JAN!
Onderwerp: Juridische vereisten aan extern foerageergebied
Datum vraag: 1 oktober 2009
Gesteld door: Provincie Flevoland
Inleiding:
Voor vele Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen opgenomen in de ontwerp aanwijzingsbesluiten voor natuurwaarden die voor een blijvende gunstige staat van instandhouding deels en soms grotendeels afhankelijk zijn van de kwaliteiten van het gebied buiten de eigenlijke beschermingszone. Zo slapen, rusten en broeden vele soorten vogels in Natura 2000-beschermingszones maar zij zoeken voedsel daarbuiten. Dit geldt onder meer voor eenden, ganzen, zwanen, kiekendieven en reigerachtigen.
Buiten de Natura 2000-gebieden zijn allerlei ruimtelijke ontwikkelingen gepland, die een vermindering van het bestaande geschikte gebied waar de vogels voedsel zoeken tot gevolg kunnen hebben. Een mogelijke significante schade aan de instandhoudingsdoelstellingen, in de vorm van een teruggang van de draagkracht van het voedselzoekgebied tot een niveau waarin de aantallen van de vogels verwacht worden af te nemen tot beneden het doel, kan worden voorkomen door het verzekeren van voldoende geschikt voedselzoekgebied. Dit nieuw te maken aanvullende foerageergebied kan op verschillende manieren vorm krijgen. Als natuurterrein met een planbestemming natuur en een natuurbeherende instantie, maar ook als agrarisch gebied met een beheervergoeding voor agrarisch natuurgebied. Dit laatste kent een structuur met overeenkomsten op basis van vrijwilligheid en een looptijd van 6 jaren.
Vraag:
Biedt agrarisch natuurbeheer in het licht van de tijdelijkheid en vrijwilligheid van contractuele overeenkomsten voldoende rechtszekerheid ten aanzien van het niet optreden van significante effecten als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen, om die ruimtelijke ontwikkelingen zonder verdere eisen te kunnen toestaan?
Indien bestaande agrarische gronden (bijvoorbeeld weilanden) voor de instandhouding van soorten (bijvoorbeeld kolganzen) buiten Natura 2000 een onmisbare component zijn, is dan voor verandering van de reguliere agrarische functie (bijvoorbeeld gras scheuren en maïs planten) een vergunning onder de Natuurbeschermingswet ex 19d nodig?
Zijn er directe rechtsgevolgen voor landgebruikers indien in een Natura 2000 beheerplan wordt beschreven dat hun land nodig is voor de instandhouding van zekere populaties van soorten uit de beschermingszone?

Antwoord:
Datum antwoord: 6 oktober 2009
Nee. Zeker niet die zekerheid die sinds het Kokkelvisserij-arrest geëist wordt.
Ja. Maar alleen dan wanneer er sprake is van daadwerkelijk een 'onmisbare component', dit zal niet snel het geval zijn. Als de betrokken grondeigenaar/gebruiker de vergunningplicht ontkent, wordt het bevoegd gezag geconfronteerd met een omkering van de bewijslast. Dat zal juridisch én ecologisch vaak erg moeilijk worden.
Ja. Zie ook antwoord 2.
Mogelijk een beperking van het grondgebruik/vruchtgebruik.
Toelichting:
- Het gaat te ver om deze aspecten (met name het omzetten van gras in maïs buiten het Natura 2000-gebied) binnen de externe werking te trekken en als het ware onder de vergunningplicht te brengen.
Argumenten: de betrokken percelen maken geen deel uit van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied zelf (art 6 lid 3 Habitatrichtlijn) en omzetting (bijv. van grasland in maïs) leidt ook niet onmiddellijk tot een verslechtering van de kwaliteit van habitat (zie ook definitie gunstige staat van instandhouding in artikel 1 Habitatrichtlijn) en zeker niet tot verstoring van soorten (art 6 lid 2 Habitatrichtlijn). Maatregelen kunnen wel aangewezen zijn op grond van art. 6 lid 1 Habitatrichtlijn(instandhoudingsmaatregelen), maar die kunnen alle vormen hebben: subsidie beheer, afspraken gekoppeld aan (natuur)pacht, andersoortige overeenkomsten, etc. - Hoe om te gaan met (significante) verstoring, komt in een ander advies van JAN! nader aan de orde (zie advies 09.006).
- Er kan zich op dit gebied in cumulatieve zin wel een probleem voordoen; dit moet inzichtelijk worden via monitoring, als verplicht onderdeel van het beheerplan.
- Aanplant van bos en/of wijziging van de bestemming van "agrarisch" naar "natuur" verdient in dit opzicht ook aandacht en is mogelijk vergunningplichtig, alleen al vanwege het aspect van verlies aan noodzakelijk foerageergebied.
- Mogelijk andere oplossingen kunnen liggen in grondverwerving (door een terreinbeherende organisatie, die de foerageerfunctie in stand houdt dan wel uitbreidt) of een regeling in het R.O. spoor (bijv. een aanlegvergunningenstelsel voor omzetting van gras naar bouwland, in het betreffende bestemmingsplan, met een afwegingskader).
Gebruikte jurisprudentie:
ABRvS 23 februari 2005 Bullepolder Leeuwarden, zaaknummer 200404709/1 (goedkeuringsbesluit bestemmingsplan; zie r.o. 2.4 e.v.)
Wettelijke Kader
Natuurbeschermingswet 1998; de (nieuwe) Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Slaat op stukken
Adviesaanvraag 09.012 "Juridische vereisten aan extern foerageergebied" d.d. 24-6-2009
Aanvullende informatie:
Rapport van de Directie Kennis van LNV:
"Evaluatie opvangbeleid 2005-2008 overwinterende ganzen en smienten"
(ondertitel: Onderdeel van het Beleidskader faunabeheer).
Genoemd rapport is samen met een IPO-voorstel hierover een agendapunt van de Adviescommissie Landelijk Gebied op 24 september 2009.