bos en struweel met veel wild. Echter, vanaf het midden van de 14de eeuw zijn bepalingen bekend die lokale boeren verplichten om houtwallen rond hun akkers aan te leggen om deze te beschermen tegen stuivend zand. Aan het eind van de 14de eeuw dreigen verschillende dorpjes aan de randen van het huidige natuurgebied overstoven te worden. In de strijd tegen het oprukkende zand heeft men rondom de cultuurgronden en aan de rand van het stuifzandgebied houtwallen met eik aangeplant. Deze wallen bestaan nog steeds. In de loop van de jaren heeft het zand zich rond de stammen opgehoopt, zodat hier en daar alleen de kruinen van de bomen nog uitsteken. Pas aan het eind van de 19de eeuw kon men door middel van grootschalige bebossing het stuivende zand een halt toeroepen. Het gebruik in het recente verleden als militair oefenterrein heeft ervoor gezorgd dat nog steeds grote stukken van het gebied open zijn. Tegenwoordig wordt het stuifzand mede opengehouden door de grote hoeveelheid recreanten die het hele jaar het gebied bezoekt.

Het nu nog aanwezige stuifzandgebied is qua oppervlakte een van de grootste van Nederland en bijzonder waardevol vanwege de natuurlijke processen die bij een levend stuifzand horen, zoals het ontstaan van paraboolduinen, uitgestoven laagten en forten (opgestoven heuvels met bomen). In de laagten kan zich een bijzonder verschijnsel voordoen: het ontstaan van tijdelijke vennen op plaatsen waar zich in de ondergrond een ondoorlatende leemlaag bevindt. In jaren met een regenrijke herfst kunnen dergelijke vennen van oktober tot mei water bevatten. Hier vormen zich dan tijdelijk gemeenschappen van zure omstandigheden, die bij het droogvallen weer verdwijnen. In de zomer zijn deze plekken nog herkenbaar doordat op de nog steeds iets vochthoudende bodem gemakkelijk berken en dennen kiemen.

Aan de zuidflank van de dekzandrug ligt de gebieden De Brand en De Leemkuilen. De Brand betreft een vochtige beekdal van de Zandkantse Leij, waarvan het gekanaliseerde deel Zandleij heet. Dit is een sterk vergraven laag- landbeek, die via de Nieuwe Bossche Sloot uiteindelijk bij 's Hertogenbosch in de Dieze uitmondt. In het beekdal wordt in de ondergrond op veel plaatsen een leemrijke, slecht doorlatende laag aangetroffen. In De Brand leidt dit tot stagnatie van kwelwater uit de hogere dekzanden, waardoor moerassige omstandigheden zijn ontstaan. In het verleden is hier ook veen gevormd. De naam van het gebied verwijst waarschijnlijk naar het turfsteken (de turf diende als brandstof). Delen van het gebied zijn in cultuur gebracht door aanplant van rabattenbos en aanleg van hooilanden. In de huidige situatie is de invloed van de Zandleij problematisch: de diepliggende beek draineert het gebied, waardoor de kwel wordt afgevangen. Bovendien laat de kwaliteit van het beekwater te wensen over. De Leemkuilen betreft een complex van kleine en grotere leemputten ten oosten van Udenhout. In dit heidegebied werd al eeuwenlang kleinschalig leem gewonnen en verwerkt onder gebruikmaking van veldoventjes. De resulterende stenen waren voor eigen gebruik, maar in 1849 werd hier een steenfabriek gebouwd. De huidige leemputten zijn na 1925 gegraven. De oude leemputten liggen in een kleinschalig landschap van weilanden, houtwallen en bosjes.

Natuurwaarden

De zandverstuivingen (H2330) van de Loonse en Drunense Duinen, sinds 2002 een Nationaal Park, zijn met meer dan duizend hectaren zeer omvangrijk. De bijnaam Brabantse Sahara is misschien wat overdreven, maar de stuifzanden zijn inderdaad indrukwekkend. Grote delen bestaan voornamelijk uit open zand, maar vooral in het oosten is het stuifzand meer begroeid, met onder meer Buntgras (Corynephorus canescens), Fijn schapengras (Festuca filiformis), Zandstruisgras (Agrostis vinealis), Zandzegge (Carex arenaria) en korstmossen als Ezelspootje (Cladonia zopfii), Gewoon stapelbekertje (Cladonia cervicornis) en Rood bekermos (Cladonia coccifera). Onder de paddenstoelen is de Indigoboleet (Gyroporus cyanescens) een karakteristieke stuifzandsoort. Het droge zand vormt tevens het leefmilieu van een aantal zeldzame insecten, waaronder de Strandzandloopkever (Cicindela maritima), de Boszandloopkever (Cicindela sylvatica), de Heivlinder (Hipparchia semele), de boktor Grammoptera abdominalis en de bladsprietkever Aegialia rufa. De zandverstuivingen worden omgeven door droge heide (H2310). Gedomineerd door Struikhei (Calluna vulgaris) en met Kruipbrem (Genista pilosa) en Stekelbrem (Genista anglica) als begeleidende dwergstruikjes is deze een klassiek voorbeeld van de associatie Genisto anglicae-Callunetum. Het voorkomen van natte heide is beperkt tot kleine oppervlakten en deze gemeenschappen zijn als gevolg van verdroging slechts matig ontwikkeld. Het stuifzand en de heide worden geheel omgeven door bos. In het westen betreft het vooral spontaan bos met vliegdennen. Andere delen, zoals de Helvoirtse en Hooge Heide en de Drunense Heide in het noorden, zijn omstreeks het begin van de 19de eeuw bebost met voornamelijk Grove den (Pinus sylvestris). Ten westen van de Waalwijkse baan zijn naast Grove den diverse uitheemse bomen aangeplant. Lokaal worden in de ondergroei soorten aangetroffen als Grote wolfsklauw (Lycopodium clavatum) en Brede wespenorchis (Epipactis helleborine). De met eik beplante houtwallen langs de randen van het stuifzand en de eikenbosjes die op sommige plaatsen in het stuifzandgebied worden aangetroffen, behoren tot het habitattype Oude eikenbossen (H9190). Hier zijn enkele zeer oude eikenstoven aanwezig met een doorsnede van wel twaalf meter. Vermeldenswaard is het voorkomen van Dubbelloof (Blechnum spicant) en Gewone eikvaren (Polypodium vulgare). Op de open vlakten gedijen enkele tientallen paartjes Roodborsttapuit. De ooit zo karakteristieke broedvogel van onze stuifzanden, de Duinpieper, was nog tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw aanwezig, maar wordt thans alleen in de trektijd soms nog opgemerkt. De overgang van open stuifzand en heide naar het bos zijn het domein van Boomleeuwerik en Nachtzwaluw. In de wintermaanden zit altijd een aantal klapeksters op de uitkijk in solitaire vliegdennen. De Brand en De Leemkuilen vormen een groot contrast met het stuifzandgebied. De centrale en meest natte delen van De Brand bestaan uit riet- en zeggenmoeras en uit elzenbroekbos (Carici elongatae-Alnetum) met soorten als Elzenzegge (Carex elongata), Stijve zegge (Carex elata), Moeraszegge (Carex acutiformis) en Moerasvaren (Thelypteris palustris). Daarnaast komen Vogelkers-Essenbos (PrunoFraxinetum; H91E0) en verdroogd Eiken-Haagbeukenbos (H9160) voor, het meest op rabatten. In de kruidlaag groeien soorten als Gele dovenetel (Lamiastrum galeobdolon), Bospaardenstaart (Equisetum sylvaticum) en Witte rapunzel (Phyteuma spicatum subsp. spicatum). De bossen worden afgewisseld door kleinschalige, vochtige hooilanden, waaronder één plek met Blauwgrasland (H6410). De tichelgaten van De Leemkuilen herbergen zwak gebufferde vennen (H3130) met soorten als Ondergedoken moerasscherm (Apium inundatum), Pilvaren (Pilularia globulifera), Moerashertshooi (Hyp ericum elodes), Gesteeld glaskroos (Elatine hexandra) en Kruipende moerasweegbree (Baldellia ranunculoides subsp. repens). Ook groeit hier Drijvende waterweegbree (Luronium natans). Dergelijke begroeiingen zijn ook te vinden in het Galgenwiel, een oude doorbraakkolk in het noordwesten van het gebied, met onder andere Moerashertshooi, Snavelzegge (Carex rostrata) en ook hier Drijvende waterweegbree. De wateren van De Brand en De Leemkuilen zijn van bijzondere betekenis voor amfibieën met acht van de twaalf soorten die in Noord-Brabant voorkomen. Zo is de Kamsalamander in De Brand op enkele tientallen plekken aan wezig. In De Leemkuilen gaat het om een kleine populatie van deze soort in het zuidwesten van het gebied. Samen met nog enkele, geïsoleerde plekken in de directe omgeving (onder andere bij Huis ter Heide) vormen deze locaties het belangrijkste leefgebied van de Kamsalamander in Noord-Brabant. Bijzonder is verder het voorkomen van de Boomkikker, die eind vorige eeuw in Noord-Brabant nog op het punt van uitsterven stond. Door gerichte bescherming en beheer telt de populatie binnen het Natura 2000-gebied inmiddels weer ruim 600 volwassen dieren. Tussen De Brand en De Leemkuilen is een ecologische verbindingszone ingericht. De Brand en De Leemkuilen zijn een goed gebied voor moerasvogels als Blauwborst en Waterral. Geregeld wordt het Porseleinhoen gehoord en soms zelfs de Woudaap. In 2002 vestigden zich aalscholvers in De Leemkuilen, waarvan de kolonie inmiddels is uitgegroeid tot enige tientallen nesten. In de uitgestrekte bossen van de Loonse en Drunense Duinen en De Brand broeden veel spechten, waaronder Zwarte specht en recent Middelste bonte specht. Van deze laatste is dit een van de meest westelijke voorkomens in ons land.

Literatuur

Broertjes 1995; Verschuren & de Jong 1996; Croonen Adviseurs 2001; Dirkx 2001; Brinkhof et al. 2004; Cools 2007; de Groot 2007; Samenwerkingsverband Westbrabantse Vogelwerkgroepen 2007; Franken & Lansing 2008; Roscam Abbing 2008.

Een opmerkelijk fenomeen in het stuifzandgebied van de Loonse en Drunense Duinen zijn de vele opgestoven heuvels met eikenstrubben, forten genaamd,. De eiken zijn veelal meer dan 150 jaar oud en vormen fraaie voorbeelden van het habitattype Oude eikenbossen.
De in ons land vrij algemene metaalglanzende Groene zandloopkever (Cicindela campestris) is een van de kenmerkende soorten op open stukken zand tussen de heide en bosranden. Hier jaagt ze op andere insecten. Bij verstoring vliegen de dieren snel op om dan een paar meter verder weer neer te strijken.