Kampina en Oisterwijkse Vennen

Gebiedsnummer
133
GebiedsnaamKampina en Oisterwijkse Vennen
Status
Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Boxtel, Oirschot, Oisterwijk
Provincie
Noord-Brabant
Voortouwnemer
provincie Noord-Brabant
Sitecode HR
NL3000401
Sitecode VR
NL2000010
Totale oppervlakte in hectare
2278
Oppervlakte HR in hectare
2278
Oppervlakte VR in hectare
1261

Kenschets

De Kampina en de Oisterwijkse Bossen en Vennen vormen een uitgestrekt bos- en heidegebied tussen Oisterwijk en Boxtel. De tientallen vennen en de grote variatie aan ven- typen maken het tot een bijzonder gebied. De vennen liggen in een nog vrijwel gaaf landschap met heiden, droge en natte bossen, cultuurgronden en overgangen naar beekdalen.

Landschap

Tijdens de grootschalige ontginningen in de afgelopen eeuw is in Noord-Brabant ongeveer tweederde van alle vennen verdwenen. Desondanks zijn in de provincie nog honderden vennen bewaard gebleven, waarvan meer dan honderd op de Kampina en in de Oisterwijkse Bossen en Vennen. Het Oisterwijkse gebied bestaat uit oude stuif- duinen met vencomplexen in uitgestoven laagten. Sommige vennen zijn in gebruik voor recreatie (als viswater of zwemplas). Het gebied is grotendeels bebost. De oostelijk hiervan gelegen Kampina heeft een open karakter: alleen het noordelijke deel is bebost met voornamelijk Grove den (Pinus sylvestris). Van zuid naar noord wordt het landschap doorsneden door de Rosep en de Beerze, die via respectievelijk de Essche Stroom en het Smalwater in de Dommel uitmon den. Ten westen van het gebied stroomt de Reusel. Het best bewaarde voorbeeld van een beekdallandschap vormt Smalbroeken, aan de zuidkant van de Beerze. Dit gebied bestaat uit beekbegeleidend bos en enkele hooilandjes met goed ontwikkeld Blauwgrasland. In het verleden overstroomde de Beerze regelmatig de omliggende terreinen. Naarmate de beek meer belast raakte met afvalstoffen en meststoffen uit stroomopwaarts gelegen landbouwgebieden, dreigde bij inundaties eutrofiëring. Om dit te voorkomen is een omleiding gegraven, een voortzetting van de Heiloop, die benedenstrooms van Smalbroeken weer samenvloeit met de Beerze. Bij piekafvoeren wordt door middel van een stuw een groot deel van het water via de Heiloop afgevoerd. Het volledig uitsluiten van overstroming leidde echter, door gebrek aan buffering met zacht water, tot verzuring. Bovendien is gebleken dat de Heiloop een drainerende werking heeft, waardoor in het Beerzedal geen sprake meer is van significante kwel. Kunstmatige isolatie als noodmaatregel is ook toegepast in enkele vennen die van nature onder invloed stonden van beekwater, zoals het Winkelsven, op de flank van het Beerzedal, en de Centrale Vennen bij Oisterwijk. Om het Winkelsven zijn in de jaren 1960 kades aangelegd om het voor inundatie met voedselrijk beekwater te behoeden. Het gevolg was een verlies aan natuurwaarden door verzuring en ophoping van organisch materiaal. Recent is dit ven geschoond en wordt als tijdelijke maatregel schoon en gebufferd water ingelaten. Omstreeks 1840 werd het Voorste Choorven, het meest zuidelijke van de Centrale Vennen, via een kanaal verbonden met het Kolkven, dat weer in verbinding stond met de Rosep. Enige jaren later werd de reeks uitgebreid met het Witven en het Van Esschenven, dat ter afwatering op de Achterste Stroom werd aangesloten. Ten gevolge van ontginningen in het stroomgebied van de Rosep en de lozing van rioolwater op het Choorven trad ook hier vermesting op. Deze situatie leidde tot het eerste grote venherstelproject van Nederland. In 1950 werd de verbinding van de Centrale Vennen met het Kolkven verbroken en werden het Voorste Choorven en het Witven uitgebaggerd. Destijds was de noodzaak van buffering nog niet bekend. Men dacht door isolatie en verwijdering van nutriënten de ven nen in hun oude glorie te kunnen herstellen. In eerste instantie leek dit te lukken, maar vervolgens verdwenen de waardevolle soorten opnieuw, door verzuring. In de winter van 1995 volgde een tweede herstelproject, waarbij in buffering werd voorzien door opgepompt grondwater. De hydrologische situatie is dermate verbeterd dat het sinds enige jaren niet meer noodzakelijk is om de pomp aan te zetten.

Natuurwaarden

Het Natura 2000-gebied is vooral van belang vanwege de vele vennen, en daarnaast vanwege de afwisseling van droge en vochtige heide. In het Oisterwijkse gebied en een deel van Kampina, waar de heide op vastgelegde landduinen groeit, wordt de droge heide met Struikhei (Calluna vulgaris) gerekend tot het habitattype Stuifzandheiden met struikhei (H2310). Waar een dergelijke begroeiing voorkomt op andersoortige bodems, zoals op de hogere dekzanddelen van de Kampina, behoort de qua soortensamenstelling nauwelijks afwijkende heidebegroeiing tot het habitattype Droge heiden (H4030). In laagten gaan deze begroeiingen over in vochtige heide (H4010). Hier wordt het beeld bepaald door Gewone dophei (Erica tetralix) en Pijpenstrootje (Molinia caerulea), met plaatselijk Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe) en Beenbreek (Narthecium ossifragum). Op plagplekken treden pionierbegroeiingen op (H7150), met soorten als Bruine snavelbies (Rhynchospora fusca), Moeraswolfsklauw (Lycopodiella inundata) en het levermos Broedkelkje (Gymnocolea inflata). Wat betreft de fauna is de Kampina van betekenis vanwege enkele van de grootste populaties van het Gentiaanblauwtje (Maculinea alcon), Heideblauwtje (Plebeius argus) en Bont dikkopje (Carterocephalus palaemon) in Noord-Brabant. De broedvogels van de heide staan onder druk. Wulp, Tureluur, Watersnip, Roodborsttapuit en Boomleeuwerik broeden er nog wel, maar de aantallen gaan achteruit als gevolg van verdroging en toegenomen recreatiedruk. De vennen, die veelal in clusters bij elkaar liggen, worden gekenmerkt door verschillende aquatische milieus. Hydrologisch geïsoleerde vennen zijn geheel afhankelijk van regenwater en hebben een zuur en voedselarm karakter. Dit habitattype H3160 wordt onder andere in het Galgeven, ten noordwesten van Moergestel, en in diverse vennen op de Kampina aangetroffen. De watervegetatie is schaars met Knolrus (Juncus bulbosus), Veenpluis (Eriophorum angustifolium), Klein blaasjeskruid (Utri cularia minor), Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum) en Geoord veenmos (Sphagnum denticulatum). Langs de oevers overheersen soorten uit het verbond Caricion lasiocarpae, in het bijzonder Snavelzegge (Carex rostrata) en Draadzegge (Carex lasiocarpa). Bij verlanding worden geleidelijk veenbulten gevormd, zoals in het Tongbergvenwest. In de vegetatie nemen Kleine veenbes (Vaccinium oycoccus) en Hoogveenveenmos (Sphagnum magellanicum) een prominente plaats in. Vennen waarin buffering plaatsvindt door contact met grond- of oppervlaktewater, behoren tot de zeer zwak gebufferde (H3110) of de zwak gebufferde (H3130) vennen. Het eerste van beide typen komt alleen voor in het Staalbergven, ten zuidoosten van Oisterwijk. Op zandige oeverdelen worden hier Oeverkruid (Littorella uniflora) en Grote biesvaren (Isoetes lacustris) aangetroffen. Van deze laatste soort betreft het mogelijk de enige overgebleven groeiplaats in Nederland. In het Staalbergven en het Winkelsven bevinden zich groeiplaatsen van Drijvende waterweegbree (Luronium natans), die in een deel van het Staalbergven zelfs domineert. Het habitattype 3130 is ruim vertegenwoordigd, onder andere in het Winkelsvenwest, Belversven en in de centrale vennenreeks van de Oisterwijkse Vennen. De vegetatie bevat onder andere Ondergedoken moerasscherm (Apium inundatum), Moerashertshooi (Hyp ericum elodes), Witte waterranonkel (Ranunculus ololeucos), Plat blaasjeskruid (Utricularia intermedia), Ongelijkbladig fonteinkruid (Potamogeton gramineus), Gegolfd fonteinkruid (Potamogeton x angustifolius), Zwaardbladig fonteinkruid (Potamogeton x sparganifolius) en in het Winkelsven ook Moerassmele (Deschampsia setacea). De centrale vennenreeks staat bekend om zijn bijzondere sieralgen, waaronder Spirotaenia condensata en Tortitaenia closterioides. De sieralgenflora van weleer is echter nog lang niet hersteld. In enkele delen van het Winkelsven komen velden met Galigaan (Cladium mariscus; H7210) hier voor; deze zijn vroeger ontstaan onder invloed van beekwater. De vele vennen bieden een broedplaats aan de fuutjes Dodaars en Geoorde fuut, en geregeld overzomert de zeldzame Roodhalsfuut. Vooral het Belversven, Staalbergven, Winkelsven en Ganzenven zijn geliefd. Natuurlijk zijn ook andere moerasvogels aan te treffen, zoals Waterral, Blauwborst (tientallen paren) en een keur aan eenden en ganzen, waaronder Grauwe gans, Wintertaling. Tafeleend en de exoten Grote canadese gans en Nijlgans. Langs droogvallende oevers broedt geregeld de Kleine plevier. Het aantal nachtzwaluwen en boompiepers op de (natte) heide is gering, hoewel deze soorten wel jaarlijks aanwezig zijn. Boven de vennen jaagt in de zomer geregeld de Boomvalk op libellen. De vennen waren vroeger rijk aan libellen met onder meer Sierlijke witsnuitlibel (Leucorrhinia caudalis) en Groene glazenmaker (Aeshna viridis). Deze zijn inmiddels verdwenen, maar soorten als Speerwaterjuffer (Coenagrion hastulatum), Maanwaterjuffer (Coenagrion lunulatum) en Venwitsnuitlibel (Leucorrhinia dubia) komen nog steeds voor, zij het in kleine populaties. De laatste jaren wordt regelmatig de Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis) waargenomen, maar voortplanting is nog niet vastgesteld. Van het Voorste Choorven is de Gestreepte waterroofkever (Graphoderus bilineatus) bekend. Deze soort heeft binnen Nederland zijn hoofdverspreiding in laagveenplassen, maar kan ook gedijen in matig voedselarme vennen, zo lang deze niet te zuur zijn. Het gebied Smalbroeken is van betekenis voor beekbegeleidende bossen (H91E0) en blauwgraslanden (H6410). De bossen bestaan uit Vogelkers-Essenbos (Alno-Padion) op de oeverwallen en elzenbroekbos (Alnion glutinosae) in de laagten. De ondergroei is plaatselijk verruigd met Grote brandnetel (Urtica dioica), maar ook worden fraaie plekken aangetroffen met soorten als Koningsvaren (Osmunda regalis) en Bosereprijs ( Veronica montana). Hier vliegen onder meer Kleine ijsvogelvlinder (Limenitis camilla) en Grote weerschijnvlinder (Apaturia iris). De blauwgraslanden (H6410) van dit gebied behoren tot de best ontwikkelde voorbeelden in Noord-Brabant. Het gaat in totaal om enkele hectaren verdeeld over diverse kleine percelen. Kenmerkende soorten zijn Blonde zegge (Carex hostiana; mogelijk verdwenen), Blauwe zegge (Carex panicea), Spaanse ruiter (Cirsium dissectum), Blauwe knoop (Succisa pratensis), Veelbloemige veldbies (Luzula multiflora) en Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis). Kranskarwij (Carum verticillatum) is hier geïntroduceerd, nadat de laatste Nederlandse groeiplaats was verloren gegaan. Op het Banisveld, aan de oostrand van de Kampina, is goed te zien welke potenties aanwezig zijn. Dit voormalige landbouwgebied is tien jaar geleden ingericht, waarna allerlei bijzondere plantensoorten zijn teruggekeerd, zoals Teer guichelheil (Anagallis tenella), Moeraswespenorchis (Epipactis palustris), Echt duizendguldenkruid (Centaurium erythraea), Grote wolfsklauw (Lycopodium clavatum), Waterlepeltje (Ludwigia palustris) en Grondster (Illecebrum verticillatum). In korte tijd is een mozaïek van natte heide, heischraal grasland en zwak gebufferde vennen hersteld. In de Heiloop komt de Kleine modderkruiper voor. In het Beerzedal en ten noordwesten van Moergestel vinden we enkele kleine, geïsoleerde populaties van de Kamsalamander.

Literatuur

Van Dijk & Westhoff 1960; van Dam 1980; Bruinsma 1994; Verbeek 1998; den Ouden & Broekmeyer 1998; Arts 2000; Eichhorn 2005c; Maas 2005; Tempelman et al. 2005; Bruinsma 2006; Kiwa & ESG 2006; Franken & Lansing 2008.

Smalbroeken, in het oosten van het Natura 2000-gebied, is een goed behouden gebleven, kleinschalig beekdallandschap.
De Vuurlibel (Crocothemis erythraea) was tot voor kort een zeer zeldzame soort in ons land. De sterke uitbreiding op de zandgronden van Zuid-Nederland in de afgelopen jaren hangt waarschijnlijk samen met de opwarming van het klimaat. In het bijzonder libellen blijken snel te kunnen inspelen op de veranderende condities.