Naslagwerk Natura 2000

Deel 1 - Inleiding

1.2  Rechtsgevolgen Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn

De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn tweeledig van aard: enerzijds gaan deze richtlijnen over de bescherming van soorten en habitats door middel van het aanwijzen van beschermde gebieden, anderzijds kennen beide richtlijnen een deel dat gaat over algemene soortenbescherming (ongeacht waar deze voorkomen) (dit is geregeld in de Flora- en faunawet). Dit hoofdstuk heeft alleen betrekking op de rechtsgevolgen die beide richtlijnen met zich meebrengen ten aanzien van de bescherming van soorten en habitats in daarvoor aangewezen, beschermde gebieden.

Ecologisch netwerk Natura 2000
Artikel 3 van de Habitatrichtlijn vormt de basis voor het Europese, ecologische netwerk Natura 2000. Dit netwerk moet volgens dit artikel bestaan uit gebieden met de habitats uit bijlage I en de soorten uit bijlage II van de richtlijn. Ingevolge dit artikel bestrijkt Natura 2000 ook de speciale beschermingszones die aangewezen zijn of worden conform de Vogelrichtlijn.

Aanwijzing Speciale Beschermingszones
Artikel 4 (lid 4) van de Habitatrichtlijn verplicht de lidstaten een gebied dat door de Europese Commissie als gebied van communautair belang is verklaard, uiterlijk binnen zes jaar aan te wijzen als Speciale Beschermingszone (SBZ). De lidstaat dient daarbij prioriteiten vast te stellen, gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van de habitats en soorten uit de bijlagen I en II van de richtlijn, waarbij volgens artikel 11 van de richtlijn bijzondere aandacht geschonken dient te worden aan de in die bijlagen opgenomen prioritaire habitats en soorten. Daarnaast dient de lidstaat ook te letten op de bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging van het te beschermen gebied en de algemene coherentie van Natura 2000.

Rechtsgevolgen aanwijzing
Het is met name artikel 6 uit de Habitatrichtlijn die de bescherming en het behoud van de habitats en soorten in de Natura 2000-gebieden regelt. Dit artikel is van toepassing op de gebieden van communautair belang die op de (ontwerp)lijst staan van de Europese Commissie (artikel 4 lid 2 Habitatrichtlijn), alsmede de gebieden die door Nederland (voorlopig) zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Artikel 7 bepaalt vervolgens dat de rechtswerking van artikel 6 niet alleen van toepassing is op de gebieden die in het kader van de Habitatrichtlijn worden aangewezen, maar ook op gebieden die in het kader van de Vogelrichtlijn zijn aangemeld (artikel 4 lid 4 van de Vogelrichtlijn vervalt).

Artikel 6 Habitatrichtlijn:

  1. De Lidstaten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijkeordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen.


  2. De Lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.


  3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.


  4. Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de Lidstaat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De Lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen. Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd.

Geen beschrijving