Zuidlaardermeergebied

Gebiedsnummer
20
GebiedsnaamZuidlaardermeergebied
Status
Vogelrichtlijn
Overbelasting stikstof
Nee
Gemeente
Groningen, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Tynaarlo
Provincie
Groningen
Sitecode VR
NL0902041
Totale oppervlakte in hectare
2087
Oppervlakte VR in hectare
2087

Kenschets

Het Zuidlaardermeergebied bestaat uit een natuurlijk, ondiep meer en een aangrenzend veenweidegebied dat aansluit op de Hondsrug. Het meer is omgeven door moerasgebieden die broedgelegenheid bieden aan moerasvogels als Roerdomp, Porseleinhoen en Rietzanger. Het veenweidegebied is van betekenis voor weidevogels en als foerageergebied voor Kleine zwaan, Kolgans en Smient.

Landschap

Het Zuidlaardermeer is, anders dan nabijgelegen meren als Friesche Veen en Paterswoldse Meer, niet door vervening ontstaan; het is een natuurlijk water. De oorsprong ervan gaat terug tot ongeveer 5.000-8.000 jaar voor Chr. Toen na de ijstijd de waterspiegels stegen, ontwikkelden zich in het stroomgebied van de Hunze riet- en zeggenbegroeiingen, waarna veenvorming optrad. Omdat in dezelfde tijd de zee verder naar binnen begon te dringen, bleef - door de dynamiek van stroming en getij - duurzame veenvorming ter plaatse van het huidige Zuidlaardermeer uit. Er ontstond een ondiep meer met een zandbodem en enige getijdeninvloed. Ten noorden van het meer bleef het veen intact, al werd aan weerszijden van het huidige Drentsche Diep tijdens overstromingen wat klei afgezet. Hier liggen aan de linkerzijde thans de Oostpolder en Onnerpolder, en aan de rechterzijde de Westerbroekster Madepolder en de Kropswolder Buitenpolder, van elkaar gescheiden door het Foxholster meer. Al vroeg werden in dit gebied de eerste dijken aangelegd, en uiteindelijk werd het gebied tegen het einde van de 17de eeuw grotendeels ontgonnen. De laagveenmoerassen veranderden in 'madelanden'. Deze stonden tot ver in het voorjaar grotendeels onder water. In de Oostpolder kon bijvoorbeeld alleen in juli en augustus worden gehooid. In 1862 kwam er bij Noordlaren een waterwindmolen, die de polder vroeger in het jaar droog moest malen voor het vee. De invloed van de (Lauwers)zee, die via het huidige Reitdiep nog aanwezig was, werd definitief uitgebannen toen het Reitdiep in 1877 bij Zoutkamp werd afgesloten. Ongeveer 35 jaar later werd de Oostpolder bekaad om de winteroverstromingen uit te bannen. Kleine stukken van de polders werden vanaf de Middeleeuwen verveend. Zo ontstond een aantal petgaten dat tegenwoordig wordt beheerd als viswater of als natuurgebied (Harense Wildernis). Door inklinking daalde het maaiveld in de polders en liggen de oeverlanden van het meer tegenwoordig hoger. De oude kwelstroom van de Hondsrug naar het meer veranderde zodanig dat nu water in de oeverlanden infiltreert en vanuit het meer naar de polder stroomt.

Vroeger was het Zuidlaardermeer rijk aan waterplanten. Door eutrofiëring kreeg het meer in de jaren zestig en zeven tig van de vorige eeuw te maken met algenbloei en 'verbraseming'. De eutrofiëring kon voor een deel worden teruggedrongen, maar pogingen om de algenbloei te verminderen door het wegvangen van brasems waren minder succesvol. Thans richt het waterschap zich op reductie van de nutriëntaanvoer door onder meer het stimuleren van moerasontwikkeling in het Hunzedal. De Westerbroekster Madepolder en de Kropswolder Buitenpolder zijn recent geschikt gemaakt voor waterberging, in combinatie met ontwikkeling van een weidevogelgebied met plasdras situaties en open water. Een onderdeel van het beheer is begrazing met koniks en Schotse hooglanders.

Natuurwaarden

De belangrijkste natuurwaarden van het meer zijn grotendeels geconcentreerd in de oevermoerassen, waarvan de meest uitgestrekte stukken te vinden zijn langs de oostzijde (Leinwijk). Er broeden jaarlijks één tot vijf paar roerdompen in de rietlanden. In de polders worden in de meeste jaren één tot vier porseleinhoenders gehoord. Ook Zomertaling en Watersnip broeden in deze polders. Vooral in de Onner- en Oosterpolder foerageren vanouds in de winter tot enkele honderden kleine zwanen en vele duizenden kolganzen, rietganzen en smienten, maar sinds de vernatting worden ook de polders aan de oostkant van het Drentsche Diep interessant. Deze vogels slapen gedeeltelijk op het Zuidlaardermeer, waarschijnlijk samen met vogels uit de omliggende gebieden. In 2008 zijn in het gebied twee paartjes bevers uitgezet.De petgaten in de Oostpolder en de rietlanden aan de westzijde van het meer worden gevoed door regenwater en kwel vanuit de Hondsrug. De petgaten zijn voedselarm en zuur, en het water heeft een zwarte kleur door de venige ondergrond. In de rietlanden groeien plaatselijk veel veenmossen, waarmee we te maken hebben met Veenmosrietland (H7140), terwijl op een locatie bijzonderheden staan als Kleine valeriaan (Valeriana dioica), Ronde zegge (Carex diandra) en Draadzegge (Carex lasiocarpa), die duiden op trilveen (eveneens H7140). In de natte hooilanden groeien Noordse zegge (Carex aquatilis) en Moeraskartelblad (Pedicularis palustris). Zowel langs het meer als in de petgaten broeden veel rietzangers en in de trektijd maakt de Visarend, soms met drie tegelijk, zowel van het meer zelf als van de petgaten gebruik.

Literatuur

Smittenberg 1972; Santing 1995; Beintema & Schekkerman 2001.

De Roerdomp is een soort die in ons land na een sterke terugval weer enige positieve ontwikkeling laat zien. Ook gebieden waar slechts enkele paren voorkomen, zoals in het Zuidlaardermeergebied, zijn van betekenis voor een duurzame landelijke populatie.