Naslagwerk Natura 2000
Deel 2 - Toetsing
2.1 Beschermingsregime en voorzorgsbeginsel
Activiteiten waarvan niet op voorhand zeker is dat ze geen gevaar voor de instandhoudingsdoelstellingen leveren zijn vergunningplichtig. Een vergunning wordt pas verleend als zekerheid is verkregen dat er geen gevaar voor de instandhoudingsdoelstellingen dreigt. Mogelijk worden hierbij ook voorwaarden aan de uitvoering van de activiteit gesteld. Dit alles wordt bepaald in het kader van een zogenaamde habitattoets.
Belangrijk hierbij is dat het voorzorgsbeginsel gehanteerd wordt. Toestemming wordt alleen verleend als op basis van de beste wetenschappelijke kennis maximale zekerheid kan worden verschaft dat de activiteit (zowel op zichzelf als in combinatie met andere activiteiten) de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengt. Bij twijfel wordt geen toestemming verleend.
Het is belangrijk om te constateren dat absolute zekerheid nooit te bieden is en met het voorzorgsbeginsel niet het onmogelijke gevraagd wordt. Bedoeld wordt dat alle redelijkerwijs te leveren zekerheid geboden wordt.
De instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen houdt in dat de activiteit negatieve effecten veroorzaakt die het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen verhinderen of tegenwerken, er is dan sprake van zogenaamde significant-negatieve effecten of gevolgen. (Voor meer info, kijk op de pagina: Significantie)
Ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen, denk aan geluidsverstoring of verdroging door wateronttrekking. Dit wordt externe werking genoemd. (Voor meer info, kijk op de pagina: Externe werking).