Leudal

Gebiedsnummer
147
GebiedsnaamLeudal
Status
Habitatrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Haelen, Roggel en Neer
Provincie
Limburg
Sitecode HR
NL9803039
Totale oppervlakte in hectare
340
Oppervlakte HR in hectare
340

Kenschets

Het Leudal is gelegen in Midden-Limburg aan de westkant van de Maas, ten noordwesten van Roermond. Het gebied bestaat voornamelijk uit bossen waarin her en der graslandenclaves zijn uitgespaard. Op de hoger gelegen gronden betreft dit Beuken-Zomereikenbos en Berken-Eikenbos; de nattere dalgronden zijn begroeid met verschillende vormen elzenbroekbos. Van oudsher staat het Leudal bekend om zijn groeiplaats van Witte rapunzel (Phyteuma spicatum subsp. spicatum), maar deze soort is inmiddels verdwenen.

Landschap

Het Leudal is gelegen tussen een vijftal kerkdorpen, dat de centrale delen van het gebied als een naar het Maasdal gekeerd hoefijzer omsluit. Nunhem en Haelen liggen aan de zuidkant van het dal, Heythuysen, Roggel en Neer aan de oost- en noordkant. De kern van het beekdal bestaat uit twee meanderende beken, de Zelsterbeek en de Leubeek. Even ten noorden van Nunhem stromen deze beken, samen met de Haelensche beek, verder als de Neerbeek, die vervolgens aan de zuidrand van Neer in de Maas uitmondt. De noordelijk gelegen Zelsterbeek is voor een groot deel aan kanalisatie ontkomen. Alleen de meer westelijk gelegen trajecten van deze beek (Roggelse beek genoemd) zijn gekanaliseerd. Van de Leubeek is een kleiner traject gespaard gebleven, in de benedenloop. De meer stroomopwaarts gelegen delen (Tungelroysche beek) zijn vergraven.

Geologisch gezien ligt het Leudal in een dalingsgebied, de Centrale Slenk. Deze slenk is grotendeels opgevuld met materiaal dat is afgezet door achtereenvolgens zee, rivieren en wind, waardoor de ontstane hoogteverschillen werden gedempt. De contouren van het huidige landschap met zijn diep opgestoven landduinen, laagten, dekzandruggen en ingesneden beekdalen, zijn in de laatste ijstijd totstandgekomen. De grootste hoogteverschillen in het Leudal bedragen momenteel ruim tien meter. In het verleden, vóór de grootschalige ontginningen, herbergden de dekzandruggen een vrij groot aantal vennen en vennetjes, maar daarvan is vrijwel niets over. Een van de weinige getuigen uit deze tijd is het ven de Grote bedelaar in het zuidoosten van het gebied.

De beeklopen van de Zelsterbeek en de Leubeek verzor gen van oudsher een deel van de afwatering van het gebied van de Peelvenen in het noordwesten en van de kwelgebieden op de flanken van het Kempisch Plateau in het zuidwesten. De insnijding in het tot dertig meter dikke zandpakket heeft geleid tot diepe en smalle beekdalen, waarbij het water steile buitenbochten heeft uitgeschuurd en vlakkere binnenbochten zijn gevormd waar sediment werd afgezet. De beken en dalflanken worden gevoed door kwelwater van verschillende herkomst, waarvan de samenstelling wordt bepaald door de mate van bijmenging met (zuur) neerslagwater. Het diepe grondwater is afkomstig uit de omgeving van Weert en Budel en - na soms eeuwenlang verblijf in de bodem - basenrijk. Deze verschillen in waterkwaliteit komen in het gebied tot uitdrukking in een breed scala aan bosgemeenschappen, variërend van zure tot basische omstandigheden. De kwaliteit van het beekwater zelf laat nog wel te wensen over. Deels is dit toe te schrijven aan zware verontreinigingen in het verleden, onder meer door lozingen van de zinkfabriek te Budel.

In de loop van de eeuwen zijn langs de beken in het Leudal vele watermolens gebouwd, waarvan nu alleen nog de fraai gelegen Leumolen of Sint-Ursulamolen resteert. Van de Sint-Elisabethmolen staat nog een ruïne, nadat de Duitsers deze in 1944 tijdens hun aftocht hebben opgeblazen.

Natuurwaarden

Het zijn vooral de bossen op de laaggelegen dalgronden die het karakter van het Leudal bepalen. Ze behoren tot het habitattype Vochtige alluviale bossen (H91E0). Deze bossen zijn oorspronkelijk aangelegd als rabattenbos, met een beheer van hakhout, zoals nog goed in het veld is te herkennen. De rabatten waren noodzakelijk om boomgroei in deze natte delen van het beekdal mogelijk te maken: 'rood haar en elzenhout zijn zelden op goede grond gebouwd'. Deels behoren deze bossen tot de subassociatie cardaminetosum van het Carici elongatae-Alnetum, die in ons land tot de zeldzaamste bosgemeenschappen behoort en verwantschap vertoont met de bronnetjesbossen van het Carici remotae-Fraxinetum. Naast de naamgevende Bittere veldkers (Cardamine amara) zijn in deze vorm van het Elzenzegge-Elzenbroek onder meer IJle zegge (Carex remota), Paarbladig goudveil (Chrysosplenium oppositifolium) en Verspreidbladig goudveil (Chrysosplenium alternifolium) aanwezig. Ook de andere subassociaties van het Elzenzegge-Elzenbroek zijn vertegenwoordigd en hetzelfde geldt voor de beekbegeleidende bossen van het Vogelkers-Essenbos (Pruno-Fraxinetum). In de ondergoei van de elzenbossen is Zwarte bes (Ribes nigrum) een opvallende struik; in de minder venige essenbossen groeien Bosvergeetmijnietje (Myosotis sylvatica), Groot heksenkruid (Circaea lutetiana) en Muskuskruid (Adoxa moschatellina). Op de minst dynamische plekken in het beekdal wordt Zompzegge-Berkenbroek (Carici curtae-Betuletum pubescentis) aangetroffen met Wilde gagel (Myrica gale) als aspectbepalen de soort. Op een enkele plek in de beekdalbossen groeit Koningsvaren (Osmunda regalis), waarnaar in het verleden een eigen bostype werd vernoemd, het KoningsvarenElzenbroekbos (Carici laevigatae-Alnetum). In een begroeiing van het Pruno-Fraxinetum, met in de ondergroei veel Gele dovenetel (Lamiastrum galeobdolon) en verder soorten als Dagkoekoeksbloem (Silene dioica), Wijfjesvaren (Athyium filixfemina) en Ruwe smele (Deschampsia cespitosa), kwam tot voor kort op twee plekken Witte rapunzel voor. Mogelijk is de soort hier verdwenen door wijzigingen in de hydrologie en/of door een veranderd bosbeheer. De beek is in de loop van de tijd steeds dieper in zijn bedding ingesneden, terwijl op beide groeiplaatsen tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw een hakhoutbeheer werd uitgevoerd. De variatie aan beekbegeleidende gemeenschappen wordt nog vergroot door het optreden van Slangenwortel (Calla palustris) in oude beekmeanders en van levermosbegroeiingen op steile beekoevers. De levermosbegroeiingen worden op een enkele plek gedomineerd door Kegelmos (Conocephalum conicum). Het Leudal is daarmee in Midden-Limburg de enige locatie van de in ons land zeldzame associatie Pellio-Conocephaletum. De fraaie begroeiingen in het beekdal ten spijt, behoort het grootste deel van de bossen in het Leudal tot de 'arme' bossen van het Quercion roboris. Deze hoog gelegen loofbossen worden plaatselijk gedomineerd door Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum). In de ondergroei treden her en der forse populaties op van Lelietjevandalen (Convallaria majalis), Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum) en Dalkruid (Maianthemum bifolium). Op een enkele plek zijn, op de randen van het plateau, smalle gordels aanwezig met Eiken-Haagbeukenbos (Carpinion betuli; H9160), dat buiten Zuid-Limburg en enkele beekdalen in het noorden en oosten van ons land slechts spaarzaam vertegenwoordigd is. Haagbeuk (Carpinus betulus) is een belangrijke soort in de boomlaag, terwijl in de ondergroei onder meer Bosanemoon (Anemone nemorosa), Witte klaverzuring (Oxalis acetosella) en Wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) voorkomen. De droge dennenbossen in het Leudal vormen blijkbaar een ideaal milieu voor de in ons land uiterst zeldzame Phegeavlinder (Amata phegea), die hier soms met tienduizenden tegelijk gezien wordt. Het bosgebied vormt een van de grootste loofhoutcomplexen van enige ouderdom in westelijk Midden-Limburg en is dan ook een bolwerk voor een groot aantal vogelsoorten van oude loofbossen, waaronder Kleine bonte specht, Fluiter, Boomklever en Appelvink. Soorten van vochtige bossen als Koekoek, Nachtegaal, Spotvogel en Matkop zijn ook volop te vinden. Door de grote omvang kan het Leudal ook bogen op een rijke roofvogelfauna met Wespendief, Havik, Sperwer en Buizerd. In de beken komen plaatselijk begroeiingen voor met Vlottende waterranonkel (Ranunculus fluitans), die zijn te rekenen tot habitattype 3260. Het karakter van een tamelijk snel stromende beek vindt ook zijn weerslag in het voorkomen van het Sagittario-Sparganietum, met soorten als Pijlkruid (Sagittaria sagittifolia), Kleine egelskop (Sparganium emersum), Haarfonteinkruid (Potamogeton trichoides) en Potamogeton x fluitans, de bastaard van Doorschijnend fonteinkruid (Potamogeton lucens) en Drijvend fonteinkruid (Potamogeton natans). Langs de beek zijn IJsvogel en Grote gele kwikstaart als broedvogel aanwezig. Door het snelstromende water en de beschaduwing door het begeleidende bos vriezen de beken ook in strenge winters niet snel dicht, zodat de IJsvogel ook in deze perioden verzekerd is van viswater. De visfauna wordt blijkbaar slechts in beperkte mate gehinderd door de verontreinigde beekbodem, gezien het voorkomen van soorten als Bermpje, Kopvoorn, Serpeling, Beekforel en sinds kort ook de Beekprik. Door de recente aanleg van twee visoptrekvoorzieningen kunnen trekkende vissen uit de Maas via de Neerbeek weer het Leudal bereiken om daar te paaien.

Literatuur

Lemaire 1973; Bongers & Hermans 1992; Bossenbroek et al. 1996; Schaminée & Willems 2002.

Elzenbroekbos met ondergroei van Moeraszegge (Carex acutiformis). Broekbossen zijn in het Leudal in een grote vers cheidenheid aanwezig en dragen sterk bij aan de biologische kwaliteiten vam dit dal.
De in ons land algemene wants Pantilius tunicatus leeft op Els (Alnus) en Hazelaar (Corylus avellana), waar hij zich voedt met plantensappen. Beekbegeleidende bossen vormen voor deze soort een belangrijke habitat.