Korenburgerveen

Gebiedsnummer
61
GebiedsnaamKorenburgerveen
Status
Habitatrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Oost Gelre, Winterswijk
Provincie
Gelderland
Voortouwnemer
provincie Gelderland
Sitecode HR
NL9801072
Totale oppervlakte in hectare
459
Oppervlakte HR in hectare
459

Kenschets

Het Korenburgerveen is een komhoogveen in de Achterhoek, ten westen van Winterswijk. Het veencomplex bestaat uit een aantal deelgebieden waarvan de namen zijn ontleend aan de buurtschappen rondom het veen: het Meddose veen, het Vragenderveen en het Corlese Veen. Samen met het centraal gelegen Korenburgerveen vormen ze het Korenburgerveencomplex. Het is het enige gebied in Nederland waar een redelijk intacte hoogveenkern wordt omzoomd door een randzone, die doet denken aan de wat voedselrijkere laggzone van natuurlijke hoogvenen. De randzone bestaat uit nat schraalland, matig gebufferde vennen, broekbos en vochtige heide.

Landschap

Het Korenburgerveen is gevormd aan de rand van het dal van de Schaarsbeek. Ooit lag hier een smeltwatergeul uit de voorlaatste ijstijd. Dit oerdal was aan de stroomafwaartse zijde enigszins ingesnoerd en omdat water stagneerde op ondoorlatende lagen in de ondergrond, heeft zich in deze kom een veenpakket gevormd. Naarmate het veenpakket groeide, nam de invloed van het grondwater verder af. Het veenpakket is thans niet meer zo dik; in sommige delen van het Vragenderveen is de dikte maximaal twee meter. Omstreeks 1900, toen de ontginning van het Korenburgerveen begon, mat het veenpakket nog vier meter. De ontginning, die bestond uit pogingen het gebied te ontwateren en af te graven, was trouwens niet erg succesvol. In 1918 werden de werkzaamheden gestaakt en in datzelfde jaar kon Natuurmonumenten een groot deel van het gebied verwerven (o.a. het Corlese Veen). Het Meddose Veen is in handen van de gemeente Winterswijk en de Stichting Marke Vragenderveen, een samenwerkingsverband van particuliere eigenaren, is verantwoordelijk voor het Vragenderveen. In dit laatste bevindt zich de hoogveenkern van het Natura 2000-gebied. Aan de randen van de hoogveenkern komt veenwater in contact met het grondwater en met oppervlakkig afstromend water van omliggende, hoger gelegen plateaus. Onder deze hydrologische omstandigheid hebben zich veel bijzondere natuurtypen ontwikkeld. Vooral de schraallanden trokken al vroeg de aandacht van floristen en vegetatiekundigen. Omdat het gebied als natuurgebied was aangekocht en men toen van mening was dat men de natuur ongemoeid moest laten, werd het traditionele beheer van hooien in de loop van de jaren dertig van de vorige eeuw gestaakt. Het was Victor Westhoff die in 1947 als wetenschappelijk adviseur van Natuurmonumenten constateerde dat veel bijzondere schraallandsoorten dreigden te verdwijnen. Hij brak een lans voor het opnieuw oppakken van het agrarisch beheer, zoals maaien. Zijn inzichten, mede vormgegeven in het Korenburgerveen, zijn nog steeds een belangrijk richtsnoer voor het natuurbeheer in Nederland.

Door ontwatering van de randzone ten behoeve van de landbouw en vermoedelijk ook door waterwinning in Corle is het veengebied de laatste decennia van de vorige eeuw sterk verdroogd. Lokaal leidde de toestroom van voedselrijk landbouwwater tot ongewenste verrijking met meststoffen, met bosontwikkeling als gevolg. Het eertijds uitgestrekte open veengebied (met Zwarte stern als broedvogel) veranderde grotendeels in bos. Het Korenburgerveen werd Korenburgerbos. Door voortdurend kappen en wegtrekken van opslag wordt deze ontwikkeling tegengewerkt. In het kader van de ruilverkaveling WinterswijkWest lukte het in de jaren negentig van de vorige eeuw om een brede randzone als natuurgebied in te richten en werd begonnen met het vernatten van het gebied en het opheffen van de instroom van landbouwwater. De vernattingmaatregelen dringen de bosontwikkeling en struweelvorming ten dele terug, maar kappen blijft als beheersmaatregel nodig. De hoop is gevestigd op herstel van de kern als levend hoogveen.

Het Korenburgerveen is niet alleen van belang voor zeldzame planten en dieren, maar ook het bodemarchief is bijzonder. In de opbouw van het veenpakket is de ontstaanswijze nog goed zichtbaar: van gyttja, broekveen, varenveen, zeggenveen, Scheuchzeriaveen naar veenmosveen.

Natuurwaarden

De veertig hectaren grote hoogveenkern vormt de basis van het gebied; het gaat hier om een complex van veendijken met daartussen herstellend hoogveen (H7120). In veenputten treedt secundaire verlanding op, waarbij veenmosbegroeiingen voorkomen met onder meer Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum), Fraai veenmos (Sphagnum fallax), Witte snavelbies (Rhynchospora alba) en Veenpluis (Eriophorum angustifolium). Deze gemeenschappen groeien in mozaïek met goed ontwikkelde veenmosbulten van Wrattig veenmos (Sphagnum papilosum), Rood veenmos (Sphagnum rubellum) en Hoogveenveenmos (Sphagnum magellanicum), met daarop Lavendelhei (Andromeda polifolia), Kleine veenbes ( Vaccinium oxycoccus) en Gewone dophei (Erica tetralix). In de oudste veenputten vinden we tussen de berken veel pollen Eenarig wollegras (Eriophorum vaginatum), die sinds de vernatting sterk is toegenomen. Dit is de belangrijkste waardplant van het Veenhooibeestje (Coenonympha tullia), die hier tot eind jaren 1980 nog rondvloog maar nu is verdwenen. In de slenken bevindt zich een van de grootste populaties van de Hoogveenglanslibel (Somatochlora arctica) in ons land. Ook de Noordse witsnuitlibel (Leucorrhinia rubicunda) is weer bijzonder talrijk binnen de kade waar het regenwater nu wordt vastgehouden. Op de veendijkjes en in de wat drogere delen van het hoogveen is Rijsbes ( Vaccinium uliginosum) een beeldbepalende soort. Het is de meest karakteristieke soort voor het Korenburgerveen, want in geen enkel ander hoogveen in Nederland is deze soort zo talrijk. In het oostelijke deel van het Korenburgerveen, langs de Middeldijk en achter de opzichterwoning ligt vier hectaren vochtig, zeer soortenrijk schraalland dat grotendeels tot het Blauwgrasland (H6410) behoort. Vooral de aanwezigheid van Parnassia (Parnassia palustris) is bijzonder, samen met soorten als Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata), Brede orchis (Dactylorhiza majalis subsp. majalis), Welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia), Heidekartelblad (Pedicularis sylvatica), Blauwe knoop (Succisa pratensis), Liggende vleugeltjesbloem (Polygala serpyllifolia) en Gewone vleugeltjesbloem (Polygala vulgaris). Heel bijzonder zijn trilveenachtige gemeenschappen in het gebied, met naast Parnassia ook Ronde zegge (Carex diandra), Draadzegge (Carex lasiocarpa) en Moeraskartelblad (Pedicularis palustris). In de wat zuurdere delen van de hooilandjes en langs greppelkanten groeit veel Moerasviooltje (Viola palustris), de waardplant van de Zilveren maan (Boloria selene). het gaat hier om een van de twee overgebleven populaties van deze vlinder op de Pleistocene zandgronden. Hoewel de aantallen vrij laag zijn en sterk fluctueren, houdt deze vlinder hier nog net stand. Het orchideeënrijke blauwgrasland heeft hier in de afgelopen eeuw wel wat soorten verloren, onder meer Moeraswespenorchis (Epipactis palustris) en Grote muggenorchis (Gymnadenia conopsea). De schraallandjes grenzen aan het grootste moeras met Galigaan (Cladium mariscus; H7210) van Oost-Nederland. Op plekken waar het veenpakket dun of afwezig is, liggen kleine natte heiden (H4010), vooral in het oostelijke deel ter weerszijden van de spoorbaan. Mede als gevolg van de licht bufferende werking van het grondwater en ondiep liggende leemlaagjes is de vegetatie soortenrijk, met Heidekartelblad, Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe), Beenbreek (Narthecium ossifragum), Kleine zonnedauw (Drosera intermedia) en op plagplekken ook Moeraswolfsklauw (Lycopodiella inundata). In voedselarme greppels die net zijn schoongemaakt en in vochtige slenkjes en laagten aan de randen van heideveldjes, komen hier en daar fragmenten van zwakgebufferde wateren voor. De vegetatie bevat bijzondere soorten als Wijdbloeiende rus (Juncus tenageia), Ondergedoken moerasscherm (Apium inundatum), Pilvaren (Pilularia globulifera), Moerashertshooi (Hyp ericum elodes), Vlottende bies (Eleogiton fluitans) en Naaldwaterbies (Eleocharis acicularis). In de vennen groeien zachtwatersoorten als Duizendknoopfonteinkruid (Potamogeton polygonifolius) en leeft een grote populatie van de Speerwaterjuffer (Coenagrion hastulatum). In enkele van deze wateren weet de Kamsalamander zich voort te planten. In de randzones van het Korenburgerveen, vooral daar waar vochtige graslanden worden hersteld door het afgraven van de bouwvoor, duiken met regelmaat bijzonderheden op, waaronder de Vleeskleurige orchis (Dactylorhiza incarnata). Op diverse plekken in het Korenburgerveen komen goed ontwikkelde broekbossen voor (H91D0), met een totale oppervlakte van ongeveer 50 hectare. In de lage, open berkenbroekbossen komen echte hoogveensoorten voor, zoals Eenarig wollegras en Rijsbes. De elzenbroekbossen (H91E0) in het oostelijke deel van het gebied staan onder invloed van het grondwater. In deze bossen vinden we zowel de Kleine ijsvogelvlinder (Limenitis camila) als de Grote weerschijnvlinder (Apatura iris). De broedvogelbevolking van het Korenburgerveen is door de combinatie van een grote variatie aan biotopen zeer rijk. Zo broeden er veel water- en moerasvogels, waaronder Dodaars, Zomertaling, Wintertaling, Waterral, Watersnip, Blauwborst, Sprinkhaanzanger en zelfs de in de Achterhoek zeer schaarse Roerdomp en Bruine kiekendief. Bijzondere soorten zijn verder Nachtzwaluw, Roodborsttapuit, Draaihals en Grauwe klauwier. De bossen in de randzone zijn rijk aan roofvogels, die hun voedsel vaak buiten het veengebied vergaren. Hier broedt jaarlijks de Havik met maar liefst vijf tot zes paren, en verder Wespendief en Boomvalk. Ook de Houtsnip is bijzonder talrijk. In de wintermaanden zijn altijd wel klapeksters en blauwe kiekendieven aanwezig en in de trektijd geregeld kraanvogels. De laatste jaren blijven er in het voorjaar een aantal exemplaren van deze soort nog lang rondhangen; wie weet komt het nog eens tot een broedgeval.

Literatuur

Stortelder 1978; van den Brand 1983; Biologisch Station Zwillbrock 1995; Creemers & Crombaghs 1997; Stortelder et al. 1998; Kwak 2003; Schaminée 2003; Jansen et al. 2007; te Linde & van den Berg 2007b.

In het Vragenderveen wordt het landschap bepaald door veendijkjes met daartussen langgerekte stroken regenererend hoogveen. Dit patroon is ontstaan tijdens de ontginning, waarbij de dijkjes zijn aangelegd om te voet de centrale delen van het hoogveen te kunnen bereiken.
De Hoogveenglanslibel (Somatochlora arctica) onderscheidt zich van andere glanslibellen door de geheel donkere kleur van het achterlijf.
Aan de rand van het hoogveen staat Zompzegge-Berkenbroek (Carici curtae-Betuletum pubescentis) met Zompzegge (Carex curta), Haakveenmos ((Sphagnum squarrosum), Hennegras (Calamagrostis canescens) en Riet (Phragmites australis) in de ondergroei.