Veel gestelde vragen

Hieronder treft u de antwoorden aan op de via deze website veelgestelde vragen.
De vragen en antwoorden zijn onderverdeeld in verschillende categorieën.

Als u hieronder op een categorie klikt dan worden de vragen en antwoorden zichtbaar.

Is uw vraag hier nog niet beantwoord, dan kunt u via dit formulier alsnog uw vraag bij ons indienen. Wij proberen u dan binnen 14 dagen antwoord op uw vraag te geven.


Algemeen

Wat is Natura 2000?
Natura 2000 is een netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Het doel van dit netwerk is om de achteruitgang van de biodiversiteit met alle lidstaten tegen te gaan. Deze gebieden zijn aangewezen omdat ze van internationaal belang zijn, bijvoorbeeld als overwinteringsplaats voor vogels. In Nederland zijn 166 gebieden (waaronder 4 mariene gebieden) aangemeld. In juridische zin komt Natura 2000 voort uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen; in Nederland vertaald in de Natuurbeschermingswet

Natura 2000 is een Europese aangelegenheid. Wat is de rol van de EU?
In de EU is besloten de achteruitgang van de biodiversiteit gezamenlijk met alle lidstaten aan te pakken. Dit was ook in het VN-protocol van Rio de Janeiro in 1992 afgesproken. Natura 2000 is het Europese antwoord op de vraag ‘hoe zorgen we voor stoppen van achteruitgang van de biodiversiteit’. De EU Vogel- en Habitatrichtlijnen vormen de basis voor Natura 2000. De nationale regeringen bepalen op welke wijze Natura 2000 wordt uitgevoerd.

Wat is biodiversiteit en waarom is het zo belangrijk?
Nederland heeft een bijzondere natuur, met speciale, soms zeldzame planten en dieren. Sommige types natuur komen (binnen Europa) alleen in Nederland voor. Die verscheidenheid aan planten en dieren noemen we ook wel biodiversiteit. Ook ecosystemen zoals bijvoorbeeld bossen, heide, duinen, rivieren en zee wordt tot biodiversiteit gerekend. Biodiversiteit staat eigenlijk voor de rijkdom aan leven om ons heen. Het is de natuur, en vooral de verscheidenheid van die natuur. Biodiversiteit is belangrijk omdat we uit de natuur veel belangrijke grondstoffen halen, bijvoorbeeld voor voedsel, brandstof en medicijnen. Maar ook zorgt biodiversiteit voor schoon water en vruchtbare grond. De biodiversiteit in de bodem helpt die bodem in stand te houden. Bossen helpen om water en bodem vast te houden en zorgen zo voor bescherming tegen erosie en overstromingen. Biodiversiteit helpt ons klimaat reguleren en is van levensbelang. Het leven op aarde kent vele variaties. Of het nu gaat om de kleinste bacteriën, schimmels en planten of de grootste dieren, de tropische regenwouden of de Nederlandse weilanden, elke levensvorm, elk ecosysteem en elke genetische variatie
is uniek en onvervangbaar. Deze grote verscheidenheid noemen we biodiversiteit. Veel levensvormen op de aarde zijn afhankelijk van elkaar. Daarin speelt variatie een belangrijke rol. Ook de mens kan zonder andere organismen niet bestaan. Biodiversiteit is behalve mooi vooral nuttig en noodzakelijk. Het zorgt niet alleen voor schoon water, vruchtbare grond en een stabiel klimaat, maar levert ook voedsel en grondstoffen voor huisvesting, kleding, brandstof en medicijnen.

Waarom Natura 2000?
De biodiversiteit in Europa gaat al jaren snel achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Dit is ook afgesproken op de UN-klimaatconferentie in Rio de Janeiro in 1992.
Binnen een bepaald gebied zijn planten en dieren van elkaar afhankelijk. Verdwijnt een bepaalde soort, dan raakt het natuurlijk evenwicht verstoord. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de natuur, maar ook voor de mens als gebruiker van de natuur.
Biodiversiteit is belangrijk omdat we uit natuur veel belangrijke grondstoffen halen, bijvoorbeeld voor voedsel, brandstof en medicijnen. Maar ook zorgt biodiversiteit voor schoon water en vruchtbare grond. De biodiversiteit in de bodem helpt die bodem in stand te houden. Bossen helpen om water en bodem vast te houden en zorgen zo voor bescherming tegen erosie en overstromingen. Biodiversiteit helpt ons klimaat reguleren.
Nu het klimaat verandert, verdient de natuur extra aandacht. Zeker in een klein en dichtbevolkt land als Nederland, waar we dicht op onze natuur leven.
Zie ook de Wegwijzer en nieuwsbrief 11.

Wat doet Nederland aan Natura 2000?
Nederland heeft in totaal 166 (inclusief vier mariene) gebieden aangemeld die onderdeel uitmaken van het Natura 2000-netwerk. Alle gebieden staan op een kaart op de website aangegeven.

Wat is de totale omvang van de Natura 2000-gebieden in Nederland?
De Natura 2000-gebieden hebben gezamenlijk een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ongeveer 69% is water, de rest (31%) is land. Exclusief de Noordzee en inclusief de Waddenzee beslaan de Nederlandse Natura 2000-gebieden ca 7% van Nederland. Op de website van het Regiebureau Natura 2000 staat een kaart met alle gebieden.

Hoe ziet het proces eruit?
Een gebied wordt door Nederland aangemeld bij de EU, die het betreffende gebied vervolgens op een lijst van te beschermen gebieden zet. Daarna wordt het gebied door de Staatssecretaris van EZ in een ontwerp-aanwijzingsbesluit aangewezen als Natura 2000-gebied en kunnen belanghebbenden op reageren door een zienswijze in te dienen. Nadat het gebied definitief is aangewezen moet binnen drie jaar een beheerplan worden opgesteld door het bevoegd gezag in het betreffende gebied in samenspraak met alle betrokken partijen in en om het gebied.
Dit is vastgelegd in de Natuurbeschermingswet 1998. In deze wet is Natura 2000 in de Nederlandse regelgeving verankerd.

Wat doen we in een gebied?
Aanwijzing

De Staatssecretaris wijst allereerst een gebied aan als Natura 2000-gebied. Hij doet dit door middel van een aanwijzingsbesluit. Hierin staat welke natuurwaarden (vogels, planten, dieren en hun leefgebieden) we in welke kwaliteit (de doelen) willen beschermen en waar dat moet gebeuren (de exacte begrenzing van het gebied).
Een aanwijzingsbesluit komt tot stand via een openbare voorbereidingsprocedure. Dat betekent dat er eerst een ontwerpversie ter inzage wordt gelegd en dat iedereen hierop een inspraakreactie (formeel: zienswijze) kan geven. Deze reacties en de visie daarop van de provincies worden zo veel mogelijk verwerkt en resulteren in een definitief aanwijzingsbesluit. Het gebied is dan officieel een Natura 2000-gebied. Belanghebbenden hebben nog de mogelijkheid om tegen een definitief besluit in beroep te gaan bij de Raad van State.
Beheerplannen
Voor elk Natura 2000-gebied moet een beheerplan worden opgesteld. Hierin staat wat er moet gebeuren om de natuurdoelen voor dat gebied te halen en wie dat gaat doen. Beheerplannen worden opgesteld in nauw overleg met eigenaren, gebruikers en andere betrokken overheden, vooral gemeenten, waterschappen en provincies. In 103 gevallen neemt de provincie het voortouw bij het opstellen van het beheerplan, in 40 gevallen is het EZ, in 17 gevallen is het I&M. Defensie is voortouwnemer bij 1 gebied.

Wanneer moet alles klaar zijn?
In december 2010 moeten alle 166 gebieden definitief zijn aangewezen, dat wil zeggen dat de definitieve aanwijzingsbesluiten rond moeten zijn. Binnen drie jaar na de definitieve aanwijzing van een gebied moet een beheerplan zijn opgesteld dat vervolgens maximaal zes jaar geldig is. Uiterlijk december 2013 moeten er dus definitieve beheerplannen zijn voor alle 166 gebieden.

Is Nederland weer de braafste van de klas met zoveel gebieden?
Nederland heeft meebeslist over die Europese afspraken en wil ze ook nakomen. Dat doen we door de meest unieke en/of kwetsbare gebieden in Nederland aan te wijzen als ‘Natura 2000-gebied’. In andere Europese landen is dit ook gedaan en daardoor bestaat er in Europa nu een netwerk van Natura 2000-gebieden.
Nederland behoort niet tot de koplopers als het om omvang van gebieden gaat. Ongeveer 20% van het Europees grondgebied is aangewezen als Natura 2000-gebied. In Nederland is dat 7% (10% met Noordzee erbij). Nederland heeft 16 (inclusief vier mariene gebieden) aangewezen, Frankrijk heeft bijvoorbeeld 1.746 Natura 2000-gebieden aangewezen.

Moeten alle Europese soorten en habitattypen die in een Natura 2000-gebied voorkomen, worden beschermd?
Een veelgehoord misverstand over Natura 2000 is dat er meer soorten en habitattypen worden beschermd dan strikt noodzakelijk is. Men denkt vaak dat alleen de soorten en habitattypen moeten worden beschermd die ertoe hebben geleid dat een natuurgebied de Europese status heeft gekregen. De Europese regels stellen echter dat álle Europese soorten en habitattypen die in een gebied voorkomen moeten worden beschermd, en niet alleen de soorten en habitattypen die de reden waren om het gebied te selecteren als Natura 2000-gebied (artikel 6 lid 1 Habitatrichtlijn). Het Naardermeer heeft bijvoorbeeld de Natura 2000-status gekregen, omdat er relatief veel veenbossen voorkomen. In het gebied komen echter ook mooie blauwgraslanden voor. Europa vraagt ook om bescherming van de blauwgraslanden in het Naardermeer. In alle Natura 2000-gebieden waar blauwgrasland voorkomt, moet het dus worden beschermd. In Nederland zijn dit 39 gebieden. Daarnaast vraagt Europa om op landelijk niveau voor blauwgrasland een gunstige staat van instandhouding te realiseren. Specifiek voor blauwgraslanden geldt dat er in Nederland een enorme afname heeft  plaatsgevonden en het moeilijk is om een gunstige staat van instandhouding te realiseren. Het is daardoor noodzakelijk dat in veel gebieden herstel of verbetering plaatsvindt. Dit geldt nadrukkelijk niet voor alle habitattypen. Europa schrijft niet voor in welke gebieden deze verbetering moet plaatsvinden. Dat bepaalt Nederland zelf, zolang het totaal van de gebieden maar voldoende uitkomt. Voor blauwgrasland is gekozen om in veel gebieden in te zetten op een bescheiden verbetering, in plaats van in enkele gebieden heel veel. Dat laatste zou ook veel moeilijker zijn. Blauwgraslanden willen we beschermen omdat ze een uniek deel van onze soortenrijkdom herbergen én omdat ze heel karakteristiek zijn voor de Nederlandse beekdalen en laagveengebieden. En natuurlijk vanwege het gebruik ervan door de mens (cultuurhistorische waarde). Bescherming is noodzakelijk omdat de blauwgraslanden enorm zijn afgenomen in de afgelopen eeuw (door intensivering van de landbouw en vervolgens verdroging en vermesting). De laatste locaties zijn vaak heel klein en lopen het risico de soorten alsnog kwijt te raken als gevolg van toevalsprocessen. Vergroting van de gebieden kan dit helpen voorkómen.

Welke activiteiten moeten in het beheerplan worden opgenomen, welke niet en waarom?
Het uitgangspunt is dat het bestaand gebruik zoveel mogelijk in het beheerplan wordt geregeld. Het beheerplan is immers het aangewezen instrument om doelen (instandhoudingsdoelstellingen), de beoordeling van gebruik en maatregelen in onderlinge samenhang te bezien. Politiek-bestuurlijk en maatschappelijk gezien is het wenselijk om zoveel mogelijk gebruik in het beheerplan breder te inventariseren en mee te nemen: projectmatig gebruik, feitelijk gebruik, vergund gebruik en zelfs toekomstig gebruik. Die ruimte in het beheerplan bestaat, wanneer er (al dan niet op basis van een passende beoordeling) geen significant negatieve effecten blijken te zijn op de instandhoudingsdoelstellingen in het gebied en het gebruik concreet genoeg is uitgewerkt om te toetsen. In de beheerplanprocessen is de inventarisatie van gebruik dan ook een belangrijke activiteit bij de totstandkoming van een beheerplan. Hierbij is het van belang om een goede betrokkenheid van relevante actoren te borgen. In dit kader ondersteunt het Interbestuurlijk Regiebureau Natura 2000. Dit gebeurt door middel van bijvoorbeeld sectornotities Bestaand Gebruik en door het uitwisselen van goede voorbeelden.

Om ondernemers zoveel mogelijk zekerheid te geven heeft de Staatssecretaris van EZ een extra voorziening getroffen. Zoals aangegeven in de brief van 30 juni 2009 (PDN.2009.56) regelt de Natuurbeschermingswet 1998 dat bestaand gebruik dat opgenomen wordt in het beheerplan vergunningvrij zal zijn. Bestaand gebruik dat onverhoopt niet in het beheerplan is opgeschreven zou daarmee vergunningplichtig worden. Dit leidt tot onzekerheid voor ondernemers. In dit kader wordt in de Crisis- en herstelwet voorgesteld dat bestaand gebruik dat niet wordt opgenomen in het beheerplan, vrijgesteld blijft van de vergunningplicht. Uiteraard wordt daarbij ook geregeld dat het bevoegd gezag de mogelijkheid houdt om ten aanzien van het bestaand gebruik passende maatregelen te nemen.
Voorwaarde voor het meenemen van activiteiten in het beheerplan is dat ze zodanig concreet zijn en zijn uitgewerkt dat de activiteiten daadwerkelijk toetsbaar zijn aan de instandhoudingsdoelstellingen. Er mogen fluctuaties optreden als ze maar voorzien én getoetst zijn.

Natura 2000-gebieden zijn geen natuurreservaten waar niemand mag komen; er wordt vaak gewandeld en gefietst, maar ook gewoond en gewerkt. Zolang deze activiteiten geen schadelijk effect hebben, wil de provincie dat dit gebruik ook zoveel mogelijk door kan gaan. Zijn er mogelijk wel effecten op de natuur, dan zoekt de provincie samen met de betrokken partijen naar een oplossing. Al het bestaand gebruik in een gebied dat niet schadelijk is, wordt opgenomen in het beheerplan. Eenmaal opgenomen in het beheerplan hoeft voor die activiteiten geen vergunning meer te worden aangevraagd. Nieuwe activiteiten en activiteiten met mogelijk schadelijke gevolgen blijven wel vergunningplichtig.

Waar kan ik de planning voor de afzonderlijke Natura 2000-gebieden vinden?
De meest recente planning is te vinden bij de voortgangsrapportage op de website van het Regiebureau Natura 2000.

Wat is de juridische status van een beheerplan?
In het voorstel voor de Crisis- en herstelwet is de status van het beheerplan verduidelijkt door het opnemen van de PAS (Programmatische Aanpak Stikstof), het opnemen van regels inzake de aanschrijvingsbevoegdheid en de verduidelijking dat verplichte gebruikmaking van een salderingsbank kan behoren tot de eisen die de provincie stelt. Daarnaast heeft de directie Juridische Zaken van het ministerie van EZ, in april 2009, een notitie opgesteld die duidelijkheid geeft over de juridische status van beheerplannen. Deze notitie ‘Beheerplan, juridische status, doorwerking en houdbaarheid’ is algemeen beschikbaar en te vinden in de bibliotheek.

Kunnen nieuwe activiteiten (na 2005) ook in het beheerplan worden meegenomen?
Nieuwe activiteiten kunnen sinds de wetswijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in februari 2009 ook meegenomen worden in de beheerplannen. Het gaat hierbij om nieuw te verwachten ontwikkelingen (‘voorzienbare toekomstige activiteiten en autonome ontwikkelingen’) in of buiten het Natura 2000-gebied, bijvoorbeeld een toename van de recreatievaart. Nieuwe projecten en plannen worden alleen op verzoek opgenomen. Voorwaarde is dan dat op grond van de toetsing (zo nodig een ‘passende beoordeling’) – en al dan niet na toepassing van extra maatregelen – duidelijk is dat er geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen zijn. Anders geldt de vergunningplicht.

Heel kort gezegd zou het antwoord moeten zijn.
- Minimum variant in het beheerplan is het bestaand gebruik conform wettelijke 
  definitie in de Natuurbeschermingswet 1998 meenemen en toetsen in het
  beheerplan.
- Politiek-bestuurlijk is het gewenst om verder te gaan en ook vergund gebruik en
  zelfs toekomstige ontwikkelingen mee te nemen.
- Dat kan, zolang de activiteiten/ontwikkelingen concreet genoeg blijken te zijn (op
  basis van een passende beoordeling) om te toetsen aan de
  instandhoudingsdoelstellingen én er geen significant negatieve effecten zijn.

Wat betekent Natura 2000 voor de landbouw (boeren)?
De belangrijkste beïnvloedende factor vanuit de landbouw op Natura 2000-gebieden is via de stikstof-/ ammoniakdepositie. De landbouw is één van de veroorzakers van stikstof en dus zal ook vanuit de landbouw moeten worden gewerkt aan de vermindering van stikstof. Dit betekent zeker niet dat er rondom deze gebieden voor de landbouw geen mogelijkheden meer zijn voor ontwikkeling. Door middel van de Crisis- en herstelwet en de Programmatische Aanpak Stikstof wordt een systematiek ontwikkeld die zorgt voor én verlaging van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (met het oog op de realisatie van instandhoudingsdoelstellingen) én ontwikkelingsmogelijkheden voor bedrijven.

Daarnaast kan beïnvloeding plaatsvinden via het (grond-)water. Met name waterschappen en provincies ontwikkelen maatregelen om deze beïnvloeding tegen te gaan met zo min mogelijk beperkingen voor de landbouw.

Wat is de betekenis van het voorzorgsbeginsel?
Het voorzorgsbeginsel is in het maatschappelijk verkeer dikwijls uitgelegd als een actie van de overheid om een gebied ‘op slot te doen’ voor economische, recreatieve of andere activiteiten. Die interpretatie is onjuist. Het is integendeel de meest effectieve, en voor alle betrokkenen in tijd en kosten de meest voordelige manier om ontwikkelingsruimte te kunnen benoemen. Immers: het uitgangspunt is dat er ontwikkelingen zijn en ook kunnen zijn, mits daarbij rekening wordt gehouden met het natuurbelang. Is de gewenste voorzorg goed geregeld, dan blijft voor ontwikkeling alle ruimte open zonder elk initiatief en elke actie nog afzonderlijk te moeten afwegen tegen het natuurbelang.

Is het mogelijk binnen de periode van 6 jaar het vastgestelde beheerplan te wijzigen? Op welke manier moet worden geborgd?
Allereerst dient opgemerkt te worden dat een beheerplan voor een periode van ten hoogste zes jaar kan worden vastgesteld. Het is dus ook mogelijk het beheerplan voor een kortere periode vast te stellen (artikel 19a, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998).Voor (tussentijdse) wijziging van een beheerplan geldt dezelfde procedure als voor vaststelling van een beheerplan. De procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht moet dus worden gevolgd (kort samengevat: eerst een ontwerpbesluit, waartegen zienswijzen kunnen worden ingediend, vervolgens een definitief besluit, waartegen beroep openstaat). Ook moet opnieuw worden overlegd met de besturen van de gemeenten en waterschappen binnen het Natura 2000-gebied. Bij wijzigingen moet dus een nieuw beheerplan worden vastgesteld.

Wat gebeurt er met ingediende zienswijzen op besluiten?
Alle inspraakreacties (oftewel zienswijzen) die binnenkomen bij het Inspraakpunt (tegenwoordig Centrum Publieksparticipatie) worden betrokken bij het opstellen van het definitieve aanwijzingsbesluit en kunnen mogelijk leiden tot aanpassing van dat besluit. Op welke wijze de Staatssecretaris is omgegaan met de ingebrachte zienswijzen is terug te lezen in de bijlagen bij het definitieve aanwijzingsbesluit. Iedereen die een zienswijze heeft ingediend wordt hierover per brief op de hoogte gesteld en ontvangt automatisch per post het definitieve aanwijzingsbesluit.

Aanwijzing, afstemming en vaststelling

Hoe komt de aanwijzing van een Natura 2000-gebied tot stand?
De aanwijzing van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijn) gebeurt op ecologisch gronden. Dat wil zeggen dat de geselecteerde gebieden gebieden zijn waar op moment van aanmelding natuurwaarden aanwezig waren die volgens de Europese Richtlijnen (vogels, habitats of andere soorten) bescherming behoeven. Voor elk habitattype en soort zijn de belangrijkste gebieden geselecteerd, waar de beste voorbeelden en/of de grootste oppervlakte of populaties voorkomen. Beide richtlijnen zijn puur gericht op het behoud van bestaande biodiversiteit en niet op verbetering van milieukwaliteit of op recreatiemogelijkheden. In dit licht is het dan ook niet geheel verwonderlijk dat de meeste gebieden in delen van het land liggen waar de milieudruk minder hoog is; hier hebben de natuurwaarden zich immers in de loop van de tijd het beste kunnen ontwikkelen. Bij het bepalen van de instandhoudingsdoelstellingen en de uitwerking daarvan in het beheerplan kan uiteraard wel rekening worden gehouden met natuurontwikkeling.

Is het, voordat het ontwerp-beheerplan in procedure kan worden gebracht, verplicht om alle regionale en lokale besturen expliciet te betrekken en om hun instemming te vragen?
In artikel 19a, zesde lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is opgenomen dat GS, het beheerplan niet eerder vaststelt dan na overleg met de besturen van gemeenten en waterschappen op het grondgebied waarvan de beheerplannen betrekking hebben. In artikel 19b, derde lid wordt bepaald dat de Staatssecretaris van EZ, voorzover deze het beheerplan vaststelt, het plan vaststelt na overleg met de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen. Deze leden vereisen dus overleg, maar geen instemming. Dit overleg is vormvrij en kan ook schriftelijk plaatsvinden. Zie ook de afspraken ten aanzien van de vaststellingsprocedure.

Wat is vaststellen en wat is goedkeuren?
Goedkeuren bestaat niet. Men stelt als bevoegd gezag vast voor dat deel van het beheerplan waartoe dat bevoegd gezag bevoegd is. Het vaststellen dient wel in overleg met de eigenaren / gebruikers te gebeuren en ook in overleg met betrokken gemeenten en waterschappen. Zij kunnen dus hun stem laten horen.

Begrenzing

Is het mogelijk een wijziging in de begrenzing van een gebied aan te brengen?
Het hangt van allerlei factoren af. Er is een gedetailleerde systematiek ontwikkeld voor de exclavering van bebouwing, erven en tuinen waar geen waarden voorkomen. Dat wordt gebaseerd op de actuele situatie en beoordeeld op grond van topografische en kadastrale lijnen, luchtfoto's en bestemmingsplannen. Dat betekent dat een stuk waarvan bestuurlijk zeker is dat het aan de bebouwing wordt onttrokken, niet geëxclaveerd hoeft te worden (zo lang de bebouwing aanwezig is geldt nog wel de tekstuele exclaveringsformule, zie par. 3.4 van definitieve besluiten). Iets wat nog niet bebouwd is en actueel behoort tot het leefgebied van de (vogel)soorten waarvoor het gebied is aangewezen, kan echter niet zo maar worden geëxclaveerd op grond van toekomstige bebouwing. Tenzij er op het moment van aanwijzing een onherroepelijk besluit ligt dat rekening heeft gehouden met de status als Natura 2000-gebied (passende beoordeling, of onderbouwde verklaring "niet significant").

Hoe definitief is de begrenzing die is opgenomen in het aanwijzingsbesluit?
In principe valt niet te tornen aan de buitengrenzen van het Natura 2000-gebied, maar nergens is vastgelegd dat elke m2 behouden moet blijven, het gaat er om dat de instandhoudingsdoelstellingen niet aangetast mogen worden. Andere ontwikkelingen in een gebied, zoals het bouwen van een woning of het aanleggen van een weg moeten dus getoetst worden aan de instandhoudingsdoelstellingen. Als een vergunning wordt verleend, ofwel de bouw/aanleg is legaal gepleegd, dan volgt wel dat verharding, erf of gebouw (e.d.) per definitie niet tot het gebied behoren (exclaveringsformule) en het gebied dus inderdaad een stukje kleiner wordt. Daar is verder (nog) geen beleid over vastgelegd. Overigens is de aanmelding van de gebieden kadastraal geschied, dat wil dus zeggen dat als er een perceel komt te vervallen als gevolg van de algemene exclaveringsformule dan moet een verzoek worden gericht aan de Staatssecretaris van EZ om dat kadasterperceel uit de begrenzing te verwijderen (ofwel de beperking die op het perceel ligt op te heffen).

Bestaand gebruik

Wat wordt precies verstaan onder bestaand gebruik?
De Natuurbeschermingswet 1998 definieert bestaand gebruik als gebruik dat op 31 maart 2010 bekend is, of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn bij het bevoegd gezag. Onder bestaand gebruik vallen alle activiteiten die sinds de peildatum niet of nagenoeg niet gewijzigd zijn.

Valt een met regelmaat terugkerend evenement waar een evenementenvergunning voor is verleend onder bestaand gebruik?
Citaat uit brief van de Minister van LNV (thans EZ) aan de Tweede Kamer: "Bovenstaande laat onverlet dat de initiatiefnemer bij bestaand gebruik, waarbij zich een toetsingsmoment voordoet, omdat het anderszins vergunningplichtig is (en bijvoorbeeld een Wvo, Wm of visserijvergunning nodig heeft) op het moment dat hij die andere vergunning aanvraagt, ook in overleg moet treden met het op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 bevoegd gezag om te beoordelen of op dat moment een Natuurbeschermingswet-vergunning moet worden aangevraagd. Criterium daarbij is de mogelijkheid, dat een activiteit significante gevolgen kan hebben ".

In hoeverre moet Nederland zich bezig houden met de vormen van bestaand gebruik in buurlanden? En vormen van bestaand gebruik die zowel in Nederland als in de buurlanden aan de orde zijn?
Voor een sluitende beoordeling van bestaand gebruik is een cumulatie-boekhouding nodig. Dat betekent dat Nederland de externe werking van bestaand gebruik in het buitenland wel in beeld moet brengen. Aan de andere kant kunnen we dat bestaand gebruik in het buitenland in de praktijk niet beïnvloeden. Als handelingen worden verricht buiten het Natura 2000-gebied, die schadelijke gevolgen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, is sprake van externe werking. De Nederlandse wet (in dit geval Natuurbeschermingswet 1998) is alleen van toepassing op Nederlands grondgebied. Er kan dus geen vergunningplicht gelden voor handelingen in het buitenland, ook niet als die handelingen schadelijke gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. In een beheerplan kan dus ook geen bestaand gebruik in het buitenland worden opgenomen met als doel het vrij te stellen van de vergunningplicht of voorwaarden aan het bestaand gebruik te verbinden. Als er voorwaarden aan het gebruik in België of Duitsland worden gesteld, moet dat door de Belgische of Duitse overheid gebeuren. Met het oog op de cumulatieve effecten moet wel in beeld worden gebracht welk bestaand gebruik plaatsvindt in België of Duitsland of het Belgische/Duitse deel van het Natura 2000-gebied. Externe werking is ook van toepassing op bestaand gebruik. Belgisch/Duits bestaand gebruik of nieuw gebruik dat negatieve invloed heeft op Natura 2000-doelen in Nederland kan de Belgische/Duitse overheid niet toestaan. Wij worden geacht dat in overleg te regelen en anders via het Europees Hof van Justitie. Daar waar het gaat om een gedeeld gebied en ook gebruiksruimte moet worden gedeeld is er maar één oplossing en dat is dit in overleg regelen! Er kan overleg met België/Duitsland plaatsvinden over het beheerplan.

Is kiezen voor een aanpak waarmee individuele vergunningplicht voor bestaand gebruik kan worden voorkomen door het nemen van collectieve maatregelen juridisch mogelijk, mede gezien de recente wetswijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 door middel van de Crisis- en herstelwet?
Als door het nemen van een collectieve maatregel de significant negatieve invloed van dat bestaand gebruik wordt weggenomen, kan dat bestaand gebruik in het beheerplan worden opgenomen. De maatregel moet dan wel als voorwaarde aan het bestaand gebruik ook in het beheerplan worden opgenomen. (zie ook Memorie van Toelichting).

In hoeverre moete woningen, erven, steigers etc. van particulieren die liggen in of grenzen aan een Natura 2000-gebied worden opgenomen in de beschrijving van bestaand gebruik?
In het algemeen is bestaande bebouwing, erven, tuinen en verhardingen geëxclaveerd. Daarmee is het geen onderdeel van het Natura 2000-gebied en hoeft het niet als bestaand gebruik te worden opgenomen in het beheerplan. Hetzelfde geldt voor buiten het Natura 2000-gebied gelegen zaken, ook al grenzen ze aan het gebied. Er staat 'in het algemeen', want de nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit kan voor specifieke zaken iets anders vermelden. Dus per gebied zal moeten worden nagegaan of er iets bijzonders over staat vermeld. Nieuwe zaken zijn in beginsel vergunningplichtig, tenzij in het beheerplan is geanticipeerd op deze ontwikkeling. Bebouwing, tuinen en erven worden in de definitieve besluiten mede op grond van kadastrale lijnen en bestemmingsplan zoveel mogelijk geëxclaveerd. In het ontwerp is dat slechts op grond van topografische lijnen gedaan maar dat is niet volledig omdat tuinen en erven lang niet altijd op de topografische kaart worden aangegeven.

Cumulatie

Indien sprake is van een cumulatief significant negatief effect veroorzaakt door projecten buiten een Natura 2000-gebied, is er dan een ordening in doorgang van projecten/handelingen (belang/tijdsplanning) als met het niet uitvoeren van een project significant negatieve effecten kunnen worden voorkomen?
Nee. Het zal een onderhandeling/overleg met de betrokken partijen zijn hoe met de ordening van handelingen wordt omgegaan: meest kosteneffectieve oplossing zoeken, ook mitigatie in beeld houden. Dit geldt ook voor bestaand gebruik binnen en buiten een Natura 2000-gebied.

Depositie

Wat is een gangbare methode om de effecten van verzuring en vermesting te berekenen?
Met het model AAgroStacks wordt stikstofdepositie gemodelleerd. Tot nu toe gebeurt dat alleen voor veehouderijen, maar het model is ook geschikt voor andere bronnen. De provincies zijn betrokken bij het ontwikkelen van de zogenoemde 'trechtermethode' van de Dienst Landelijk Gebied, waarbij meerdere bronnen met elkaar worden vergeleken. Een significant effect van stikstofdepositie vanuit een nieuw te bouwen woonwijk in de nabijheid van stikstofgevoelige habitattypen valt niet op voorhand uit te sluiten. Een depositieberekening is zeker aan te bevelen. Het beste kan contact worden opgenomen met óf de provincie óf DLG, waarbij gevraagd kan worden naar mensen die betrokken zijn bij de trechtermethode voor stikstofdepositieberekeningen.

Hoe moet worden omgegaan met een geringe toename van stikstofdepositie als gevolg van een toename van verkeer op de bestaande infrastructuur? Mag je bestaande infrastructuur op voorhand buiten beschouwing laten in de plantoets?
Wat betreft stikstof is er regelgeving op komst, te weten de PAS (Programmatische Aanpak Stikstof). Op de website www.natura2000.nl staat de VPAS (voorlopige programmatische aanpak stikstof). Bij plannen is een autonome ontwikkeling, b.v.van verkeer op bestaande infrastructuur, iets dat buiten beeld mag blijven. Wanneer het evenwel gaat over een toename als gevolg van het project moet het meegenomen worden. Mitigatie mag ruimer gezien worden dan alleen als mitigatie van het verkeer. Het betreft mitigatie van de gevolgen van het project en dat kan door in het kader van het project op andere wijze iets te regelen, waardoor per saldo de gevolgen zodanig zijn dat geen sprake is van significante effecten. Welke plannen je moet meenemen is afhankelijk van de mate van concreetheid. Wanneer bestuurlijke besluitvorming heeft plaatsgevonden over een plan moet daar in beginsel rekening mee worden gehouden. Een uitzondering is wanneer de besluitvorming nog dermate abstract is of ver in de toekomst dat het niet zeker is dat het zal worden uitgevoerd. Het oude beginsel van een toekomstige onzekere gebeurtenis is dus van toepassing: daarmee behoeft geen rekening te worden gehouden. Wanneer daarentegen een aanvraag om vergunning voor een bouwwerk is ingediend op grond van een vaststaand bestemmingsplan moet er wel rekening mee worden gehouden.

Hoe gaat Nederland om met ammoniak over en van over de grens?
Voor activiteiten die in Nederland plaatsvinden, maar negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden in het buitenland kunnen hebben, geldt ook een vergunningplicht op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. Dat is eigenlijk ook logisch, omdat het in de Habitatrichtlijn gaat om de bescherming van een Europees netwerk van natuurgebieden. Gedeputeerde Staten zijn veelal bevoegd gezag voor de vergunningverlening, ook als de gevolgen zich in het buitenland voordoen. Als er mogelijk significante gevolgen zijn voor een Natura 2000-gebied, moet de initiatiefnemer een passende beoordeling opstellen. Het maakt daarbij niet uit of het Natura 2000-gebied in Nederland of het buitenland ligt. Alle EU-lidstaten hebben dezelfde verplichtingen op grond van de Habitatrichtlijn. Ook de andere EU-lidstaten zijn dus verplicht de gevolgen van activiteiten die in hun land plaatsvinden te toetsen aan de Habitatrichtlijn. Als zij zich niet aan de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn houden, kan de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen de lidstaat starten. Uiteindelijk oordeelt dan het Europees Hof van Justitie erover.

Het toetsingskader ammoniak gaat voor bestaand gebruik uit van de vergunde situatie, op basis van milieuvergunningen in plaats van feitelijk bestaand gebruik. Wat prevaleert nu in de juridische werkelijkheid?
Bestaand gebruik is feitelijk gebruik. Afhankelijk van de omstandigheden hoeft dit niet altijd persé het feitelijk gebruik op de peildatum te zijn.

Doelen

Zijn de doelen van de Staatsnatuurmonumenten vervallen?
Nee, deze waarden zijn niet vervallen. Deze waarden worden net zo behandeld als de waarden van Beschermde Natuurmonumenten (BN). Dat de Natuurbeschermingswet 1998 alleen spreekt van BN is omdat de nieuwe wet geen SN meer kent: alle heten nu BN. Dat beide gelijk behandeld worden, blijkt uit de MvT bij het wetsvoorstel. (Zie Memorie van Toelichting).

Hoe moet worden omgegaan met habitattypen die niet zijn aangewezen maar wel voorkomen in een Natura 2000-gebied?
Nederland is verplicht de in Europees verband belangrijke habitattypen en soorten te beschermen. De aanwijzing van de Natura 2000-gebieden draagt hieraan bij. Alle relevante natuurwaarden uit de Habitat- en Vogelrichtijn die in de Natura 2000-gebieden voorkomen, moeten worden beschermd. Ook natuurwaarden die in deze gebieden voorkomen, maar in 2003 niet in Brussel zijn aangemeld, moeten worden beschermd. Het gaat daarbij uiteraard niet om elk afzonderlijk beestje of plantje dat wordt gevonden, maar om een voldoende representatief aantal. Met actuele informatie over de aanwezigheid van deze natuurwaarden zal dus rekening gehouden moeten worden in de aanwijzingsbesluiten. Het omgekeerde doet zich ook voor: natuurwaarden die eerst wél waren aangemeld, worden niet opgenomen in het aanwijzingsbesluit als deze niet aanwezig blijken te zijn. Dit geldt zowel voor de bedoelde natuurwaarden als voor de instandhoudingsdoelstellingen en de bijbehorende staat van instandhouding. De gegevens van de aanmelding uit 2003 dienen ten behoeve van de aanwijzing dus te worden geactualiseerd met de meest recente informatie. Met de publicatie van het definitieve aanwijzingsbesluit staan de natuurwaarden en de instandhoudingsdoelstellingen vast."

Maakt het voor de status van een instandhoudingsdoelstelling uit of de noodzakelijkheid van het nemen van maatregelen dat een habitattype in het verleden is ontstaan door het veranderen van de abiotische omstandigheden door de mens?
Nee. Niet de (veronderstelde) 'natuurlijke toestand' is het uitgangspunt, maar de instandhoudingsdoelstelling

Wat is de bijdrage van een bepaald Natura 2000-gebied aan de landelijke instandhoudingsdoelstellingen?
In de gebiedendocumenten zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor een gebied te vinden. Verdere uitwerking dient plaats te vinden in het beheerplan. De relatieve bijdrage van het gebied aan het landelijke doel (zoals in het doelendocument is vermeld) is te vinden in het profielendocument bij de betreffende soort/habitattype. In het tabelletje is aangegeven welk deel van de populatie voorkomt in het gebied wat op zich nog niet direct iets zegt over het aandeel dat het gebied moet bieden aan het landelijke doel. De instandhoudingsdoelstellingen in het ontwerp-aanwijzingsbesluit zijn leidend; opmerkingen in het landelijke doelendocument (over de betreffende soorten en typen) zijn daarbij ook relevant.

De begrippen kwaliteit en uitbreiding zijn niet verder omschreven in het aanwijzingsbesluit. Is dit al nader gedefinieerd?
De huidige kwaliteit en oppervlakte wordt objectief gedefinieerd door middel van een vegetatiekartering; een beschrijving van aanwezige typen en oppervlakte van de typen. Kwantificering dus. Daarnaast hebben we het instandhoudingsdoelstelling. Geef aan hoeveel je van een type realiseert met welke maatregelen: bv x ha met maaien en afvoeren; x ha met afvoeren toplaag en herstel waterhuishouding; etc. Er is dan een onderbouwde vergelijking van heden en streven qua inhoud, condities en oppervlak.

Welke status hebben complementaire doelen in het (ontwerp-)aanwijzingsbesluit?
De complementaire doelen hebben dezelfde status als andere instandhoudingsdoelstellingen.

Wanneer in het aanwijzingsbesluit als instandhoudingsdoelstelling staat ‘uitbreiding oppervlakte’ waar moeten we dan aan denken? Om hoeveel uitbreiding gaat het dan?
Zo'n doel wordt alleen opgenomen als het om een substantiële uitbreiding gaat. Hoeveel dat is, wordt vooralsnog overgelaten aan het beheerplanproces. Ingrediënten voor een afweging zijn onder andere:
-    welke potenties heeft het gebied?
-    voor welke soorten of processen van het habitattype is het areaal nu te klein
     om goed te kunnen functioneren?
-    wat zijn de bestaande plannen van de terreinbeheerder?
-    wat voor belang heeft de uitbreiding in nationaal opzicht? Het ministerie van
      EZ zal bijhouden of de gebiedsdoelen voldoende gaan optellen tot het
      landelijke doel.
-    is de uitbreiding haalbaar en betaalbaar?

Wat is belangrijker: de instandhoudingsdoelstellingen in het aanwijzingsbesluit van een gebied of de kernopgaven?
De kernopgaven zijn op landschapsniveau geformuleerd. De kernopgaven omvatten vaak meerdere soorten en habitattypen die op landschapsniveau en op gebiedsniveau om een samenhangende aanpak in het kader van beheer en inrichting vragen. Ze geven de belangrijkste behoud- en herstelopgaven per Natura 2000-landschap. De kernopgaven stellen prioriteiten (ook in het kader van de beheersplannen) (zie Natura 2000 doelendocument). Bijvoorbeeld: voor landschap "Hogere zandgronden" is door middel van kernopgave 6.08 een belangrijke opgave voor het uitbreiden en verbeteren van het areaal van de in deze kernopgave genoemde waarden, mede ten behoeve van een aantal vogelsoorten. Dit wil echter niet zeggen dat in ieder gebied waaraan de betreffende kernopgave is toegekend (zo'n 19 gebieden) ook een uitbreiding/verbeteropgave is neergelegd voor al die waarden. Het kan bijvoorbeeld zijn dat een gebied al een belangrijke bijdrage levert aan die opgave. Sommige van de genoemde waarden of vogels zullen in dit gebied wellicht niet eens als doel zijn opgenomen, omdat betreffende waarde in dat gebied niet voorkomt. In andere gebieden kan dat weer anders zijn. Kernopgaven geven dus richting aan de prioritering in de beheerplannen, maar de instandhoudingsdoelstellingen in de aanwijzingsbesluiten zijn leidend.

Bestaat er een (wettelijke) deadline voor het realiseren van instandhoudingsdoelstellingen?
Nee, de instandhoudingsdoelstellingen kennen (juridisch) geen deadline. Uitgangspunt is dat als ondergrens geldt dat geen verslechtering mag plaatsvinden ten opzichte van de huidige situatie. Richtinggevende informatie is te vinden in leeswijzer van het profielendocument (m.n. H2 pag 9). Hierin staat een en ander vermeld over tijdsafspraken ten aanzien van de 'sense of urgency ' gebieden. Ook wordt een en ander gezegd onder het kopje toekomstperspectief over de verwachte ontwikkeling tot 2020 (zie bijv. pag 19) voor de landelijke doelen voor respectievelijk Habitatrichtlijntypen en -soorten en vogelsoorten. Bij het kwantitatief uitwerken van de instandhoudingsdoelstellingen in het beheerplan is het landelijke doel in het Natura 2000-doelendocument en het 'streefbeeld' in het profielendocument richtinggevend. In het beheerplan worden de instandhoudingsdoelstellingen voor de langere termijn uitgewerkt en wordt de ambitie voor de eerste planperiode bepaald.

Mag het behalen van een instandhoudingsdoelstelling ten koste gaan van de realisatie van een andere doelstelling?
De ene doelstelling mag alleen worden behaald ten koste van een andere doelstelling als er een 'ten gunste van' formulering staat in de aanwijzingsbesluiten. Zo niet, dan is het niet toegestaan. Er kan wel gefaseerd worden geschoven met doelen; elders alvast een habitattype laten ontstaan, zodat daarna een ander stuk van hetzelfde habitattype kan worden opgeofferd voor de ontwikkeling van een ander type. Zo handhaaf je de behouddoelstelling voor het eerste habitattype.

Hoe moet worden omgegaan met bestrijdingsmiddelen in Natura 2000-gebieden?
Indien sprake is van een mogelijk schadelijke effectketen van stoffen in relatie tot instandhoudingsdoelstellingen (bijv. ophoping in individuen of schadelijke stoffen die standplaatsfactoren beïnvloeden) kan dit door het toelatingsbeleid (verbod op toepassing stoffen) worden geregeld. Het gaat er om dat zo veel mogelijk (beredeneerd indien er niet voldoende gegevens bekend zijn) duidelijk wordt gemaakt wat de effectketen is en welke gevolgen deze kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen (de ecologische grond vanuit Natura 2000). Indien het aannemelijk is dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten dan is niet toestaan van het betreffende bestrijdingsmiddel de meest voor de handliggende optie. Het kan ook zo zijn dat de gevolgen van stoffen die in het milieu terecht komen op basis van gebiedsspecifieke omstandigheden geen effect kunnen hebben (bijv. geen verspreiding/ontsluiting mogelijk door afwezigheid grondwater) naar plaatsen die van belang zijn voor instandhoudingsdoelstellingen. Significante gevolgen kunnen dan mogelijk uitgesloten worden (er is dan immers geen sprake van een mogelijke effectrelatie) en hoeft het toelatingsbeleid geen rol te spelen

Wat is bij een behoudsopgave voor een aanvullende BN-waarde het ijkjaar?
Het ijkjaar voor de BN-waarden is het jaar van aanwijzen als BN (of voorheen SN).

Welke doelstelling moet ik aanhouden? De kernopgave of de synopsis?
De kernopgave is een landelijke opgave. Wat in de synopsis staat, geldt voor het specifieke gebied en dat komt overeen met de instandhoudingsdoelstellingen in het gebiedendocument (= in principe hetgeen ook in het (concept-) aanwijzingsbesluit staat). Dus …. synopsis aanhouden.

Externe werking

Hoe groot is het gebied rondom Natura 2000-gebieden waarvoor het beheerplan geldt (het zogenaamde beïnvloedingsgebied)? Welke variatie is er?
De externe werking is niet in de ruimte begrensd; per Natura 2000-waarde van een gebied moet bekeken worden of er een oorzakelijk verband kan zijn tussen een activiteit buiten het gebied (waar dan ook) en schade aan een waarde in het gebied. Dit betekent dus ook dat er in een beheerplan voor gekozen kan worden om activiteiten te reguleren die ver buiten het gebied plaatsvinden, zolang die vallen onder de externe werking. Bedenk echter wel dat de kans toeneemt dat die activiteit dan voor meerdere gebieden binnen de externe werking valt. En verschillende beheerplannen moeten elkaar natuurlijk niet gaan tegenspreken in de regulering van één activiteit.

Financiën / economie

Natura 2000-gebieden beheren kost vast veel geld. Wie gaat dat betalen?
Het beheer van de natuur wordt gefinancierd uit bestaande middelen voor natuurbeheer, waterkwaliteit etc.

Wat wordt precies verwacht bij de invulling van het hoofdstuk Financiën van het beheerplan? Betreft het hier de kosten van het uitvoeren van het reguliere beheer en de kosten van de mitigerende maatregelen?
Ja, het betreft hier zowel de kosten van het reguliere beheer op jaarbasis als mitigerende maatregelen per maatregel per m2. Dus alle kosten voor beheer en mitigerende maatregelen zoals in het beheerplan wordt overeengekomen / nodig is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. En ook hoe een en ander wordt gefinancierd.

Is er een leidraad voor de sociaal-economische paragraaf die in de beheerplannen moet worden opgenomen?
Een notitie over sociaaleconomische aspecten is in de Regiegroep van 15 juni 2010 geaccordeerd en met een brief van 1 juli 2010 aangeboden aan de Tweede Kamer. Zie ook de pagina sociaal economische aspecten.

Levert Natura 2000 ook economische kansen en baten op? Hoe dan? Waar?
In 2006 is bij de start van de implementatie van Natura 2000 in opdracht van het ministerie van EZ (voorheen LNV) een onderzoek uitgevoerd door het Instituut voor Milieuvraagstukken (IVM). In een brief aan de Tweede Kamer is hierover het volgende opgenomen:
Baten
Door het Instituut voor Milieuvraagstukken (IVM) zijn de baten van Natura 2000 in beeld gebracht. Het is voor het IVM echter niet mogelijk gebleken om goed onderscheid tussen de baten van bestaand natuurbeleid en die van Natura 2000 te maken. Daarom is gekozen om per Natura 2000-landschap de bestaande baten in beeld te brengen. De uitkomsten van de kostenanalyse van het LEI en de batenanalyse van het IVM mogen daarom niet tegenover elkaar worden geplaatst. De onderzoekers geven aan dat er grote verschillen en hiaten zitten in de bestaande waarderingsstudies. De resultaten hebben daarom een sterk indicatief en voorwaardelijk karakter.
Het IVM geeft in haar rapportage aan dat de gemiddelde baten voor alle Natura 2000 gebieden circa € 4.000 per hectare per jaar bedragen. Deze baten betreffen bijvoorbeeld milieuregulering, recreatie en toerisme, verbeterde leefomgeving en voorziening van grondstoffen. De totale omvang van Natura 2000 in Nederland bedraagt ongeveer 1,1 miljoen hectare.

Habitattypen

Hoe moet worden omgegaan met een mozaïek van habitattypen in een beheerplan? Vanwege dynamiek en successie is het soms onmogelijk deze types op kaart uit elkaar te trekken.
Voor het stellen van instandhoudingsdoelstellingen is er geen probleem, mits het om een oppervlakte gaat waarin de instandhoudingsdoelstellingen ook echt verweven zijn en er geen praktische (beheer/maatregel) bezwaren zijn tegen het onderscheiden. In de kartering wordt er naar gestreefd om altijd te onderscheiden; alleen als het een heel fijnmazig voorkomen is, wordt met complexen gewerkt. Het onderscheid tussen grasland en struweel is in het algemeen goed te maken bij de kartering. Alleen in sommige duingebieden wordt het lastig.
N.B. Het woord mozaïek niet gebruiken als complex wordt bedoeld. Een mozaïek is voorbehouden aan vegetatietypen die niet zelfstandig als habitattype, maar wel in mozaïek mogen meedoen bij het bepalen van het oppervlak/voorkomen van het habitattype (zie leeswijzer profielendocument). Een complex is een kaartvlak met daarin meer dan één habitattype, met een percentuele verdeling.

Hoe om te gaan met concurrentie tussen habitattypen onderling en tussen habitattypen en VR-soorten?
De instandhoudingsdoelstellingen gelden voor het gebiedsniveau, niet voor afzonderlijke locaties. Een habitattype mag dus vervangen worden door een ander, zolang er netto in het gebied gemiddeld geen afname van het eerste type plaatsvindt. Het beheerplan is ervoor om deze puzzel sluitend te krijgen. Hetzelfde geldt voor de verhouding tussen HR- en VR-waarden: alle doelen zijn gelijkwaardig. Enige uitzondering is de 'ten gunste van'-formulering in een aanwijzingsbesluit: als vantevoren al vaststaat dat de beoogde uitbreiding van de ene VHR-waarde ten koste moet gaan van een andere (omdat er simpelweg geen 'uitwijkruimte' in het gebied is), dan staat er in de instandhoudingsdoelstelling voor de waarde die zal afnemen: "enige afname ten gunste van ... is toegestaan". Dit komt heel precies: je moet in het beheerplan eerst aantonen dat het echt niet anders kan en het geldt alleen voor de met name genoemde combinatie (afname mag dus niet ten gunste van een niet genoemde VHR-waarde). Mocht in het beheerplanproces blijken dat er een 'ten gunste van' noodzakelijk is, terwijl dit niet is opgenomen in het aanwijzingsbesluit, dan moet een verzoek worden ingediend bij het ministerie van EZ om het besluit te wijzigen.

Wat is (juridisch) de nulsituatie in de aanwezigheid van habitattypen?
De nulsituatie is het moment van aanmelden. Die nulsituatie wordt vervangen door het moment van aanwijzen (eerst in ontwerp, daarna definitief), dus de habitattypenkaart moet zoveel mogelijk de situatie van het moment van definitieve aanwijzing weergeven. Er is één belangrijke kanttekening: de bescherming krachtens de Habitatrichtlijn is al ingegaan op het moment van aanmelden; als er sindsdien een afname heeft plaatsgevonden, moet die worden teruggedraaid. Dat behoort zich te vertalen in een verbeterdoelstelling. Een check of sprake is van eventuele afname van oppervlakte sinds 2004 is dus relevant.

Handhaving

Zijn er standaard voorwaarden die in de vergunning moeten worden opgenomen in verband met handhaving?
Het Regiebureau Natura 2000 heeft in overleg met bevoegd gezag en maatschappelijke organisaties een notitie over de handhavingsparagraaf opgesteld. De resultaten van de werkconferentie over handhaving die op 23 juni 2010 heeft plaatsgevonden kunt u vinden op de pagina handhaving.

Maatregelen

Hoe gedetailleerd dienen de maatregelen in het beheerplan te worden beschreven?
Het heeft geen zin om net zo gedetailleerd te zijn als in een uitvoeringsbestek. De maatregelen moeten wel zodanig gedetailleerd zijn, dat duidelijk is welke maatregelen genomen gaan worden. Laat ook duidelijk zien (maar dat kan in de verwijzende zin) dat in de uitvoering rekening wordt gehouden met de specifieke eisen van soorten en habitattypen. Zie ook artikel 19a, lid 3 (inhoud beheerplan).

Is het mogelijk bij grote kennislacunes over een gebied in het beheerplan te volstaan met maatregelen om deze kennislacunes op te heffen?
Ja, het is in principe mogelijk om een nader onderzoek op te nemen als een te nemen maatregel in het kader van het beheerplan. Maar dit mag niet voor alles een uitvlucht zijn, zeker niet in situaties waarin sprake is van een Sense of Urgency. In principe geldt bij het vaststellen van het beheerplan ook het voorzorgsbeginsel. Dit is feitelijk een passende beoordeling. Onzekerheid is dan grond om een activiteit buiten het beheerplan te houden. Deze activiteit is dan geen bestaand gebruik meer in die zin dat de activiteit dan gewoon vergunningplichtig is! Denk in dit verband aan het voorzorgsbeginsel: indien niet uitgesloten kan worden dat bestaand gebruik verslechtering of (significante) verstoring als gevolg heeft, kan het niet in een beheerplan worden opgenomen; sowieso niet als het mogelijke significante gevolgen heeft (passende beoordeling).

Als er geen mitigerende maatregelen zijn te bedenken of uit te voeren, wat gebeurt er dan met het bestaand gebruik?
Indien op basis van objectieve gegevens niet aannemelijk kan worden gemaakt, dat met het in het beheerplan beschreven maatregelenpakket (waaronder mitigerende maatregelen) de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden gehaald, is het bestaand gebruik vergunningplichtig. Dat betekent dat een vergunning moet worden aangevraagd en een "Habitattoets" moet worden doorlopen. Omdat mitigerende maatregelen echter niet denkbaar/uitvoerbaar zijn, zal een vergunning alleen kunnen worden verleend indien succesvol de ADC-toets (alternatieven, dwingende redenen van openbaar belang, compensatie) wordt doorlopen.

Monitoring

Hoe is de taakverdeling tussen EZ en de provincies in het kader van monitoring en rapporteren? Moet men de taakverdeling aanhouden zoals beschreven in de handreiking beheerplannen?
Taakverdeling Rijk-provincie: de taakverdeling op hoofdlijnen zoals deze in de handreiking staat is, inderdaad de taakverdeling die aangehouden dient te worden. Het Programma van Eisen zal zowel voor de landelijke monitoring als voor de gebiedsgerichte monitoring (ten behoeve van de monitoringsparagraaf in het beheerplan) worden opgesteld. Hierbij wordt ook gezocht naar aansluiting bij het gezamenlijke Rijk-provincie programma "Waarborgen Natuurkwaliteit". In dat traject wordt gewerkt aan één monitoringsprotocol dat de eisen en verplichtingen op natuurmonitoringsgebied zo efficient mogelijk aan elkaar probeert te koppelen. Zie de pagina monitoring voor de laatste informatie.

Schade

Binnen de Natuurbeschermingswet 1998 is ruimte voor het verstrekken van financiële compensaties. Zijn de schadeloosstellingen vanuit wijzigingen van bestemmingsplannen vanuit de Natuurbeschermingswet 1998 of vanuit de Wet Ruimtelijke Ordening? Welke mogelijkheden biedt de Natuurbeschermingswet 1998 bij schade aan particulier eigendom?
Op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 kan vergoeding van schade worden gevraagd, die het gevolg is van een besluit op grond van hoofdstuk III van de NB-wet, waaronder een besluit tot het vaststellen van een beheerplan. De artikelen 30 t/m 38 regelen de schadevergoeding. Het gaat daarbij om schade "die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven". Een betrokkene kan eenvoudig een verzoek tot schadevergoeding indienen. Dat is vormvrij. Er moet wel een causaal verband zijn tussen de schade en het besluit dat de schade heeft veroorzaakt. Het verdient aanbeveling, dat iemand in zijn verzoek zo helder mogelijk aangeeft waarom hij schade heeft die voor vergoeding in aanmerking komt, hoe hoog de schade is en zo goed mogelijk onderbouwt dat die schade inderdaad zo hoog is. Als bijvoorbeeld bepaalde activiteiten niet in een beheerplan worden opgenomen, is het niet zo dat een ondernemer daardoor schade lijdt. Dat betekent immers alleen dat er een vergunningplicht geldt. Als de vergunning verleend wordt, lijdt hij geen schade. Als de vergunning niet wordt verleend, is de weigering een vergunning te verlenen het besluit dat de schade veroorzaakt. Het is natuurlijk ook mogelijk dat schade wordt veroorzaakt door voorwaarden die in een beheerplan of vergunning aan een activiteit worden gesteld. Vergoeding van schade kan worden gevraagd bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen dat de schade veroorzaakt (dus bij een beheerplan: EZ, I&M, Defensie of een provincie, bij een vergunning EZ of provincie).
Als schade voortvloeit uit een bestemmingsplan, moet de schade op grond van de Wro worden vergoed, ook als uit het beheerplan al voortvloeit dat een bestemmingsplan moet worden gewijzigd. Wel kan het in dat geval gebeuren dat de gemeenteraad de schade probeert te verhalen op het rijk. Op grond van de Wro is dat mogelijk, als in het bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen ten behoeve van belangen die door het Rijk worden behartigd (of bij de provincie, als het om provinciale belangen gaat). Zie ook de samenvattende notitie “Schadeclaims als gevolg van Natura 2000” op de schade pagina.

Soorten

Hoe moet worden omgegaan met de kenmerkende soorten die bij een bepaald habitattype horen? Hoe zwaar wegen deze mee bij het nemen van maatregelen? Moeten ook maatregelen worden getroffen voor daarbij horende vogelsoorten?
Het is heel belangrijk als in een beheerplan aandacht wordt besteed aan het nationale en provinciale natuurbeleid, inclusief de gelocaliseerde natuurbeheertypen met hun doelsoorten. Natura 2000 heeft typische soorten. Een en ander wordt afgestemd. In het beheerplan moet echter wel duidelijk worden wat specifiek noodzakelijk is vanuit het aanwijzingsbesluit Natura 2000. Ook voor de vergunningverlening Natuurbeschermingswet is alleen dit besluit relevant (maar in de ruimtelijke ordening zijn voor de bescherming van de EHS, met o.a. compensatievoorwaarden, de natuurbeheertypen/doelsoorten wel relevant).

Op welke manier moeten soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV worden meegenomen in de beheerplannen als deze voorkomen in een Natura 2000-gebied? En hoe moet het dan met de toetsing bestaand gebruik?
Het beheerplan is niet bedoeld voor HR-IV-soorten, want die kennen geen instandhoudingsdoelstellingen; in een beheerplan mogen wel andere waarden worden opgenomen, maar dat mag in het beheerplanproces worden beslist. In ieder geval is het wel raadzaam om in het beheerplan te melden dat, indien bestaand gebruik is getoetst aan de instandhoudingsdoelstellingen, dat nog niet betekent dat ook automatisch is voldaan aan de verplichtingen vanwege de Flora- en Fauna-wet (zelfs als het om dezelfde soorten gaat).

Moeten typische soorten net zo behandeld worden als kwalificerende soorten?
Inmiddels is duidelijk geworden dat de Habitatrichtlijn (volgens de interpretatie door de Europese Commissie) eist dat typische soorten ook op gebiedsniveau zelfstandig beschouwd moeten worden voor het bepalen van de staat van instandhouding en de mogelijke aantasting daarvan. Door de lidstaten is echter aangevoerd dat de bescherming van typische soorten niet zo streng mag zijn als die van de beschermde soorten (HR-II, VR-I). De EC is daarmee akkoord gegaan (Notes & Guidelines article 17). Binnenkort zal besluitvorming plaatsvinden over hoe Nederland invulling wil geven aan die gebiedsgerichte beoordeling van typische soorten. Vooralsnog moet ervan worden uitgegaan dat de typische soorten als geheel moeten worden beoordeeld (dus negatieve effecten op individuele typische soorten zijn niet per definitie significant). Voorts worden ze alleen beoordeeld voorzover ze in het betreffende habitattype voorkomen. De laatste stand van zaken over typische soorten staat vemeld op de website www.natura2000.nl.

Staat van instandhouding

Wat zijn de exacte opgaven voor een sense-of-urgency Natura 2000-gebied? Dient verdere achteruitgang te worden voorkomen en/of moeten binnen 10 jaar (2015) alle vereiste maatregelen worden genomen om de ecologische vereisten op orde te hebben gebracht?
Met 'sense of urgency' wordt richting gegeven aan het tempo van realisering van de doelen (en aan de inzet van noodzakelijke maatregelen). Gezien de huidige staat van instandhouding op landelijk niveau en gezien de situatie in de concrete gebieden is aan een aantal kernopgaven deze 'sense of urgency' toegekend. Een 'sense of urgency' kan een probleem met de watercondities of met het terreinbeheer betreffen. Een 'sense of urgency' is toegekend aan een gebied als binnen tien jaar (ná 2005) mogelijk een onherstelbare situatie ontstaat. In die urgente gevallen is ingeschat dat een kernopgave (en de daaronder liggende verplichting om minimaal de huidige waarden in stand te houden) dan niet meer realiseerbaar is. Kernopgaven met een 'sense of urgency' moeten door middel van (beheer)maatregelen voor het jaar 2015 op orde zijn gebracht. Dit betekent dus dat op korte termijn maatregelen moeten worden getroffen om te voorkomen dat de in het geding zijnde waarden onherstelbaar worden aangetast.

In het gebiedsdocument van een Natura 2000-gebied staat de staat van instandhouding van Nederland vermeld. Is ook de staat van instandhouding per gebied bekend?
Nee, wel is een percentage van de bijdrage van het gebied aan de nationale staat van instandhouding aangegeven. Hierdoor is de staat van instandhouding van het gebied redelijk te benaderen.

Toetsing

Is een beheerplan altijd MER-plichtig?
Op de website van het Regiebureau Natura 2000 kunt u de laatste informatie hierover vinden op de plan MER pagina.

Wie doet de toetsing van de gebruiken en stelt vast wat wel en niet effect heeft op het Natura 2000-gebied en de instandhoudingsdoelstellingen?
Voor het toetsen van bestaand gebruik in het kader van beheerplannen is in de Regiegroep Natura 2000 afgesproken dat de voortouwnemer hiervoor verantwoordelijk is. Daarnaast is afgesproken dat een rijkspartij in de rol van voortouwnemer een andere rijkspartij kan vragen om de toetsing van bestaand gebruik waar deze rijkspartij beleidsmatig gezien verantwoordelijk is. Aangezien EZ voor de gebieden waar zij het voortouw heeft de opdracht voor het opstellen van de beheerplannen aan DLG heeft gegeven, dient DLG het bestaand gebruik te toetsen. DLG kan daarbij dus wel andere departementen aanspreken om hun bestaand gebruik te toetsen, als dat aan de orde is. Formeel ligt de toetsing bij EZ, Gedeputeerde Staten of de Minister van I&M. Hierbij worden natuurlijk wel bureaus en diensten ingezet.

Als een MER-procedure wordt uitgevoerd, wordt dan altijd een Natura 2000-toets gedaan of moet je dit apart laten doen? Of apart om vragen?
Op grond van de Wet milieubeheer moet worden bepaald of voor een activiteit een milieu-effectrapportage moet worden gemaakt. Of voor deze activiteit ook een vergunning nodig is op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet), moet op basis van de NB-wet worden bepaald. Op grond van de NB-wet is het namelijk verboden zonder vergunning activiteiten te realiseren (project of andere handeling) die zorgen voor een verslechtering of een significante verstoring van een Natura 2000-gebied. Als er als gevolg van een project kans is op significante gevolgen, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen, moet een passende beoordeling worden gemaakt. Betreft het een plan dan moet ook een passende beoordeling worden gemaakt en verplicht een plan-mer. De NB-wet regelt overigens wel dat de passende beoordeling voor een project onderdeel kan uitmaken voor een voor dat project voorgeschreven milieu-effectrapportage. Een passende beoordeling van een plan maakt altijd deel uit van de ter zake dat plan voorgeschreven milieu-effectrapportage.

Zijn er prioriteiten in de beoordeling van effecten bij passende beoordelingen?
Er is vanuit de vergunningverlening vanuit EZ geen enkele sprake van een prioritering in belang van relevante beschermde natuurwaarden. De instandhoudingsdoelstellingen zijn maatgevend. De instandhoudingsdoelstellingen worden opgesteld om er voor te zorgen dat de soorten en habitats waarvoor het gebied is aangewezen, worden beschermd. De centrale vraag is: belemmert het effect van de activiteit het behalen van die doelen? Om dit te bepalen wordt een passende beoordeling opgesteld. Tijdelijkheid van effecten en herstelmogelijkheden kunnen in de passende beoordeling een rol spelen. Veel zal hierbij afhangen van de specifieke casuïstiek, waardoor bepaalde natuurwaarden in de beoordeling soms ogenschijnlijk sterker naar voren komen dan andere beschermde waarden.

Vergunning

Wat is vergunningplichtig en wat niet?
Wanneer een activiteit wordt meegewogen in het kader van het beheerplan, kan de activiteit in het beheerplan worden opgenomen. Hooguit kan voordat het bevoegd gezag tot opname in het beheerplan besluit een passende beoordeling daarvoor nodig zijn. Wanneer is besloten tot opname in het beheerplan, dan is de activiteit niet langer vergunningplichtig, behoeft de vergunning dus niet te worden verlengd en behoeft dus ook geen passende beoordeling daarvoor te worden gevraagd. Wanneer de activiteit wordt meegewogen en het bevoegd gezag komt tot de slotsom dat deze niet in het beheerplan kan worden opgenomen, blijft de activiteit vergunningplichtig. Zie ook Checklist Vergunningverlening

Hoe werkt vergunningverlening (en omgekeerde bewijslast)?

De omgekeerde bewijslast is van kracht voor de periode na vaststelling van het Natura 2000-beheerplan voor plannen en projecten waarvoor een vergunningentraject bij de provincie of het ministerie van EZ moet worden doorlopen. Het betekent dat initiatiefnemers van nieuwe activiteiten moeten aantonen dat hun activiteit geen bedreiging vormt voor de natuur en past binnen de kaders van het beheerplan. Dit is onderdeel van de vergunningaanvraag. Voor meer informatie over vergunningverlening zie ook Checklist Vergunningverlening

Mogen in een vergunningprocedure Natuurbeschermingswet 1998 mitigerende maatregelen worden meegewogen bij het bepalen van significante effecten?
Dit mag niet bij de voortoets, maar wel bij de passende beoordeling. Bij de voortoets kijk je naar de ingreep als zodanig (zonder verdiscontering van mitigerende maatregelen); als er een kans is op significant negatief effect maak je een passende beoordeling en dán mag je mitigerende maatregelen aftrekken van het effect alvorens je een uitspraak doet over het (resterende) effect: significant of niet.

Wat is de relatie tussen een vergunning onder de Natuurbeschermingswet en milieuvergunningen?
Als vanuit milieuwetgeving (die aan andere dingen toetst dan aan natuurwetgeving) de vergunning wordt verleend, dan betekent dat dat voor het milieu voldoende randvoorwaarden/mitigatie of anderszins geformuleerd is om de activiteit doorgang te laten vinden. Echter, in deze milieuvergunning is niet getoetst aan natuur, dus die toets dient dan nog uitgevoerd te worden. Het beheerplan kan daar kaders voor geven (of dat gebeurt is aan het bevoegd gezag). Andersom kan natuurlijk net zo goed: naast NB-wetvergunning is ook Wm-vergunning nodig. Er is geen sprake van ondergeschiktheid, maar wel onvolledigheid: elke wet heeft zijn eigen toetscriteria en het kan nodig zijn op aanvullende criteria voor natuur te toetsen, ook als aan de milieu-criteria is getoetst.

De uitbreiding van een stal komt als gevolg van die uitbreiding binnen de grenzen van het Natura 2000-gebied te liggen. Is daardoor sprake van een afname van het Natura 2000-gebied en dient er vergunning te worden aangevraagd?
Bouwwerkzaamheden met een kans op negatieve gevolgen voor Natura 2000-doelen zijn vergunningplichtig. Als bij bouwwerkzaamheden gebouwd wordt binnen een Natura 2000-gebied waarmee oppervlakte verloren gaat is bijna altijd sprake van een kans op negatieve gevolgen en is een vergunning Natuurbeschermingswet 1998 nodig. Het gebied is niet voor niets aangewezen en begrensd zoals het begrensd is. Nu is het natuurlijk wel zo dat binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied niet altijd op elke vierkante meter beschermde habitattypen of soorten voorkomen, of dat elke vierkante meter in de toekomst nodig is voor uitbreiding van areaal habitattypen of leefgebied voor soorten. Het kan dus voorkomen dat aan de rand van Natura 2000-gebieden verlies van een (kleine) oppervlakte geen kans op (significant) negatieve gevolgen met zich meebrengt en er dus geen vergunningplicht aan de orde is. In een uitzonderlijk geval als dit is het wel ernstig aan te raden om in overleg met het bevoegd bezag (veelal provincies) tot deze of een andere conclusie te komen.

Kan bij de verlenging van een bestaande Nb-wetvergunning van een activiteit, die in de voortoets al wordt meegewogen in het kader van het beheerplan alsnog een passende beoordeling worden gevraagd door het bevoegd gezag? Heeft het bevoegd gezag daarbij ook een motivatie-plicht, mede in het kader van haar handhavingstaak, waarom zij deze keer een mogelijk significant effect verwacht?
Wanneer een activiteit wordt meegewogen in het kader van het beheerplan, kan de activiteit in het beheerplan worden opgenomen. Hooguit kan voordat het bevoegd gezag tot opname in het beheerplan besluit een passende beoordeling daarvoor nodig zijn. Wanneer is besloten tot opname in het beheerplan, dan is de activiteit niet langer vergunningplichtig, behoeft de vergunning dus niet te worden verlengd en behoeft dus ook geen passende beoordeling daarvoor te worden gevraagd. Wanneer de activiteit wordt meegewogen en het bevoegd gezag komt tot de slotsom dat deze niet in het beheerplan kan worden opgenomen, blijft de activiteit vergunningplichtig. In dat geval is een passende beoordeling vereist, tenzij er sinds de vorige passende beoordeling is gemaakt niets nieuws te verwachten valt en de activiteit gewoon een voortzetting of herhaling van de vorige activiteit is.
Voor wat betreft de motivatieplicht: een bevoegd gezag moet zijn besluiten motiveren. Het vragen om een passende beoordeling behoeft het gezag niet te motiveren, want dat is geen besluit en voor de aanvrager van de vergunning zelfs een wettelijke plicht. Daarenboven vloeit uit het voorzorgsbeginsel voort dat het bevoegd gezag zekerheid moet hebben dat geen schadelijke effecten het gevolg van de activiteit zullen zijn en dat het gezag zonder die zekerheid in beginsel de aanvraag, ook al betreft het een verlenging, kan afwijzen. De huidige wet gaat al uit van het systeem dat in beginsel bestaand gebruik kan worden voortgezet totdat het eerste beheerplan onherroepelijk is geworden. In beginsel, omdat de wet een uitzondering maakt voor een wijziging in betekenende mate en voor bestaand gebruik dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats verslechtert of dat een significant negatief effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Dat betekent dat betrokkenen in beginsel gewoon hun bedrijf kunnen blijven uitoefenen. In het kader van het opstellen van het beheerplan is het de taak van het bevoegd gezag te inventariseren welk bestaand gebruik aan de orde is en hoe dat zich verhoudt tot de instandhoudingdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied. De wet vereist in het huidige artikel 19a, eerste lid, dat Gedeputeerde Staten overleg met eigenaren, gebruikers en andere belanghebbenden hebben. Wanneer het bevoegd gezag voor het beheerplan overgaat tot het opstellen van het beheerplan is het van belang dat betrokkenen meedenken, door in de fase van overleg bestaand gebruik goed in te brengen en naderhand te bezien of het is opgenomen in het ontwerp-beheerplan. Voor het vaststellen van het beheerplan moet het bevoegd gezag een procedure doorlopen, vergelijkbaar met het vaststellen van het aanwijzingsbesluit, te weten ter inzage leggen ontwerp-plan en gelegenheid geven daaromtrent zienswijzen in te dienen. In die fase is het van belang voor betrokkenen de vinger aan de pols te houden en hun belangen in het oog te houden door te bezien of het bestaand gebruik goed is beschreven. Wanneer wordt aangetoond dat een activiteit significant effect heeft, blijft dat vrijgesteld totdat het beheerplan vaststaat. In het geval de Staatssecretaris oordeelt dat het effect zo negatief is dat dit niet kan voortduren heeft hij de bevoegdheid betrokkenen zo nodig aan te schrijven op grond van artikel 19c, tweede lid, sub c, van de wet. Wanneer een deel van het bestaand gebruik niet zo negatief is dat de Staatssecretaris overgaat tot het toepassen van de bevoegdheid ex artikel 19c, tweede lid, sub c, maar wel zo dat het bevoegd gezag meent het niet in het beheerplan te kunnen opnemen, moeten betrokkenen uiterlijk nadat het beheerplan onherroepelijk vaststaat een aanvraag voor vergunning indienen, voorzien van een passende beoordeling. Dan zullen Gedeputeerde Staten bezien of vergunning kan worden verleend, al dan niet onder voorwaarden en met mitigerende maatregelen. Zo ja, dan kan het bedrijf worden voortgezet. Zo nee, dan is het aan het bevoegd gezag al dan niet te handhaven. Het beleid van de Staatssecretaris is echter gericht op zoveel mogelijk opnemen van bestaand gebruik in beheerplannen, dus in beginsel toegestaan bestaand gebruik tot en met vaststellen beheerplan en vervolgens opgenomen in beheerplan.

Wat is de relatie tussen vergunning Wet Milieubeheer en Natuurbeschermingswet 1998 toetsing?
In beginsel is sprake van twee verschillende wetten met elk een eigen toetsingskader. De toetsing wat betreft de gevolgen voor het Natura 2000-gebied vindt plaats in het kader van de behandeling van de aanvraag om vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. In hoeverre een natuurtoets noodzakelijk is in het kader van de Wm bepaalt het bevoegd gezag op grond van die wet. Het zal in elk geval niet dezelfde toets kunnen zijn als in het kader van de NB-wet 1998, want beide wetten hebben een verschillend doel.

Wat zijn de gevolgen voor een bedrijf als het in of dichtbij een Natura 2000-gebied ligt?
Op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet) is het verboden zonder vergunning activiteiten te realiseren (project of andere handeling) die zorgen voor een verslechtering of een significante verstoring van een Natura 2000-gebied. Hierbij maakt de locatie van het bedrijf niet uit: bepalend zijn de gevolgen van de activiteit op een Natura 2000-gebied. Als er als gevolg van een project kans is op significante gevolgen, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen, moet een passende beoordeling worden gemaakt. Er kan dan alleen een vergunning worden verleend als uit de passende beoordeling komt dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast. Als een bedrijf wil uitbreiden geldt hetzelfde: de gevolgen van de uitbreiding zullen moeten worden getoetst aan de NB-wet. Overigens is op grond van de NB-wet ook een vergunning nodig als handelingen worden verricht die schadelijk kunnen zijn voor beschermde natuurmonumenten (artikel 16 NB-wet).

Wat gebeurt er als een vergunning wordt verleend op basis van beste informatie en later blijkt dit onterecht te zijn? Wie is dan verantwoordelijk?
Als een vergunning verleend is op grond van de overtuiging dat er geen significante gevolgen zullen zijn, maar er in de praktijk tóch een significant negatief effect optreedt of dreigt op te treden, dan dient het bevoegd gezag (op grond van art. 43, lid 2, van de wet) de verleende vergunning te herzien, door de voorschriften aan te scherpen, danwel de vergunning in te trekken indien blijkt dat mitigatie (door het stellen van strengere voorschriften) onvoldoende mogelijk is. In ieder geval wordt een vergunning normaal gesproken onder voorwaarden afgegeven. Dat betekent dat de initiatiefnemer opdraait voor de kosten als het tóch mis gaat, mits het valt onder de vergunningvoorwaarden. Het zal dus per geval afhangen van wat er precies in de vergunningvoorwaarden staat. Vergunningverleners bij provincies en EZ (Directie RRE) kunnen hier meer over vertellen. Op grond van artikel 43, tweede lid, van de NB-wet kan een vergunning worden ingetrokken of gewijzigd indien: de gegevens op grond waarvan de vergunning is verleend zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen; de omstandigheden sedert het tijdstip waarop de vergunning is verleend zodanig zijn gewijzigd, dat deze niet, niet zonder beperkingen of voorwaarden of slechts onder andere beperkingen of voorwaarden zou zijn verleend, indien deze omstandigheden op het tijdstip waarop de vergunning is verleend zouden hebben bestaan. Dit is een procedure die het bevoegd gezag in gang zet. Het bevoegd gezag moet dan ook aantonen dat er redenen zijn om de vergunning in te trekken of te wijzigen.

Wetgeving

In artikel 19 kd, 1e lid, sub b van de Natuurbeschermingswet 1998 wordt gesproken over ‘per saldo’. Welke eisen worden in dit kader aan salderen gesteld?
De JAN! (Juridische Adviesraad Natura 2000) heeft een uitgebreid advies geschreven over het verrekenen van effecten, waar salderen een onderdeel van is. Via Zie ook de pagina verrekenen van effecten.

Hoe moet artikel 19 kd van de Natuurbeschermingswet 1998 (c.q. Crisis- en herstelwet) worden geïnterpreteerd?
Artikel 19kd Natuurbeschermingswet 1998 is alleen van toepassing als op voorhand zeker is dat er op geen enkele voor stikstofgevoelige habitat in een Natura 2000-gebied sprake is van een toename. Als dat op voorhand niet zeker is, dan moet de vergunningprocedure worden doorlopen om te toetsen of de mogelijke toename leidt tot een significant effect.

Wat zijn de mogelijkheden en beperkingen in de ruimtelijke ordening in de buurt van Natura 2000-gebieden?
De bescherming van Natura 2000-gebieden vindt in Nederland plaats door de regelgeving van de Natuurbeschermingswet 1998. In die wet zijn de betrokken EU-richtlijnen [Habitat- en Vogelrichtlijn] geïmplementeerd. Hiervan is in het bijzonder artikel 19d, eerste lid, van de wet van belang. Dat verbiedt het zonder vergunning uitvoeren van projecten, die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Over de mogelijkheden en beperkingen van het uitvoeren van projecten en activiteiten in en rondom een Natura 2000-gebieden kan het bevoegd gezag aldaar u verder informeren