Mantingerzand

Gebiedsnummer
32
GebiedsnaamMantingerzand
Status
Habitatrichtlijn
Overbelasting stikstof
Ja
Gemeente
Hoogeveen, Midden-Drenthe
Provincie
Drenthe
Sitecode HR
NL2003032
Totale oppervlakte in hectare
780
Oppervlakte HR in hectare
780

Kenschets

Het Mantingerzand ligt in Drenthe, ten noordoosten van Hoogeveen. Behalve een aantal heide- en stuifzandrestanten maken ook voormalige landbouwgronden deel uit van het gebied. Door natuurontwikkeling wordt geprobeerd de restanten van het oorspronkelijke landschap met elkaar te verbinden. Droge en natte heide, stuifzanden en uitgestrekte Jeneverbesstruwelen vormen de kern van het gebied.

Het contrastrijke landschap van het Mantingerzand, met zijn afwisseling van open zand, droge heide en Jeneverbesstruweel, wint bij donkere luchten nog aan uitdrukkingskracht.

Landschap

Het Natura 2000-gebied Mantingerzand omvat behalve het gelijknamige Mantingerzand ook het Balinger- en Hullenzand, het Koolveen, het Groote Veld, het Lentsche Veen en de Martensplek. De bodem wordt grotendeels gevormd door de dekzandstuifzandrug tussen Mantinge in het noorden en Nieuw-Balinge en Tiendeveen in het zuiden. De stuifzanden van het Mantingerzand wijken af van de meeste andere stuifzandcomplexen doordat de 'duinen' in het gebied maar weinig opgestoven lijken te zijn. De toppen van deze duinen liggen waarschijnlijk op het niveau van het oorspronkelijke maaiveld en de lage delen zijn uitgestoven. Centraal in het gebied, ten zuiden van het Hullenzand aan weerszijden van de Hoogeveense Weg, bestaat de bodem uit dalgronden en hoogveenrestanten. Ten noorden van het eigenlijke Mantingerzand ligt, binnen de begrenzing van het gebied, een deel van de esgronden van de Achterste Esch.

Het Natura 2000-gebied werd vroeger vrijwel geheel omsloten door hoogvenen, maar deze zijn ten tijde van de grote veenontginningen verdwenen. In de oude natuur reservaten wordt het landschap vooral bepaald door heide en vennen, zoals in het Lentsche Veen en het Hullenzand, en stuifzanden, zoals in het Balinger- en Mantingerzand. In het laatstgenoemde deelgebied vallen de uitgestrekte Jeneverbesstruwelen op. De Vereniging Natuurmonumenten startte in 1992 het Plan Goudplevier (inmiddels Plan Mantingerveld geheten), dat tot doel had de resterende natuurreservaten met elkaar te verbinden tot een uitgestrekt, samenhangend heidelandschap. In 1990 was al begonnen met de aankoop van landbouwgronden rond de reservaten. Bij de inrichting is uitgegaan van oud kaartmateriaal, bijvoorbeeld om vroegere heideplassen uit te graven. Het verwijderen en de afzet van de voedselrijke bovengrond die ontstaan was door het agrarische gebruik, verliepen niet zonder problemen. Daarom is een deel van de bovengrond uiteindelijk in het terrein zelf verwerkt en met bos beplant. Een groot deel van het terrein wordt begraasd met runderen. Belangrijke obstakels voor een optimale ontwikkeling van het gebied zijn de Hoogeveense Weg, die van noord naar zuid dwars door het gebied loopt, en de Middenraai, een afwateringskanaal aan de oostzijde van het terrein die verdroging veroorzaakt in het Mantingerzand en het Groote Veld.

De Jeneverbeswants (Pitedia juniperina), met zijn karakteristieke tekening op de voorvleugels, is gebonden aan jeneverbessen. Hier zuigt de soort plantensappen op. De eieren worden eveneens op de Jeneverbes (Juniperus communis) gelegd. Vaak zitten de dieren goed verscholen in de struiken en zijn dan alleen met goed zoeken te vinden. Op warme zomerdagen gaan de volwassen wantsen vliegen en dan zijn ze gemakkelijk waar te nemen.

Natuurwaarden

De vegetatie op de stuifzandcomplexen bestaat uit een afwisseling van kaal zand (dat in oppervlakte is toegenomen door de begrazing), door korstmossen en mossen gedomineerde begroeiingen en heide. Op het eigenlijke Mantingerzand komen daar nog aanzienlijke oppervlakten Jeneverbesstruweel bij. De ruggengraat van de vegetatie wordt op het stuifzand gevormd door de Associatie van Buntgras en Heidespurrie (Spergulo-Corynephoretum). De vegetatie is arm aan vaatplanten - het meest nog komen Buntgras (Corynephorus canescens), Zandstruisgras (Agrostis vinealis) en Heidespurrie (Spergula morisonii) voor - maar mossen en korstmossen zijn des te opvallender. Bijna altijd is Ruig haarmos (Polytrichum piliferum) aanwezig. Karakteristieke en veel voorkomende korstmossen zijn Bruin en Rood bekermos (Cladonia grayi en Cladonia coccifera), Bruin heidestaartje (Cladonia glauca), Dove en Rode heidelucifer (Cladonia macilenta en Cladonia floerkeana), Open rendiermos (Cladina portentosa) en Kraakloof (Cetraria aculeata). Zeldzamer, en vooral aanwezig op beschutte plaatsen die al langere tijd niet meer stuiven, zijn onder meer Varkenspootje (Cladonia uncialis), Girafje (Cladonia gracilis), Ezelspootje (Cladonia zopfii), Elandgeweimos (Cladonia foleacea) en Gebogen rendiermos (Cladina arbuscula). Gewoon stapelbekertje (Cladonia cervicornis) en Gewoon stuifzandkorrelloof (Stereocaulon condensatum) zijn nog zeldzamer. Op langdurig niet meer stuivend zand vestigt zich Struikhei (Calluna vulgaris), waarmee de successie naar heide (Genisto anglicae-Callunetum) wordt ingezet. In deze heide blijft lange tijd de oorsprong van de vegetatie zichtbaar, doordat er allerlei korstmossen onder de dwergstruiken groeien. Nog oudere heiden kenmerken zich door een vrijwel gesloten moslaag van Heideklauwtjesmos (Hypnum jutlandicum) en Bronsmos (Pleurozium schreberi). Vooral op noordhellingen vestigt zich in deze oudere heiden ook Kraaihei (Empetrum nigrum), die zich met zijn kruipende stengels over grote oppervlakten kan uitbreiden. Karakteristieke vlinders van dit vegetatiecomplex van stuifzanden, vooral daar waar voldoende open grasland aanwezig is, zijn de Heivlinder (Hipparchia semele) en de zeldzame Kommavlinder (Hesperia comma). Beide zijn aangetroffen op het Hullenzand. De loopkeverfauna van de stuifzanden is zeer kenmerkend en het Hullenzand is in dit opzicht uniek te noemen. Twee soorten die in Noord-Nederland alleen maar voorkomen in dit deelgebied, zijn Maoreus wetterhalli en Harpalus neglectus. De vegetatie van de Jeneverbesstruwelen (Dicrano-Juniperetum) wordt vanzelfsprekend in hoofdzaak bepaald door de Jeneverbes (Juniperus communis). Onder deze conifeer groeit echter een veelheid aan vaatplanten, mossen en korstmossen. Allerlei microgradiƫnten maken dat de Jeneverbesstruwelen daardoor zeer soortenrijk kunnen zijn. Door successie bestaat de bodemflora van deze struwelen op het Mantingerzand echter vooral uit Bochtige smele (Des champsia flexuosa). Verjonging van Jeneverbes treedt nagenoeg niet op, wellicht door de hoge konijnenstand in het gebied. Op de heide treffen we broedvogels aan als Boomleeuwerik, Tapuit en Roodborsttapuit en in de wintermaanden verblijft hier de Klapekster. Op de dekzanden en in de hoogveenontginningen zijn het vooral Gewone dophei (Erica tetralix) en Pijpenstrootje (Molinia caerulea) die het aspect bepalen. Plaatselijk is deze vochtige heide sterk vergrast. Op geplagde plaatsen regenereert de heide echter vrij gemakkelijk en worden soorten aangetroffen als Ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia), Bruine snavelbies (Rhynchospora fusca) en Moeraswolfsklauw (Lycopodiella inundata). Dit is ook de groeiplaats van Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe), de waardplant van het inmiddels sterk bedreigde Gentiaanblauwtje (Maculinea alcon), die hier in 1992 voor het eerst werd aangetroffen, maar na 2005 niet meer is gezien. De overgangen van natte naar droge heide zijn het leefgebied van het Heideblauwtje (Pleibeius argus). Deze soort vliegt vooral daar waar jonge heideplanten aanwezig zijn. In het natuurontwikkelingsgebied komt de ontwikkeling van heide geleidelijk op gang, al zijn het vooralsnog de algemene soorten die dit nieuwe gebied veroveren. Door het verschralingsbeheer zijn echter wel soorten verschenen als Blauwe knoop (Succisa pratensis), Stijve ogentroost (Euphrasia stricta), Grondster (Illecebrum verticillatum) en de pionier Duits viltkruid (Filago vulgaris). In het Natura 2000-gebied liggen diverse grotere en kleinere heideplassen. De vegetatie bevat hier weinig bijzondere soorten; dit betreft zowel de plassen in het natuurontwikkelingsgebied als in de oorspronkelijke reservaten. Vooral Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum), Knolrus (Juncus bulbosus), Pitrus (Juncus effusus) en Pijpenstrootje maken de dienst uit. Uitzondering vormt een fraai komvormig veentje op de overgang van het Mantingerzand naar het Groote Veld, met onder andere Snavelzegge (Carex rostrata), Draadzegge (Carex lasiocarpa) en veenmossen. Watervogels hebben goed weten te profiteren van de natuurontwikkeling. In en rond de plassen broeden onder meer Dodaars, Geoorde fuut, Zomertaling en Watersnip. Reptielen en amfibieƫn hebben baat bij het opheffen van de versnippering. Het gebied is belangrijk voor Adder, Ringslang en Levendbarende hagedis en bezit grote populaties Heikikker en Rugstreeppad.

Literatuur

Berris & Gorter 1991; Vereniging Natuurmonumenten 2003; Bouwman et al. 2004; Feenstra 2004; Wallis de Vries & Ens 2004; Stortelder et al. 2006.