Voortoets
De orientatiefase
Het is niet verplicht de voortoets uit te voeren, maar om te bepalen of er een kans op vergunningplicht bestaat is dit een goed hulpmiddel. Door de voortoets uit te voeren wordt de vraag beantwoord of er een kans op vergunningplicht bestaat. Als er een kans bestaat dat uw activiteit verslechtering en/of significante verstoring met zich meebrengt, bestaat er een vergunningplicht. Neem contact op met het bevoegd gezag voor vergunningverlening voor meer informatie. Door vier checklists (VT1 t/m VT4) uit te voeren komt naar voren of er al dan niet (significant) negatieve effecten zijn te verwachten bij uitvoering van de activiteit. Na het doorlopen van één of meerdere van deze checklists en ná overleg met het bevoegd gezag wordt duidelijk of een vergunning dient te worden aangevraagd. Vooroverleg met het bevoegd gezag is noodzakelijk, omdat de mate van diepgang van informatie die nodig is om dit oordeel te kunnen geven per activiteit verschilt.
Als uw activiteit mogelijk negatieve effecten zal hebben voor (delen van) een Natura 2000-gebied, start de oriëntatiefase. Deze fase houdt in dat u na overleg met het bevoegd gezag nagaat of de activiteit mogelijk verslechtering of significante verstoring tot gevolg heeft voor een (deel van een) Natura 2000-gebied of de aangewezen soorten in dat gebied.
Als op voorhand al duidelijk is dat er negatieve effecten zullen zijn, dan zal het bevoegd gezag besluiten dat u direct of een verslechteringstoets bij kans op negatieve effecten, of een passende beoordeling bij kans op significant negatieve effecten, uit móet voeren.
Aan de hand van checklists kunt u bepalen of zich al dan niet (significant) negatieve gevolgen voor kunnen doen.
Bestaand gebruik is vrijgesteld van vergunningplicht, tenzij dat gebruik een project is dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied.