Maasduinen

Gebiedsnummer
145
GebiedsnaamMaasduinen
Status
Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Arcen en Velden, Bergen, Gennep
Provincie
Limburg
Sitecode HR
NL1000028
Sitecode VR
NL9910001
Totale oppervlakte in hectare
5274
Oppervlakte HR in hectare
5274
Oppervlakte VR in hectare
4289

Kenschets

De Maasduinen is een groot, langgerekt natuurgebied in Noord-Limburg, gelegen op het terrassenlandschap tussen de Maas en de Duitse grens. Het gebied strekt zich uit van Heijen (bij Gennep) tot Schandelo (bij Venlo). Het omvat uitgestrekte heidevelden, jonge bebossingen, vennen en stuifzanden. In de lagere terreindelen, tussen het eigenlijke duingebied en de oostelijk gelegen hoge rand van de Rijnterrassen in Duitsland, vinden we natte heidevelden en grotere vencomplexen. Het Maasdal zelf valt grotendeels buiten de begrenzing van het gebied; uitzonderingen zijn enkele fragmenten hardhoutooibos en stroomdal- grasland in het zuiden.

Landschap

Het Maasduinengebied (sinds 1998 een Nationaal Park) ontstond zo'n 10.000 jaar geleden aan het einde van de laatste ijstijd als onderdeel van een vlechtend rivieren- landschap. Door het grote verval en de zeer onregelmatige waterafvoer werden hier lange tijd geen klei maar alleen grof zand en grind afgezet. Oeverwallen en komgronden die nu het grootste deel van het Nederlandse rivierengebied kenmerken, kwamen niet voor. In plaats daarvan ontstond een wisselend mozaïek van rivierlopen, oude geulen en geïsoleerde plateaus. Pas tegen het einde van de ijstijd werden hierop ook sedimenten met een fijnere textuur afgezet (oude klei of rivierleem).

Door verstuiving van rivierzanden uit drooggevallen rivierbeddingen ontstond op wat nu de rechteroever van de Maas is vervolgens een langgerekte zandrug. Deze zand rug, thans de ruggengraat van het Maasduinen gebied, is dus anders dan het overgrote deel van de hogere zandgronden in ons land niet gevormd uit Pleistocene dekzandgronden maar uit een langgerekte strook rivier duinen. Het gaat hierbij om relatief (kalk)arme rivierzanden, die na duizenden jaren uitspoeling alleen nog maar verder zijn verarmd. In de huidige situatie zijn de verschillen met een verstoven dekzandlandschap daarom vrij gering, zeker waar het de droge terreingedeelten betreft.

De oudste duinvormen, zoals die 10.000 jaar geleden ontstonden, zijn in het veld nog goed herkenbaar. Het zijn complexen van grote sikkelvormige paraboolduinen met bijbehorende grootschalige uitblazings bekkens. Tussen Gennep en Venlo zijn nog zo'n tien van deze halvemaanvormige duincomplexen te herkennen. Over grote oppervlakten zijn de oude rivierduinen later opnieuw verstoven, als gevolg van overexploitatie van de heide, vooral in de directe omgeving van de dorpen in het Maasdal. Onzichtbaar voor het oog, maar van groot belang voor waterhuishouding en plantengroei is het fundament van de duinen: het oude, met een dunne klei- of leemlaag bedek te, door geulen doorsneden rivierlandschap.

Aan de westzijde gaat het gebied van de zandige rivierduinen vrij scherp over in het veel minder reliëfrijke Maasdal met overwegend kleiige, kalkarme bodems. In het noordelijke deel tussen Heijen en Wellerlooi gaat het daarbij om jonge (Holocene) rivierafzettingen op een Pleistocene ondergrond. In het gebied van de Maasterrassen ten zuiden van Arcen liggen veel oudere (Pleistocene) kleigronden aan de oppervlakte. Ter hoogte van het Landgoed de Hamert, tussen Arcen en Wellerlooi, reiken de rivierduinen nagenoeg tot aan de rivier.

Kenmerkend voor het gebied met oude rivierklei is dat het vlechtende patroon van oude geulen op veel plaatsen nog zichtbaar is, al zijn zij deels met latere rivierafzettingen of met veen opgevuld. Voorbeelden zijn het uitgeveende Lange Ven bij Heijen en het Lommerbroek bij Lomm. Zelfs in de diepst uitgestoven delen van het duinlandschap kan men de oude reliëfvormen nog zien doorschemeren, zoals bij het Esven (Sven) bij Afferden. De vlakkere terreingedeelten tussen deze geulen in het huidige rivierdal hebben een kleiige bovengrond of zijn met humeus zand uit de potstal opgehoogd (oude bouwlanden). Dit zand werd veelal lokaal gewonnen: op de overgang van de plateaus naar de oude geulen, een teken dat de afdeklaag van oude klei niet erg dik was.

Ook aan de oostzijde wordt het gebied van de rivierduinen begrensd door een langgerekte laagte. De bodem bestaat hier uit grove zanden van verschillende oorsprong (rivierafzettingen, smeltwater, verspoeld hellingmateriaal) met grind in de ondergrond. In het noorden en in het zuiden van deze laagte (respectievelijk bij Heijen en Schandelo) ligt op deze zanden een afdeklaag van oude rivierklei. In het centrale deel van de laagte ontbreekt deze kleilaag evenwel en is de zandbodem plaatselijk afgedekt met veen. Tot in de 20ste eeuw was dit een zeer nat, onvruchtbaar en onontgonnen gebied. Vanaf 1910 zijn grote delen van de natte laagte ontgonnen, vooral als akker- en tuinbouwgrond. Binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied liggen echter ook natte laagten die nooit ontgonnen zijn. Het Nieuwe Heerenven is in het kader van natuurontwikkelingsprojecten vanaf 1999 uit cultuur genomen, waarna de bouwvoor werd afgegraven. Tussen dit ven en Tuindorp worden momenteel opnieuw tientallen hectaren landbouwgrond omgezet in heide met vennen. Nog verder naar het oosten gaat de natte laagte over in het hoger gelegen gebied van oude Rijnterrassen. De overgang is abrupt en wordt gevormd door een 10-15 m hoge steilrand. De Rijnterrassen liggen grotendeels aan de Duitse zijde van de landsgrens. Indirect zijn deze wel van belang voor de Maasduinen, aangezien het grote hoogteverschil een aanzienlijke kweldruk in de aangrenzende lagere gebieden veroorzaakt. In combinatie met de gebrekkige afvoer en het ontbreken van een afdekkende kleilaag verklaart dit de eertijds permanent zeer natte omstandigheden in de laagte tussen de duinen en het Rijnterras. Dit is dan ook de reden dat hier over grote aaneengesloten oppervlakten veengroei kon plaatsvinden. Lokale vervening leidde vervolgens tot het ontstaan van kleine plasjes. Het heidegebied met het Oude en Nieuwe Heerenven en het Westmeerven ten zuidoosten van Wellerlooi is wat nu nog resteert van het oorspronkelijk veel uitgestrektere Heerenveen.

Veel vennen in het gebied zijn uitgeveende plasjes in voormalige veengebieden of zelfs oude rivierlopen, maar op diverse plekken in de landduinen liggen ook echte heidevennen. De belangrijkste zijn (van noord naar zuid): 't Quin, het Eendenmeer, de vennen in de Gemeenteheide bij Nieuw-Bergen, het Pikmeeuwenwater en de Ravenvennen. Deze vennen danken hun bestaan aan schijngrondwaterstanden die kunnen samenhangen met (lokale) gliedelagen en oerbanken, maar ook en vooral met ondoorlatende leem- en veenlagen in de ondergrond op de overgang van het opgestoven zand en de onderliggende rivierafzettingen. In het algemeen geldt dat hoe lager de vennen in het landschap liggen, hoe meer zij afhankelijk zijn van het regionale grondwatersysteem, dat wil zeggen van de afdeklaag van de oude riviervlakte. Het water in enkele van deze vennen is iets aangerijkt en enigszins gebufferd tegen verzuring, mogelijk door contact met het oude rivierleem. De prijs die hiervoor wordt betaald, is een grotere gevoeligheid voor verdroging ten gevolge van drainage van landbouwgebieden, waterwinning en ontgrondingen in de omgeving. Het meest dramatisch is dit het geval in de omgeving van de grote zand- en grindwinningsputten die midden in de Maasduinen werden uitgegraven, ten noorden van Arcen in de Boeren- en Dorper- heide en ten noorden van Well in de Bosscherheide.

Een oud litteken in het landschap is het Geldernsch-Nierskanaal, dat net ten zuiden van Landgoed de Hamert in de 18de eeuw werd gegraven als verbinding tussen Niers en Maas. Bij hoge afvoeren functioneert dit kanaal als een beek. Echte beken zijn zeldzaam in het Maasduinengebied. De belangrijkste zijn de Eckeltse beek bij Afferden en de Lingsforterbeek bij Arcen, hoewel de bedding van deze laatste in vroeger eeuwen gedeeltelijk is verlegd en ze sindsdien bij kasteel Arcen in de Maas uitmondt en niet meer bij de monding van de Rode Beek.

Natuurwaarden

Ondanks de bijzondere geologische ontstaansgeschiedenis heeft het gebied van de Maasduinen een begroeiing die veel lijkt op die van de meeste heidelandschappen: een mozaïek van stuifzand, heide, vennen en merendeels jonge en door naaldhout gedomineerde bossen. Een blik op de bodemkaart leert ons dat het areaal stuifzand hier in het niet al te verre verleden erg groot moet zijn geweest. Het gaat hierbij om secundaire verstuiving van geplagde delen van het heidelandschap. Na het einde van de potstallandbouw aan het einde van de 19de eeuw liep overal in Nederland het areaal levend stuifzand terug. Nieuwe stuifzanden ontstonden niet meer en bestaande stuifzanden werden vastgelegd of groeiden door natuurlijke successie dicht. Toch waren in de Maasduinen tot de jaren 1970 nog tientallen hectaren botanisch waardevol stuifzandlandschap aanwezig. De belangrijkste waarde school in de diversiteit aan lichenen, vooral uit de groep specialisten van kaal zand. Sindsdien is het rap achteruitgegaan met de lichenenflora. De redenen zijn bekend en duidelijk onderling gerelateerd: stikstofdepositie, spontane vegetatieontwikkeling en het oprukken op de gestabiliseerde stuifzandbodems van de exoot Grijs kronkelsteeltje (Campyl opus introflexus). Met uitzondering van enkele plekken zijn de lichenenbegroeiingen van kaal zand overal sterk achteruitgegaan of verdwenen. Dit wil echter niet zeggen dat alle korstmossen zijn verdwenen. Het stuifzandgebied van de Maasduinen is nog steeds rijk aan lichenen, maar het betreft thans vooral soorten die groeien in mostapijten of op heidestrooisel. Niet alleen de lichenenrijke pioniervegetatie is beïnvloed door de teloorgang van het stuifzandlandschap, maar ook de gevolgen voor de fauna waren aanzienlijk. Zo is de Duinpieper hier na 1977 niet meer gezien. Misschien dat het herstel van stuifzanden waaraan plaatselijk wordt gewerkt, het tij kan keren. Ook van de enorme oppervlakte heidegrond die hier tot ver in de 19de eeuw aanwezig was, is weinig over. Veel heidevelden werden met bos ingeplant, vooral met dennen. De belangrijkste restanten liggen nu bij Afferden (o.a. 't Quin), Nieuw-Bergen (Gemeenteheide en Bergerheide) en Wellerlooi (Landgoed de Hamert met de Looierheide). Het overgrote deel van de begroeiingen bestaat uit droge Struikheivegetatie (Calluno-Genistion piosae), die ook van belang is voor droogte- en warmteminnende diersoorten als Zandhagedis, Gladde slang, Blauwvleugelsprinkhaan (Oedipoda caerulescens), Knopsprietje (Myrmeleotettix maculatus) en Rode baardmier (Formica rufibarbis). Minder uitgesproken thermofiele bewoners van de droge heidevelden zijn Levendbarende hagedis, Nachtzwaluw en de talrijke Boomleeuwerik en Roodborsttapuit. In het grootste deel van de uitgestoven laagten met vennen groeit op de moerige gronden tussen de Struikhei (Calluna vulgaris) relatief veel Gewone dophei (Erica tetralix). Plantensociologisch zijn deze doorgaans soortenarme begroeiingen moeilijk te duiden. Faunistisch is deze contactzone tussen droog en vochtig van groot belang, onder andere voor Rugstreeppad, Heikikker en Heideblauwtje (Plebeius argus). Natte heide (H4010) en hoogveenbegroeiingen (H7110) zijn binnen de zone van rivierduinen en uitgestoven laagten grotendeels beperkt tot de directe omgeving van de vennen. De meeste zijn matig ontwikkeld. Soorten als Hoogveenveenmos (Sphagnum magellanicum), Witte snavelbies (Rhynchospora alba), Lavendelhei (Andromeda polifolia), Kleine veenbes (Vaccinium oxycoccus) en Eenarig wollegras (Eriophorum vaginatum) komen echter nog op verschillende plaatsen voor, onder andere in 't Quin, de Duivelskuil, het Pikmeeuwenwater, het Geldersch Vlies en verschillende Ravenvennen. Binnen de zone met rivierduinen ligt de best ontwikkelde natte heidevegetatie van enige omvang op de Bergerheide, vooral aan de voet van de Springberg, westelijk van het Lelieven. Hier worden plaatselijk Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe), Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata), Blauwe zegge (Carex panicea), Sterzegge (Carex echinata), Veenbies (Trichophorum cespitosum subsp. germanicum) en Moeraswolfsklauw (Lycopodiella inundata) aangetroffen. Het Meeuwenven (of Eendenmeer) bij Nieuw-Bergen is sterk geëutrofieerd door een kokmeeuwen kolonie. Tussen de horsten Pijpenstrootje (Molinia caerulea) groeien hier soorten als Blaartrekkende boterbloem (Ranunculus sceleratus) en Knikkend tandzaad (Bidens cernua). De vennen in uitgestoven laagten met stagnatie van regenwater op een oude leemlaag zijn van oudsher wat meer gebufferd dan 'gewone' heidevennen (met waterstagnatie op een gliedelaag of een oerbank van ingespoeld ijzer). In principe zou zich dit moeten vertalen in de aanwezigheid van soorten van iets gebufferde omstandigheden, vooral uit de Oeverkruidklasse (Littorelletea). In het verleden is dit ongetwijfeld het geval geweest, maar hier valt in 'oude' vennen momenteel weinig van terug te zien, vooral door verzurende depositie, vermindering van de grondwaterinvloed (o.a. door de grootschalige zand- en grindwinningen) en dichtgroeien van de venoevers. Op diverse plaatsen zijn begroeiingen van de Oeverkruidklasse echter teruggekeerd in vennen die vroeger ontgonnen zijn, maar die enkele jaren geleden door het verwijderen van de verrijkte toplaag en het dempen of opstuwen van sloten zijn hersteld. Zo groeien in het Driessenven en het Rondven op de Bergerheide weer soorten als Moerashertshooi (Hyp ericum elodes), Pilvaren (Pilularia globulifera), Veelstengelige waterbies (Eleocharis multicaulis) en Waterpostelein (Lythrum portula). De best ontwikkelde voorbeelden van herstelde vennen zijn de Valkenbergvennen in de Ravenvennen, waar soorten als Gesteeld glaskroos (Elatine hexandra), Oeverkruid (Littorella uniflora), Pilvaren, Moerashertshooi, Duizendknoopfonteinkruid (Potamogeton polygonifolius), Veelstengelige waterbies en Vlottende bies (Eleogiton fluitans) zijn teruggekeerd. De vennen zijn rijk aan broedvogels van moerassen zoals Dodaars, Geoorde fuut, Wintertaling, Waterral en Blauwborst. Ook komen voor dit deel van Nederland zeldzame soorten als Krakeend, Zomertaling en Tafeleend voor. Van recente datum is de vestiging van de Grauwe gans die inmiddels op elke waterpartij is te vinden. Kokmeeuwen hebben van oudsher op de Bergerheide of de Hamert (Pikmeeuwenwater) gebroed. De laatste jaren is het aantal sterk teruggelopen en tegenwoordig broeden ze nog maar met een enkel paar. Veel grotere oppervlakten natte heide waren oorspronkelijk aanwezig in de ten oosten van de oude rivierduinen gelegen natte laagte. Grote delen van deze laagte zijn thans ontgonnen tot landbouwgrond of bos. Een belangrijk relict is het Nieuwe Heerenven ten oosten van Wellerlooi, waar recente maatregelen tot spectaculaire successen hebben geleid. Aan de westoever kwamen over grote oppervlakten pionierbegroeiingen met Wijdbloeiende rus (Juncus tenageia) en zelfs het uiterst zeldzame Klein glaskroos (Elatine hydropiper) tot ontwikkeling, terwijl hier ook soorten als Bruin cypergras (Cyperus fuscus), Klein vlooienkruid (Pulicaria vulgaris), Pilvaren, Vlottende bies, Slijkgroen (Limosella aquatica) en Zilte greppelrus (Juncus ambiguus) zijn verschenen. Aan de oostoever - waar de invloed van het grondwater groter is - kwamen ook Witte waterranonkel (Ranunculus ololeucos), Moerashertshooi en Loos blaasjeskruid (Utricularia australis) tevoorschijn. De vochtige heideterreinen van de natte laagte en de uitgestoven laagten tussen de rivierduinen zijn ook van belang voor een aantal zeldzame dieren, waaronder Veenhooibeestje (Coenonympha tullia), Veenmier (Formica picea) en Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum). Het zuidelijke deel van de natte laagte, het Vreewater, neemt van oudsher een bijzondere positie in, omdat hier nog een dun pakket 'oude rivierklei' (eigenlijk rivierleem) de zandige ondergrond afdekt. Ook hier zijn recent vrij grote oppervlakten landbouwgrond uit cultuur genomen, waarna de beheerder moest kiezen tussen behoud van de bestaande aardkundige waarden (geen grondverzet) en potentiële botanische waarden (verwijderen bouwvoor). Waar voor de laatste optie is gekozen, resulteerde dit direct in de vestiging van een groot aantal bijzondere soorten. Opnieuw valt het grote aandeel Littorelleteaelementen op, waaronder Pilvaren, Moerashertshooi, Drijvende waterweegbree (Luronium natans), Veelstengelige waterbies, Naaldwaterbies (Eleocharis acicularis) en Gesteeld glaskroos (Elatine hexandra). Het is te verwachten dat een deel van deze soorten bij voortgaande successie weer zal verdwijnen. Naast de talrijke heidevennen, resten van natte veengebieden en oude veengebieden en oude Maasmeanders is op verschillende plaatsen in het gebied nog meer open water aanwezig in de vorm van beken, het Geldernsch-Nierskanaal en verschillende zand- en grindgaten. Hoewel langs de beken plaatselijk botanisch interessante kwelplekken aanwezig zijn, bijvoorbeeld met Bosbies (Scirpus sylvaticus) en Duizendknoop fonteinkruid, zijn deze wateren vooral faunistisch van belang. Zo lijkt het uitzetten van bevers in 2002 te hebben geleid tot blijvende aanwezigheid van deze soort langs het kanaal en de Eckeltse beek. Ook langs de Maasoevers en de Lingsforterbeek worden regelmatig bevers waargenomen. De Eckeltse beek is daarbij van belang voor vissoorten als Bermpje, Kleine modderkruiper en Rivierdonderpad. De zand- en grindwinningsputten zijn vooral van belang voor watervogels, maar ook voor bijvoorbeeld Oeverzwaluw, IJsvogel, graafbijen en graafwespen. Een groot deel van de Maasduinen is met bos bedekt. Het gaat vooral om jonge, eenvormige heidebebossingen (vooral dennenbos), waarin nog weinig structuurvariatie is opgetreden en zich nog nauwelijks bosplanten hebben kunnen vestigen. Wel zijn deze bossen rijk aan roofvogels en spechten en zorgt de combinatie van bos en heide voor de aanwezigheid van een soort als de Wespendief. Op beperkte schaal zijn bospercelen aanwezig die ook botanisch interessant zijn. Zo liggen hier en daar in het zandlandschap oude eikenstrubben (H9190), is een Maasmeander als het Lommerbroek dichtgegroeid met goed ontwikkeld berkenbroek bos (H91D0), staat langs het GeldernschNierskanaal wilgenbos (H91E0) en vinden we daar waar het bos van de Maasduinen tot aan de Maasoever reikt (o.a. bij Ooijen), een voorzichtige ontwikkeling in de richting van hardhoutooibos (H91F0), met bijvoorbeeld Voorjaarshelmbloem (Corydalis solida). Ten slotte liggen in het Maasdal enkele fragmenten stroomdalgrasland. Doordat zowel de rivierzanden als het rivierwater relatief kalkarm zijn, hebben de stroomdalgraslanden langs de Maas van oudsher een iets andere soortensamenstelling dan hun tegenhangers in het Rijnsysteem en ontbreken diverse aan kalk gebonden soorten. Daarbij bieden de kleiige terrasranden langs een insnijdende rivier veel minder mogelijkheden voor de ontwikkeling van stroomdalgraslanden dan de oeverwallen en rivierduinen langs een meanderende rivier. Toch herbergen de restanten van het typische Maasstroomdalgrasland bij Arcen, Wellerlooi en Afferden een hoge botanische waarde, met soorten als Gulden sleutelbloem (Primula veris), Herfsttijloos (Colchicum autumnale), Gestreepte klaver (Trifolium striatum), Tripmadam (Sedum rupestre), Zacht vetkruid (Sedum sexangulare), Kaal breukkruid (Herniaria glabra) en Kleine bevernel (Pimpinella saxifraga).

Literatuur

Baggerman et al. 1969; Limpens & Strolenberg 1972; Coenen 1981; van Dijk et al 1984; Giesen et al. 1996; Hoogerwerf & Jansen 1998; Hoogerwerf et al. 1998; Arts & Borkent 1999; Kurstjens 2002; Ketner-Oostra et al. 2005; Lenders & Heijligers 2007; Verbeek & van den Munckhof 2008.

Het Pikmeeuwenwater is een voorbeeld van een echt heideven in het Natura 200gebied Maasduinen. De naam verwijst naar de kokmeeuwen die hier vroeger in groten getale broedden.
Het Knopsprietje (Myrmeleotettix maculatus) heeft verdikte toppen van de voelsprieten, die als het ware een knopje vormen. Het is een kenmerkende soort van onbegroeide, zandige plekken in mozaïek met lage vegetatie, zoals die vooral in de duinen en op droge heide voorkomen. Op dergelijke plekken kan de soort massaal voorkomen.
Kruisbladwalstro (Cruciata laevipes) is een soort van soortenrijke zomen, die in ons land het meest wordt aangetroffen in het Rivierengebied en Zuid-Limburg.
De Roodbruine heiderouwzwever (Exoprosopa capucina) is een kenmerkende soort van droge heidevelden en duingraslanden. Daar fladdert de soort met opvallende donkere vleugels vlak boven de grond of in de lage vegetatie. De larven leven als parasiet in de nesten die solitaire bijtjes in zandgrond uitgraven. Daar eten ze de stuifmeelvoorraad en de bijenlarven op. De vliegen zetten hun eieren nabij de nestingangen af, waarna de uitgekomen larve de gang binnengaat.
Langs het Geldernsch-Nierskanaal groeit een wilgenbos dat dankzij de hoge waterdynamiek, het verwijderen van de oeverbeschoeiing en de knaagactiviteiten van de bevers steeds meer het karakter krijgt van een natuurlijk beekbegeleidend zachthoutooibos (<a href='gebiedendatabase.aspx?subj=habtypen&amp;groep=1&amp;id=91E0'>H91E0</a>). Kleine bonte specht en Wielewaal voelen zich hier thuis en in de steile oevers broedt de IJsvogel.