Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

Gebiedsnummer
71
GebiedsnaamLoevestein, Pompveld & Kornsche Boezem
Status
Habitatrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Aalburg, Werkendam, Woudrichem, Zaltbommel
Provincie
Gelderland, Noord-Brabant
Sitecode HR
NL3004001
Totale oppervlakte in hectare
750
Oppervlakte HR in hectare
750

Kenschets

Het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem bestaat uit een aantal deelgebieden in de uiterste westpunt van Gelderland en aangrenzend Noord-Brabant. Het omvat binnendijks een drietal, los van elkaar liggende terreinen: de Boezem van Brakel in de Bommelerwaard en het Pompveld en de Kornsche Boezem in het Land van Altena. Buitendijks omvat het de Polder Munnikenland en de Waaluiterwaarden bij Brakel en Slot Loevestein. De binnendijkse gebieden zijn van belang voor de Grote modderkruiper, die in deze streek een belangrijk kerngebied heeft. De uiterwaarden herbergen uitgestrekte, zeer bloemrijke hooilanden van het Glanshaververbond (Arrhenatherion elatioris). Het gedeelte bij Brakel is een van de zeer weinige onvergraven uiterwaarden in het Rivierengebied.

Landschap

Het Natura 2000-gebied ligt op de overgang van bovenrivieren naar benedenrivieren en binnendijks op de overgang van komgronden met rivierklei naar zeekleigebied. Aan het begin van de Middeleeuwen lag hier een vrijwel ontoegankelijk veenlandschap, dat was gevormd door Maas en Waal en de daarop uitkomende beken en veenriviertjes. De komgronden waren opgevuld met veen, terwijl alleen op de oeverwallen enige bewoning mogelijk was. Vanaf de 11de eeuw vonden hier de eerste ontginningen plaats en geleidelijk kwam een landschap vol dijkjes, sloten, polders en nederzettingen tot stand: het Land van Altena en Heusden (de namen van twee invloedrijke Heren). Tijdens de Sint-Elizabethsvloed van 1421 verdween de nabijgelegen Grote Waard geheel onder water, waarna de Biesbosch ontstond, terwijl ook delen van het Land van Altena overstroomden.

Omstreeks 1500 werd in de Bommelerwaard een dwarsdijk aangelegd tussen Brakel en Poederoijen, waarmee de oostelijke helft van de Bommelerwaard werd afgeschermd tegen overstromingen door rivieren en zee. De Boezem van Brakel diende vanaf die tijd om de oostelijke polders te ontwateren. Een aantal wielen herinneren aan doorbraken van de dijk, aan het eind van de 19de eeuw, een periode waarin de natte laagte onderdeel uitmaakte van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Omstreeks 1600 werd ook het oostelijke deel van het Land van Altena beschermd tegen overstroming, door de aanleg van een dijk tussen Werkendam en Dussen. Langs deze dijk lag de Kornsche Boezem. De oostelijk gelegen polders hadden veel wateroverlast, doordat water van het Kempisch Plateau hier naar boven kwelt op plaatsen waar zandige opduikingen (donken) in de zware kleigronden liggen (zogenaamde kwelvensters). Vanuit de Kornsche Boezem werd het water bij laag water geloosd op de Bleeke Kil, vanwaar het naar de Biesbosch werd afgevoerd. De Noorderveldse molen, bij de ingang van de Kornsche Boezem, herinnert aan de boezemfunctie. Bij een van de eerste grote ruilverkavelingen in ons land ging omstreeks 1950 het kenmerkende slagenlandschap in deze streek volledig op de schop. Slechts enkele gebieden bleven gespaard, waaronder het Pompveld (waarin een eendenkooi ligt), de Boezem van Brakel en de Kornsche Boezem.

Door oxydatie en inklinking kwamen de omliggende polders lager te liggen en sindsdien treedt wegzijging van water op uit de gespaard gebleven natuurgebieden. Om verdroging tegen te gaan wordt tegenwoordig in het Pompveld en de Kornsche Boezem oppervlaktewater uit de polders ingelaten, nadat dit met behulp van een helofytenfilter van een deel van de voedingsstoffen is ontdaan. Doordat in de omliggende polders nog steeds regenwater uit de Kempen opkwelt, is het ingelaten water in de Kornsche Boezem van goede kwaliteit. In de Boezem van Brakel is de waterkwaliteit eveneens goed, mede doordat hier bij hoge waterstanden in de Waal water door de dijk heen kwelt.

Het buitendijkse deel van het Natura 2000-gebied ligt in het meest benedenstroomse traject van de Waal, die bij Slot Loevestein samenstroomt met de Afgedamde Maas en verder gaat als Merwede. Ondanks de beteugeling van onze grootste rivier, door dijken en kribben, komt het dynamische karakter van de Waal nog steeds tot uitdrukking op de oevers, waar veel zandafzetting plaatsvindt. Het patroon van parallelle, lage oeverwallen en tussenliggende verlande geulen herinnert aan de grote mate van dynamiek uit het verleden. Dit patroon is in de onvergraven Benedenwaarden bij Brakel bijzonder fraai bewaard gebleven. De Waal is hier echter veel minder dynamisch dan in de meer bovenstroomse delen: de stroomsnelheid is lager en de waterfluctuaties zijn minder. De rivier staat onder invloed van de getijdenwerking die zo kenmerkend is voor de benedenrivieren, maar sinds de afsluiting van het Haringvliet is het getijdenverschil sterk afgenomen. Het laagwaterpeil van de Waal is vrijwel stabiel, omdat het rivierpeil dicht bij de ontwateringbasis ligt.

Natuurwaarden

De belangrijkste Europese natuurwaarde van de komgronden betreft de concentratie aan Grote modderkruiper in de sloten en plassen van de Kornsche Boezem, het Pompveld en de Boezem van Brakel. In het Pompveld is een recente inventarisatie uitgevoerd. De soort komt verspreid voor in lage dichtheden, echter alleen in sloten met geen of een extensief beheer. Tijdens de inventarisatie zijn in dit deelgebied tevens de Kleine modderkruiper en de Bittervoorn gevangen. De Bittervoorn leeft in dit deel van het rivierenland in relatief hoge dichtheden, maar de verdere verspreiding binnen het Natura 2000-gebied is niet bekend. Ook moerasvogels zijn in de binnendijkse gebiedsdelen goed vertegenwoordigd, waaronder Bruine kiekendief, Blauwborst, en in de boezem van Brakel sinds 2002 zelfs af en toe een broedende Purperreiger. Het Pompveld herbergt een flinke populatie van de Heikikker, die in dit deel van het land een kerngebied heeft. De Kornsche Boezem is in botanisch opzicht van belang door de aanwezigheid van een fraai hooiland, dat al vele decennia op deze wijze wordt beheerd. De begroeiing bestaat uit Dotterbloemhooiland (Calthion palustris), waarin planten als Scherpe zegge (Carex acuta), Snavelzegge (Carex rostrata) en Gewone dotterbloem (Caltha palustris subsp. palustris) overheersen. Door de goede waterkwaliteit zijn kwelindicatoren als Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata) en Holpijp (Equisetum fluviatile) goed vertegenwoordigd. Opvallend is het dominant voorkomen van het zeldzame Reuzenpuntmos (Calliergon giganteum). Ook de Boezem van Brakel herbergt een aantal zeldzame plantensoorten, in sloten, plassen en in kleine percelen grasland. De wateren met Groot blaasjeskruid (Utricularia vulgaris) behoren tot habitattype 3150. In het Pompveld is het kleinschalige landschap van de komgronden bewaard gebleven, zoals dat aan het begin van de vorige eeuw op veel plaatsen in het Rivierengebied voorhanden moet zijn geweest. Het gebied kent een afwisseling van sloten, graslanden, ruigten, grienden en hoog opgaand bos, waarbinnen de eendenkooi centraal ligt. Dankzij de goede waterkwaliteit is in sloten Krabbenscheervegetatie (Stratiotetum) aanwezig en komen populaties voor van de libellen Glassnijder (Brachytron pratense) en Vroege glazenmaker (Aeshna isosceles). Het buitendijkse gebied bestaat voor een belangrijk deel uit hoge uiterwaarden met een grote oppervlakte aan Glanshaverhooiland (Arrhenatheretum elatioris, H6510), dat hier vlakdekkend in een typische, zeer bloemrijke vorm voorkomt. Aspectbepalend zijn Groot streepzaad (Crepis biennis), Rode klaver (Trifolium pratense) en verschillende witbloeiende schermbloemigen. Het habitattype is het best ontwikkeld in de Benedenwaarden bij Brakel, in percelen die jaarlijks gemaaid worden. Waar in de uiterwaarden extensieve begrazing plaatsvindt, komen Kamgrasweiden (Cynosurion cristati) voor. Bij Slot Loevestein wordt in de graslanden de zeldzame Beemdooievaarsbek (Geranium pratense) aangetroffen. In de uiterwaarden broeden weidevogels als Kwartelkoning, Grutto, Wulp en Veldleeuwerik. Op de zandige oevers van de Waal komen in het hele traject pionierbegroeiingen voor van het Bromo inermis-Eryngietum campestris, die gerekend worden tot het prioritaire habitattype Strromdalgraslanden (H6120). Soorten als Knolboterbloem (Ranunculus bulbosus) en Brede ereprijs (Veronica austriaca subsp. teucrium) duiden daarin op een ontwikkeling naar soortenrijke stroomdalgraslanden. Ook in de nabij gelegen Poedenrooijse Waarden liggen waardevolle stroomdalgraslanden, maar deze terreinen langs de Afgedamde Maas zijn niet opgenomen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied. In laagten bij Slot Loevestein bevinden zich natte ruigten (H6430), met plaatselijk Moeraswolfsmelk (Euphorbia palustris) en Rivierkruiskruid (Senecio sarracenicus), afgewisseld door wilgenbosjes (H91E0). De geringe waterfluctuaties van de Waal blijkt hier uit rietveldjes die tussen de kribben aanwezig zijn. De uiterwaarden herbergen de meest westelijke populatie in het rivierengebied van de Kamsalamander. De soort gebruikt hier binnendijkse en buitendijkse plassen en poelen als zomerhabitat (voortplanting en foerageergebied), terwijl in nabijgelegen binnendijkse terreinen overwinterd wordt. In het kader van 'Ruimte voor de Rivier' zijn er vergevorderde plannen om de uiterwaarden van het Natura 2000-gebied te doorgraven met een zijgeul, waardoor bij hoge waterstanden water vanuit de Waal naar de Afgedamde Maas kan stromen. Hiermee moet het benedenstroomse 'knelpunt' bij Gorinchem ontlast worden. Tegelijkertijd zou de waterkerende dijk meer landinwaarts gelegd worden, waarmee ruimte ontstaat voor een groot aaneengesloten moerasgebied, waar bijvoorbeeld ooibos tot ontwikkeling kan komen. Hoewel dit ongetwijfeld natuurwinst zal opleveren (het gebied is een belangrijke schakel tussen Biesbosch en het natuurontwikkelingsgebied bij Fort Sint Andries, en kan daarmee van betekenis worden voor bijvoorbeeld de Bever), zal een dergelijk plan gedegen rekening moeten houden met de waardevolle hooilanden in een van de laatste uiterwaarden met natuurlijk reliëf.

Literatuur

Weeda & Hoegen 1996; van Haperen et al. 1999; van den Berg 2005; Drok 2005; van Eekelen & van den Berg 2006.

Beemdooievaarsbek (Geranium pratense) in een uiterwaard bij Loevestein. Deze fraaie zomerbloeier wordt elders in ons land als verwilderd beschouwd maar heeft zich op sommige plekken in het rivierengebied mogelijk via natuurlijke weg gevestigd.
Uitgestrekt Glanshaverhooiland (Arrhenatheretum elatioris) met massaal bloeiend Groot streepzaad (Crepis biennis) op de Bloemplaat bij Loevestein.