Ketelmeer & Vossemeer

Gebiedsnummer
75
GebiedsnaamKetelmeer & Vossemeer
Status
Vogelrichtlijn
Overbelasting stikstof
Nee
Gemeente
Dronten, Kampen, Noordoostpolder
Provincie
Flevoland, Overijssel
Voortouwnemer
ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Sitecode VR
NL3009013
Totale oppervlakte in hectare
3843
Oppervlakte VR in hectare
3843

Kenschets

Het Ketelmeer en het Vossemeer vormen een (grotendeels kunstmatig ontstaan) ondiep zoetwatersysteem tussen de Noordoostpolder, Oostelijk Flevoland en de IJsselmonding. Het gebied bezit kenmerken van zowel meren als rivieren en kent een geschiedenis die gekoppeld is aan bodem verontreiniging. De grootste ecologische diversiteit ligt in het Vossemeer en het naar verhouding beschutte en ondiepe oostelijke deel van het Ketelmeer. Het gebied is van belang voor moerasbroedvogels en voor vis- en mosseletende watervogels. Door natuurontwikkeling is het karakter van de beide meren, ook landschappelijk, sterk gewijzigd.

Het natuurontwikkelingsproject IJsselmonding startte in 1997 met de aanleg van de Ramspolplaat, onder meer met materiaal dat vrijkwam bij de aanleg van IJsseloog. In het begin zijn dergelijke opgespoten platen schaars begroeid met pioniersoorten, waardoor ze een geschikt broedbiotoop vormen voor pleviertjes en sterns.

Landschap

Het Ketelmeer en Vossemeer kregen hun huidige vorm met het sluiten van de dijken rondom Oostelijk Flevoland in 1956. Het Vossemeer is min of meer een voortzetting van het Drontermeer, met aan de ene kant de harde, basalten polderdijk en de vaargeul, en aan de andere kant zeer ondiepe wateren langs de oude landzijde. Het Ketelmeer fungeert door de vorm en de ligging als verlengstuk van de IJssel. Het water heeft een verblijftijd van slechts enkele dagen, in plaats van enkele maanden zoals in de andere randmeren, en het ecosysteem laat een aantal duidelijke rivierkenmerken zien. Doordat het meer relatief diep is en zich versmalt in westelijke richting, fungeert het als bezinkbekken voor slib uit de IJssel. Door de hoge graad van verontreinigingen van dit slib (in de jaren 1960 en 1970) is vooral de bodemfauna sterk verarmd. Dit verontreinigde 'klasse 4slib' wordt momenteel verwijderd en opgeslagen in een 45 meter diep, cirkelvormig depot, dat in het midden van het meer is aangelegd. Ondanks enige natuurontwikkeling rondom is dit 'IJsseloog' buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied gehouden. Meer omvangrijke natuurontwikkeling is gerealiseerd in de ondiepe delen van het gebied, in de vorm van een mozaïek van honderden kleine kleiheuvels ('oliebollen') en ringdijken in het Vossemeer (1997) en - recent - van een complex van geulen, eilanden en ondiepten in het oosten van het Ketelmeer. Het uiteindelijk doel van dit project 'IJsselmonding' is het aanleggen van een natuurlijk ogende rivierdelta in een gebied met een totale oppervlakte van ongeveer 1.000 hectare.Door variaties in afvoer van de IJssel en door op- en afwaaiing is de peildynamiek in het gebied relatief groot. Daardoor, en ook door het snijden en afvoeren dan wel het periodiek branden van Riet (Phragmites australis), wordt de verlanding van de oevervegetatie vertraagd en zijn er relatief grote oppervlakten waterriet. Dit vormt de basis van enkele van de traditionele natuurwaarden in het gebied, maar staat ook enigszins op gespannen voet met de aanleg van eilanden en ondiepten in het kader van natuurontwikkeling.
Het rivierkarakter van het Ketelmeer komt onder meer tot uitdrukking in de aanwezigheid van velden Rivierfonteinkruid (Potamogeton nodosus). Deze vormt een tamelijk zeldzame variant van het habitattype Beken en rivieren met waterplanten (<a href='gebiedendatabase.aspx?subj=habtypen&amp;groep=1&amp;id=3260'>H3260</a>).

Natuurwaarden

De rivierkenmerken zijn in het Ketelmeer in alle delen van het ecosysteem te vinden. Dat begint bij het plankton, dat relatief lage algendichtheden kent, weinig blauwalgen, veel kiezelalgen en veel raderdiertjes, net als in de rivieren. In aansluiting op de begroeiing in de IJssel komt Rivierfonteinkruid (Potamogeton nodosus) in het Ketelmeer voor tot bijna aan de Ketelbrug. Voor vis is het gebied een van de meest soortenrijke stekken in Nederland, met meer dan 40 soorten. Dit dankzij de overlap van gemeen schappen van stagnante wateren, stromende wateren en estuaria. Veel soorten ongewervelden die door waterverontreiniging in de jaren zestig uit het gebied waren verdwenen, waaronder de Driehoeksmossel (Dreissena polymorpha), konden het gebied relatief gemakkelijk herkoloniseren vanuit de refugia bovenstrooms, toen de waterkwaliteit aan het eind van de vorige eeuw verbeterde. Recent wordt het IJsselmeergebied langs deze route bevolkt door exoten, deels afkomstig uit het stroomgebied van de Donau, dat sinds 1992 door een kanaal met het stroomgebied van de Rijn is verbonden. Sommige van die exoten vormen een nieuwe potentiële voedselbron voor watervogels (zoals de korfmosselen Corbicula fluminea en Corbicula fluminalis) of beïnvloeden mogelijk de dichtheden van andere soorten (zoals de Kaspische slijkgarnaal, Corophium curvispinum en de Reuzenvlokreeft, Dikerogammarus villosus).Hoezeer het aantal watervogels wordt gestuurd door de voedselbeschikbaarheid, blijkt uit de nauwe samenhang tussen het herstel van de Driehoeksmossel in de jaren 1980 en de toename van mosseletende watervogels in het Ketelmeer (Kuifeend, Tafeleend en Meerkoet). Viseters (Fuut, Aalscholver, Grote zaagbek) namen in deze periode eveneens fors toe. Oevergebonden soorten als de Lepelaar, en ook planteneters als Grauwe gans, Kolgans, Pijlstaart, Krakeend en Wintertaling zijn eind jaren 1990 fors in aantal gestegen mede dankzij de natuurontwikkelingsprojecten. Het gebied is momenteel van internationale betekenis voor de Kuifeend (met maxima van 15.000 exemplaren) en is, na het IJsselmeer, het belangrijkste gebied in Nederland voor de Reuzenstern (maximaal circa 15 dieren).In de rietlanden in het oosten van het gebied ligt een aantal territoria van de Grote karekiet, een belangrijk deel van een populatie van circa honderd broedparen die zich uitspreidt over verschillende wateren nabij de IJsselmonding. Dit betreft ongeveer de helft van de Nederlandse populatie. De populatie was tot ongeveer 1995 betrekkelijk stabiel. In die tijd begon de uitvoering van een hele reeks ingrepen in het leefgebied: achtereenvolgens de aanleg van de 'poffertjes' in het Drontermeer, de 'oliebollen' in het Vossemeer, de Ramspolplaat, de Balgstuw en de rest van het IJsselmondingsproject in het Ketelmeer. Door veranderingen in de expositie en dynamiek van de rietzones halveerde in die periode het aantal paren Grote karekiet in het Ketelmeer en Vossemeer. Soortgelijke reacties zijn ook bij de Roerdomp geconstateerd. De effecten op soorten als Snor en Porseleinhoen zijn minder duidelijk. Het is afwachten in hoeverre de vogels gebruik zullen maken van habitatontwikkeling aan de geëxponeerde kant van de nieuwe eilanden. Factoren als voedselbeschikbaarheid en verstoring spelen hierbij een rol.Andere soorten profiteren natuurlijk van het ontstaan van nieuwe habitats, zoals aanvankelijk diverse pioniersoorten. Omstreeks de eeuwwisseling bijvoorbeeld was sprake van enkele tientallen paren kleine plevieren en bontbekplevieren, enkele honderden paren visdieven en zelfs enkele broedgevallen van de Dwergstern. Ook de recente toename van verschillende plantenetende watervogels (Kolgans, Grauwe gans, Krakeend, Pijlstaart en Wintertaling) is wellicht toe te schrijven aan de vorming van nieuw leefgebied. In hoeverre al deze soorten zich op langere termijn kunnen handhaven, hangt af van de mate waarin door natuurlijke dynamiek of beheer geschikte plekken beschikbaar blijven.
De Tafeleend is een kleine duikeend, waarvan jaarlijks grote aantallen in Nederland overwinteren. De laatste tien jaar gebeurt dit vooral in de randmeren.

Literatuur

Kerkum & van Urk 1989; Pieters 1991; Winkels & van Diem 1991; Coops et al. 1993; Platteeuw & Beekman 1993; Noordhuis 1997; Lauwaars & Platteeuw 1999; Kers & Severijn 2000; de Roder & van Wije 2001; van Eerden et al. 2001; Bij de Vaate 2003; van Gennip & Kers 2004; Foppen & Deuzeman 2007.