Veluwerandmeren

Gebiedsnummer
76
GebiedsnaamVeluwerandmeren
Status
Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn
Overbelasting stikstof
Nee
Gemeente
Dronten, Elburg, Ermelo, Harderwijk, Kampen, Nijkerk, Nunspeet, Oldebroek, Putten, Zeewolde
Provincie
Flevoland, Gelderland, Overijssel
Voortouwnemer
ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Sitecode HR
NL9802033
Sitecode VR
NL9802033
Totale oppervlakte in hectare
6166
Oppervlakte HR in hectare
6166
Oppervlakte VR in hectare
6166

Kenschets

Het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren wordt gevormd door vier ondiepe zoetwatermeren op de overgang van de Veluwe naar Flevoland. Het gaat van oost naar west om het Drontermeer, Veluwemeer, Wolderwijd en Nuldernauw. Na een periode met hevige eutrofiëringsproblemen heeft het gebied met betrekking tot het aquatische ecosysteem in de jaren 1990 een spectaculair herstel laten zien. Een belangrijke peiler hiervan vormen de uitgestrekte velden met kranswieren en fonteinkruiden, mede waardoor het gebied van grote internationale betekenis is voor watervogels.

De uitgestrekte begroeiingen met kranswieren in het Veluwemeer en Wolderwijd bestaan voor een aanzienlijk deel uit Ruw kransblad (Chara aspera) en Brokkelig kransblad (Chara contraria).

Landschap

De Veluwerandmeren zijn uit de Zuiderzee ontstaan bij de drooglegging van Oostelijk Flevoland in 1956 en Zuidelijk Flevoland in 1967. Om te voorkomen dat de grondwaterspiegel in het oude land nogal zou dalen kregen deze randmeren een relatief hoog waterpeil (10-15 cm hoger dan dat van het IJsselmeer). Het contrast tussen de flauwe, meer natuurlijke oevers langs het oude land en de steile, kunstmatige oevers van de polder is groot. Op de meeste plaatsen loopt de vaargeul dicht langs de harde, westelijke oevers. Tijdens de aanleg van de geul is met het vrijkomend materiaal een aantal eilanden opgeworpen. Door de zandige bodem zijn de kunstmatige oevers en eilanden voor polderbegrippen botanisch en vooral mycologisch uniek. Ook de recreatie speelt hierbij een rol: zo komen er bijvoorbeeld zeldzame paddenstoelen van brandplekken voor. Aan de oude landzijde is het profiel van de Zuiderzee nog herkenbaar in de uitgestrekte ondiepten van de Veluwerandmeren, die geleidelijk aflopen in de richting van de polders. Grote delen hiervan konden vroeger bij aflandige wind en laag water droogvallen. De bodem bestaat uit een dikke laag Pleistoceen dekzand met daarop een dunne laag zeeklei uit de Almere- en Zuiderzeeperiode, de laatste herkenbaar aan de vele schelpen. Het Pleistocene zand is door beken aangesneden en opnieuw afgezet, waardoor het nu in grote delen van de Veluwerandmeren weer de toplaag vormt. Met dit materiaal zijn tijdens stormvloeden in de Zuiderzeetijd langs de Veluwe ook strandwallen afgezet, die tot 3,5 meter boven zeeniveau uitstegen. Langs het Veluwemeer zijn hiervan nog enkele restanten te vinden, met karakteristieke planten als Kruis- distel (Eryngium campestre), Zandhaver (Leymus arenarius) en Sikkelklaver (Medicago falcata).

Het Drontermeer en het Nuldernauw zijn ook aan de oude landzijde begrensd door dijken. Die van het Drontermeer werd voltooid in 1876, na een periode met herhaalde doorbraken. Het achterland heeft een karakteristieke bodemopbouw (overslaggronden) en kent vele wielen (restanten van oude doorbraken). De oude zeedijk, die bij Nijkerk het Nuldernauw scheidt van het Natura 2000-gebied Arkemheen, heeft nog een originele granieten bekleding uit de 18de eeuw, met een voor Nederland bijzondere combinatie aan korstmossen.

Na de afsluiting van de Zuiderzee breidden rietland en biezenvelden zich uit op de buitendijkse oevers. Door de aanleg van de Flevopolders viel de dynamiek door op- en afwaaiing echter grotendeels weg, terwijl door het gefixeerde waterpeil de oeverbegroeiingen weer erodeerden en nauwelijks nieuwe aanwas kon plaatsvinden. In het Drontermeer zijn de rietlanden niettemin aspectbepalend, versterkt door de aanleg (in 1994) van de 'poffertjes', een verzameling kleine eilandjes. Vanaf 1990 werden in het kader van natuurontwikkeling meer eilandjes en dammen aangelegd, zoals de dam bij camping Polsmaten, bedoeld om recreatie en natuur te scheiden, en verbindingsstroken aan weerskanten van de voormalige Hardersluis. Deze zijn bedoeld om de oude landoever van het Veluwemeer te verbinden met het natuurgebied Harderbroek en op termijn met de Oostvaardersplassen. Sinds de verwijdering van de Hardersluis in 2002 staan de genoemde vier wateren onderling in open verbinding, maar door de Roggebotsluis in het noorden en de Nijkerkersluis in het zuiden zijn ze gescheiden van de overige randmeren. De polderdijk is alleen tegenover Harderwijk doorsneden. Hier wordt sinds 1979 via Gemaal Lovinck polderwater vanuit de Lage Vaart naar het Veluwemeer gepompt. Deze maatregel en de bouw van een defosfateringsinstallatie bij de waterzuivering van Harderwijk in het zelfde jaar zijn de belangrijkste maatregelen die de gevolgen van eutrofiëring moesten tegengaan. Eind jaren 1960 was door de gestage toevoer van nutriënten het plantenrijke, heldere ecosysteem van de jonge meren ingestort en vervangen door een systeem met zware blauwalgenbloei, grote hoeveelheden Brasem en een sterk verarmde flora en fauna. Door de genoemde maatregelen daalden de fosfaatgehalten inderdaad sterk en omstreeks het midden van de jaren 1980 begonnen ook de flora en fauna tekenen van herstel te vertonen. Onderdeel van de beheersmaatregelen was de experimentele verwijdering van 400 ton vis uit het Wolderwijd in de winter van 1990-1991. Dankzij de sterk afgenomen bodemwoeling (door Brasem) nam ook in dit meer de watervegetatie sterk toe.

De Pijlstaart is een plantenetende watervogel, waarvan het mannetje gemakkelijk is te herkennen aan de markante streep aan de zijkant van de nek en de lange puntige staart. Het betreft een van de soorten die weten te profiteren van de vele natuurontwikkelingsprojecten in het IJsselmeer en zijn randmeren.

Natuurwaarden

Van de ruim 6.000 ha waterbodem in de Veluwerandmeren is sinds het midden van de jaren 1990 weer meer dan de helft begroeid met kranswier. Deze groeiplaats is ongetwijfeld een van de grootste in Europa. Vooral Ruw kransblad (Chara aspera) en Brokkelig kransblad (Chara contraria) bepalen het aspect. Daarnaast zijn kleinere hoeveelheden van andere soorten Kransblad aanwezig, alsmede Klein boomglanswier (Tolypella glomerata) en Puntdragend glanswier (Nitella mucronata). Vooral op diepere plaatsen komt in toenemende mate ook Sterkranswier (Nitellopsis obtusa) voor. Fonteinkruiden groeien vooral aan de randen van de kranswiervelden, nadat ze in het centrum min of meer zijn verdrongen. Doorgroeid fonteinkruid (Potamogeton perfoliatus) vinden we het meest in de diepere delen van de meren, Schedefonteinkruid (Potamogeton pectinatus) in ondiepten. Daarnaast spelen Tenger fonteinkruid (Potamogeton pusilus), Zittende zannichellia (Zannichellia palustris subsp. palustris) en Aarvederkruid (Myriophyllum spicatum, vaak bezet met de geleibolletjes van de blauwalg Gloeotrichia) een rol en is Smalbladige waterweegbree (Alisma gramineum) een opvallende soort. De twee laatstgenoemde zijn geconcentreerd in het Veluwemeer. Diverse diersoorten vinden in de ondergedoken vegetatie een geschikt leefgebied. Massaal aanwezig zijn onder meer het mosdiertje Cristatella mucedo, de kieuwslak Vijverpluimdrager ( Valvata pisci nalis) en de wantsen Sigara striata en Sigara falleni. Ook visbroed vindt hier een schuilplaats, en de Kleine modderkruiper is talrijk. Halverwege de jaren negentig, toen het ecologische herstel in volle gang was, werden dichtheden bereikt in de richting van tientallen per vierkante meter. Ook de Grote modderkruiper werd toen wel gevangen. De Rivierdonderpad bereikt zijn hoogste dichtheden tussen de stenen van de polderdijken en in de diepere delen van de meren, waar ze vermoedelijk is geassocieerd met mosselen. De Driehoeksmossel (Dreissena polymorpha) is in het midden van de jaren negentig teruggekeerd, na ongeveer 25 jaar van afwezigheid. Elders in het IJsselmeergebied vormden zich dichte banken van deze mosselen op zuiderzeeschelpen, maar die zijn hier grotendeels afgedekt door sediment. De rivierdonderpadden zijn hier daarom afhankelijk van het voorkomen van zwanenmosselen (Unio en Anodonta). Recent hechten ze zich ook op schelpen van de Aziatische korfmossel (Corbicula fluminea), die het gebied kort na de eeuwwisseling heeft gekoloniseerd. Door filtratie heeft de schelpdiergemeenschap - net als de kranswieren - een stabiliserend effect op de helderheid van het aquatische ecosysteem. Van de watervogels heeft alleen de Kleine zwaan het in de jaren 1970 en 1980 redelijk kunnen bolwerken. Wortelknolletjes van Schedefonteinkruid, de enige waterplant die bestand was tegen het troebele water, vormen voor deze soort een belangrijke voedselbron. Ze arriveren nog steeds elk jaar in oktober, maar foerageren op de meren per seizoen in sterk wisselende aantallen, gelieerd aan onder andere fluctuaties van het waterpeil, maar ook aan de internationale populatieomvang. Andere watervogels zijn vijftien tot twintig jaar weggebleven, maar reageerden vanaf het midden van de jaren tachtig prompt op het ecologisch herstel. Eerst namen de viseters toe (vooral Fuut, Aalscholver, Grote zaagbek en Nonnetje), als reactie op de groeiende hoeveelheden Blankvoorn en Baars. Veel talrijker werden echter uiteindelijk de soorten die zich voeden met kranswier of driehoeksmosselen. De twee meest talrijke soorten, de Meerkoet en de Tafeleend, die aantallen van meer dan 40.000 bereiken, weten beide voedselbronnen te benutten. Het totale aantal watervogels loopt tegenwoordig op tot ongeveer 100.000 in november, om snel weer af te nemen als omstreeks januari de kranswieren grotendeels zijn geconsumeerd. De aantallen van Kleine zwaan en Tafeleend liggen in de orde van 15 % van de internationale populatie. Voor deze soorten vormen de Veluwerandmeren tevens een van de belangrijkste gebieden in Nederland. Dat laatste geldt ook voor de Krooneend, die als geen andere soort is gekoppeld aan het voorkomen van kranswier. In dit geval betreft het Nederlandse broedvogels die jaarrond aanwezig zijn, maar met een sterk accent op het voorjaar. De aantallen zijn inmiddels de 150 gepasseerd en een onbekend, maar waarschijnlijk substantieel aantal broedt in het gebied. Voor oevergebonden vogels heeft het Drontermeer een bijzondere positie. Hier zijn in het najaar concentraties Grote zilverreiger te vinden, terwijl de broedvogelbevolking enkele roerdompen en ongeveer vijftien paar grote karekieten telt. De populatie van Noordwest-Overijssel, waartoe deze vogels behoren, telt nog maar nauwelijks meer dan honderd paren. De soort lijkt niet te reageren op de natuurontwikkelingsprojecten, ook al zijn deze in de regio mede op de Grote karekiet gericht. Zeker nu de populatie van het Ketelmeer sterk onder druk staat, zijn de vogels van het Drontermeer relatief belangrijk geworden. Ten slotte is het gebied van belang voor de Meervleermuis, die kolonies heeft in gebouwen op het oude land. Van daaruit komen de vleermuizen 's nachts via kanalen en beken naar de randmeren om boven het water te foerageren. Hun actieradius is groot en reikt bijvoorbeeld vanuit Harderwijk tot in het aangrenzende Natura 2000-gebied Ketelmeer en Vossemeer.

Literatuur

Doef et al. 1994; Meijer & Hosper 1995, 1996; Hosper 1997; Platteeuw & Henkens 1997ab; Bak et al. 1998; van den Berg 1999; Meijer et al. 1999; van den Berg et al. 2000; Bak & van der Hut 2001; Koenjer et al. 2002; Limpens 2002; de Witte et al. 2003; Platteeuw et al. 2006.