Roerdal

Gebiedsnummer
150
GebiedsnaamRoerdal
Status
Habitatrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Roerdalen, Roermond
Provincie
Limburg
Voortouwnemer
provincie Limburg
Sitecode HR
NL2003042
Totale oppervlakte in hectare
834
Oppervlakte HR in hectare
834

Kenschets

Het Roerdal in Midden-Limburg omvat het Nederlandse deel van het stroomgebied van de Roer, dat zich over een lengte van ongeveer 22 km uitstrekt vanaf de Duitse grens tot aan Roermond, waar het riviertje in de Maas uitmondt. Het gebied is van belang vanwege een aantal diersoorten van de Habitatrichtlijn. De rivier is een leefgebied voor stroomminnende vissen, waaronder alledrie de prikken in ons land, en libellen, zoals de Gaffellibel (Ophiogomphus cecilia). Afgesloten meanders, plassen en poelen geven onderdak aan Kamsalamander, Grote modderkruiper en Zeggekorfslak ( Vertigo moulinsiana). Rondom Herkenbosch en in een geïsoleerd deel van het Natura 2000-gebied bij Posterholt komt de enige natuurlijke populatie van het Donker pimpernelblauwtje (Maculinea nausithous) in ons land voor.

Landschap

De Roer vindt zijn oorsprong in de Hoge Venen in België, vanwaar hij via Duitsland over een afstand van zo'n tweehonderd kilometer in noordwestelijke richting naar de Maas in ons land stroomt. In het Nederlandse traject kan dit riviertje vrij meanderen, behoudens enkele delen waar bebouwing of infrastructuur aanwezig is. Door de vrije stroming heeft de Roer een fraai dal gevormd met een grote morfologische en ecologische verscheidenheid: oude meanders, oeverwallen, grondbanken, steile oevers en kronkelwaarden. De aanwezige terrasranden vergroten deze variatie nog verder.

De Roer wordt beschouwd als een kleine rivier: zijn breedte varieert van 20 m bij de grens tot 50 m bij de monding, de diepte bedraagt op de meeste plaatsen 1-3 meter. De rivier heeft een matige tot sterke stroming (gemiddeld 0,5 tot 1 m/s) en een afvoer van gemiddeld 23 m3/s (met maximale pieken van 180 m3/s en minima van 9 m3/s). Het meer bovenstroomse deel tussen Vlodrop en St. Odiliënberg is dynamischer dan het traject van St. Odiliënberg tot Roermond. Op dit bovenstroomse deel is de stroomsnelheid hoger, de rivier smaller, varieert de diepte sterker en zijn meer stroomversnellingen en zandbanken aanwezig. De hoeveelheid water die door de Roer stroomt, wordt in het Duitse deel gereguleerd door stuwen.

Dit gebeurt op zodanige wijze dat er altijd water doorstroomt en bovendien piekafvoeren optreden. De waterkwaliteit van de Roer was in de tweede helft van de vorige eeuw ronduit slecht, door hoge concentraties stikstof en fosfaat, maar de situatie is intussen verbeterd. Wel is de onderwaterbodem nog op veel plaatsen verontreinigd. Het Roerdal ligt in de Centrale Slenk (of Roerdalslenk). De rivier stroomt door een terrassenlandschap dat hier in de ijstijden is gevormd door de telkens meer westelijk verschuivende en zich dieper insnijdende Maas. Het Neder landse traject van de Roer loopt grotendeels door het Laagterras van de Maas, waarbij de Roer zich enkele meters dieper heeft ingegraven.

De bodem in het gehele stroomgebied is opgebouwd uit dekzanden met daaroverheen jonge rivierafzettingen. Plaatselijk komen goed waterdoorlatende grindlagen (Maasafzettingen) dicht aan de oppervlakte voor. Waar deze afzettingen leem bevatten, zijn de gronden zeer geschikt voor landbouw. Het gebied bestaat dan ook grotendeels uit akkerland en agrarisch grasland. Slechts kleine stukken, zolas oude meanders, staan reeds langer bekend als natuurgebied. Het Roerdal is dan ook een van de weinige Natura 2000-gebieden die bij de aanmelding grotendeels buiten de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) waren gelegen.

Natuurwaarden

De relatief natuurlijk meanderende Roer is van groot belang als leefgebied voor vissen. Zoals al genoemd, zijn hier alle drie de prikken in ons land waargenomen. Voor de Rivierprik betreft het een van de weinige bekende paaiplaatsen in ons land. Van de Beekprik is niet bekend of het om een grote populatie gaat. Van de Zeeprik wordt aangenomen dat ze hier of meer bovenstrooms in Duitsland paait. In elk geval fungeert het Nederlandse deeltraject als opgroeigebied voor de larven. De Zeeprik en Rivierprik migreren als volwassen prikken naar zee. Voor deze soorten is het van groot belang dat de verbinding tussen de Roer en Maas verbetert: op het traject van de Roer in de stad Roermond liggen enkele niet passeerbare waterstaatkundige werken. De hier in de Hambeek aangelegde vistrap functioneert op dit moment onvoldoende. Ook voor andere vissen is de Roer van belang. Van de kenmerkende soorten van stromend water (rheofiele soorten) vinden we Barbeel, Bermpje, Elrits, Kopvoorn, Sneep, Serpeling en Rivierdonderpad. De laatste heeft in de Roer een grote populatie. Ook voor de Kopvoorn, Barbeel en Elrits gaat het om betrekkelijk grote populaties, die de laatste jaren zijn toegenomen of (wat de Elrits betreft) zich nieuw hebben weten te vestigen vanuit het Duitse deel van de Roer. Ook de Bittervoorn, een andere soort van de Habitatrichtlijn, lijkt de laatste jaren in aantal toegenomen in de Roer en haar zijbeken. De Grote modderkruiper is in het gebied bekend van afgesloten meanders, en verder van poelen en sloten. De hoofdstroom van de Roer is verreweg de belangrijkste rivier voor stroomminnende libellen in ons land. Al langere tijd zijn hier populaties bekend van de Plasrombout (Gomphus pulchellus) en van de Weidebeekjuffer (Calopteryx splendens). Na 1990 kwamen hier de Blauwe breedscheenjuffer (Platycnemis pennipes), Kanaaljuffer (Cercion lindenii) en Beekrombout (Gomphus vulgatissimus) bij. Van de Weide- beekjuffer en de Beekrombout betreft het inmiddels relatief grote populaties. Het rijtje van stroomminnende libellen werd in de periode 2000 tot 2003 uitgebreid door de vondst van imago's en larvenhuidjes van de Kleine tanglibel (Onychogomphus forcipatus), Gaffellibel en Rivierrombout (Gomphus flavipes). De Rivierrombout staat op de Annex IV van de Habitatrichtlijn (onder de naam Stylurus flavipes). De Gaffellibel staat tevens op Annex II. Het Roerdal herbergt de grootste populatie van deze soort in ons land. De genoemde soorten worden alle over het gehele Nederlandse traject van de Roer aangetroffen, waarbij de hoogste dichtheden in het gedeelte westelijk van Herkenbosch voorkomen. De uitbreiding van deze groep van libellen in ons land vanaf de jaren 1980 is waarschijnlijk grotendeels toe te schrijven aan een verbetering van de waterkwaliteit. Het is nu nog wachten op de Bronslibel (Oxygastra curtisii), eveneens een stroomminnende Annex IIsoort, waarvan de dichtstbijzijnde populatie zich in de Belgische Ardennen bevindt. Ook bij andere groepen macrofauna in de Roer komt een beeld naar voren van stroomminnende soorten die hoge eisen stellen aan de waterkwaliteit. Een logische aanvulling op dit beeld vormen de begroeiingen met Vlottende waterranonkel (Ranunculus fluitans), het habitattype 3260 dat kenmerkend is voor stromende beken en rivieren. Het natuurlijke karakter van de bedding met een rijke vissen- en insectenfauna is een kolfje naar de hand van de IJsvogel en de Grote gele kwikstaart. Jaarlijks broeden van beide soorten wel zo'n 10 paartjes langs de Roer. Waar het landschap direct langs de waterloop een open karakter heeft, broedt geregeld de Oeverzwaluw in de steile oevers. Een positieve ontwikkeling voor al deze natuurwaarden is dat ook in het Duitse deel van de Roer maatregelen worden genomen om de morfologie van de rivier te verbeteren. In laagdynamische, bosrijke delen langs de rivier leeft inmiddels een kleine populatie van de Bever. Het gaat hier om de nietinheemse ondersoort belarusicus, herkenbaar aan de donkere pels, die afkomstig is van herintroducties in het Duitse deel van het dal van de Roer (in de Eifel). In het Maasdal en omgeving wordt gestreefd naar de ontwikkeling van een populatie van deze sleutelsoort in het rivierecosysteem, door uitzettingen van dieren van de ondersoort albicus, die oorspronkelijk in Nederland voorkwam. De afgesneden wateren, poelen en plassen vormen tevens belangrijke, laagdynamische milieus voor amfibieën als Kamsalamander, Rugstreeppad en Knoflookpad. In het verleden kwam de Kamsalamander in het hele Roerdal voor, maar tegenwoordig resteren slechts enkele kleine populaties, in het bijzonder in de omgeving van Vlodrop en Herkenbosch. De in ons land nog sterker bedreigde Knoflookpad is sinds enige jaren niet meer in het gebied waargenomen. Een belangrijk natuurgebied in een afgesneden meander vormen de Turfkoelen, een gebied aan de voet van de Peelrandbreuk, waar water stagneert en veengroei optreedt. Hier vinden we berkenbroekbossen (H91D0) en elzenbroekbos, afgewisseld met respectievelijk Gagelstruweel en wilgenstruweel. In het Gagelstruweel en berkenbroek groeien Wateraardbei (Comarum palustre), Snavelzegge (Carex rostrata), Zompzegge (Carex curta) en Koningsvaren (Osmunda regalis). Het voedselrijke elzenbroekbos met wilgenstruweel herbergt onder meer Elzenzegge (Carex elongata), Stijve zegge (Carex elata) en Moerasviooltje (Viola palustris). In en langs open water komen verlandingsstadia voor met soorten als Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata), Grote boterbloem (Ranunuculus lingua) en Waterscheerling (Cicuta virosa), alledrie zeldzame planten in dit deel van het land, en verder de kwelindicerende soorten Holpijp (Equisetum fluviatile) en Waterviolier (Hottonia palustris). Landgoed Hoosden vormt een ander fraai voorbeeld van bossen in een oude meander. Dit gebied ligt verder stroomafwaarts in een moerassige laagte, ingeklemd tussen een oud Roerterras aan de westzijde en recent gevormde oeverwallen aan de oostzijde. Door de geringe rivierinvloed kon ook hier veengroei optreden, maar het water is voedselrijker en minder zuur dan in de sterker geïsoleerde Turfkoelen. Het aanwezige bos is voornamelijk elzenbroekbos (H91E0). De meest belangwekkende vorm staat onder invloed van kwel en betreft het Veldkers-Elzenbroek (Carici elongatae-Alnetum cardaminetosum amarae), met de combinatie van Bittere veldkers (Cardamine amara), Elzenzegge en Stijve zegge. Het betreft waarschijnlijk het meest uitgestrekte en best ontwikkelde voorbeeld van dit zeldzame bostype in ons land. In een open, zeer nat veld van zeggen leeft hier een grote populatie van de Zeggekorfslak. Ook komt in dit gebied een vorm van het Thelypterido-Alnetum glutinosae voor, met in de ondergroei de Moerasvaren (Thelypteris palustris), buiten de laagvenen in Noord- en West-Nederland een grote zeldzaamheid. Een laatste groep aan ecosystemen in het Roerdal wordt gevormd door graslanden en droge ruigten. In het verleden kwam op zandige oeverwallen langs de Roer stroomdalgrasland voor met soorten als Kaal breukkruid (Herniaria glabra) en Grote tijm (Thymus pulegi oides). Door intensivering van de landbouw zijn de locaties van dit habitattype 6120 verdwenen, maar herstel door verschraling wordt mogelijk geacht op zandige, droge delen. Vochtige hooilanden van het Glanshaververbond (Arrhenatherion elatioris; H6510) vinden we op diverse plaatsen in het gebied, veelal in fragmentaire vorm. Hetzelfde geldt voor de nattere Dotterbloemhooilanden (Calthion palustris), die in het verleden bekend waren van het Herkenboscher Broek en Landgoed Hoosden. Beide typen grasland zijn, net als verwante, ruigere begroeiingen, in het Roerdal van belang vanwege de aanwezigheid van Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis), een sierlijke vertegenwoordiger uit de Rozenfamilie. De Grote pimpernel is de waardplant van het Pimpernelblauwtje (Maculinea teleius) en het Donker pimpernelblauwtje, twee vlinders die in deze streek bekend stonden onder de naam 'Maasblauwtjes'. Beide vlinders, waarvan de rupsen opgroeien in de nesten van specifieke knoopmieren, kwamen in het verleden in het hele Roerdal voor. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw werden ze nog op verschillende locaties waargenomen, maar de populaties van de Grote pimpernel en de knoopmieren waren in die tijd al hard achteruitgegaan door vernietiging, bemesting en beweiding. De laatste inheemse populatie van beide Maasblauwtjes legde in 1970 het loodje. Enige jaren nadat beide soorten in de Moerputten (bij 's-Hertogenbosch) waren geherintroduceerd, werd in 2001 onverwacht een populatie van het Donker pimpernelblauwtje herontdekt in het Roerdal. De soort komt momenteel voor in het oostelijke deel van het Natura 2000-gebied, alsmede in het losliggende deelgebied bij Posterholt. Ze leeft hier in droge, ruige bermen met veel Grote pimpernel. Het gaat om een kleine, maar zeer belangrijke populatie, gezien het feit dat de soort in heel haar sterk versnipperde leefgebied onder druk staat. Bovendien betreft het hier het oorspronkelijke ras, dit in tegenstelling tot de in Noord-Brabant geherintroduceerde dieren die uit Polen afkomstig waren. De vlinder heeft een ruim netwerk van geschikte gebieden nodig, omdat de rupsen de nesten van de knoopmieren zodanig uitputten dat de mierenpopulatie hieronder te lijden heeft. De vlinder moet dan ook telkens op zoek naar nieuwe plekken met waardmieren en waardplanten. Het is te hopen dat het Donker pimpernelblauwtje kan overleven in de wegbermen en waterkanten gedurende de tijd die nodig is om een voldoende groot netwerk van geschikte leefgebieden te ontwikkelen, bij voorkeur aan beide zijden van de grens.

Literatuur

Janssen 1982; Hermans & van Buggenum 1988; Riemersma & Van der Spiegel 1994; Hommel & Hermans 1996; Crombaghs et al. 2000; Dijkstra et al. 2002; Geraeds 2003; Gubbels & Belgers 2003; Schaik & Gubbels 2003; Geraeds & van Schaik 2005; Boeren 2005; Groenendijk & van Swaay 2005; Wynhoff et al. 2005; Gubbels 2008.

Nabij de Duitse grens is de Roer het meest dynamisch, zoals blijkt uit de hoge, geërodeerde oevers.
In de Roer zijn in 2007 larven van de Zeeprik gevangen, die sterk lijken op de jonge dieren van Rivierprik en Beekprik. Een verschil met de andere larven is de zwarte pigmentatie in de staart.
De roofsteenvlieg Perlodes microcephalus is gebonden aan betrekkelijk snel stromende beken en rivieren met een stenige bedding en een goede waterkwaliteit. De soort kwam vroeger tamelijk algemeen voor in Zuid-Limburg maar is in ons land tegenwoordig alleen nog bekend van de Roer.
Het Donker pimpernelblauwtje (Maculinea nausithous) heeft een ruim netwerk van plekken met waardplanten (Grote pimpernel, Sanguisorba officinalis) en waardmieren nodig, omdat de rupsen de nesten van de knoopmieren zodanig uitputten dat de mierenpopulatie hieronder te lijden heeft. De vlinders verplaatsen zich telkens, op zoek naar nieuwe geschikte locaties.